Mechteld van Gelre (ca. 1325-1384)

 
English | Nederlands

MECHTELD hertogin van GELRE, abusievelijk ook bekend onder de naam Margriet (geb. ca. 1325 – gest. Huissen, bij Arnhem 21-9-1384), erfgename van het hertogdom Gelre. Dochter van Reinoud II, hertog van Gelre (1295-1343) en Sophia Berthout van Mechelen (gest. 1329). Mechteld van Gelre trouwde (1) in 1336 met Godert graaf van Loon en Chiney (gest. 1342); (2) voor 22-2-1348 met Jan I, graaf van Kleef (gest. 1368); (3) op 14-2-1372 in Arnhem met Jan II van Chatillon, graaf van Blois (gest. 1381). Deze huwelijken bleven kinderloos.

Nadat haar beide halfbroers Reinoud III en Eduard, zoons van Eleonora van Engeland, in 1371 waren overleden, stelde Mechteld dat zij recht had op de hertogstitel, als oudste overlevende dochter uit het eerste huwelijk van haar vader Reinoud. Haar jongste zuster Maria (voor of in 1329-1397), getrouwd met Willem van Gulik (gest. 1393), eiste de opvolging in Gelre echter op voor haar minderjarige zoontje Willem. De kwestie was niet of een vrouw zou mogen opvolgen. Al in 1295 was door koning Adolf van Nassau voor Gelre bepaald dat bij afwezigheid van mannelijke opvolgers ook vrouwen de hertogstitel konden krijgen. Er moest nu dus worden gekozen uit twee pretendenten voor de hertogstitel, de dochter of de kleinzoon. Mechteld had bij haar aanspraak het nadeel dat zij geen kinderen had, en daarmee ook geen opvolgers.

Nog in hetzelfde jaar 1371 sloten de zusters een overeenkomst: zij zouden zich neerleggen bij de scheidsrechterlijke uitspraak van de ridderschap en de vier hoofdsteden Nijmegen, Zutphen, Arnhem en Roermond. Mechteld hield zich echter niet aan de gemaakte afspraak. De strijd om de opvolging was rechtstreeks verbonden met de burgeroorlog die op dat moment in Gelre woedde, naar de belangrijkste families de strijd tussen de Heeckerens en de Bronkhorsten genoemd. Al tijdens haar huwelijk met Jan van Kleef had Mechteld zich verbonden met de partij van de Heeckerens; zus Maria en haar man Willem van Gulik hadden partij gekozen voor de Bronkhorsten. In het belang van haar zaak drongen Mechtelds bondgenoten erop aan dat zij opnieuw zou trouwen. Zij koos voor Jan van Chatillon, heer van Gouda en Schoonhoven. Onder zijn aanvoering vond er een aantal belegeringen en gevechten plaats, maar al na vijf maanden hield hij de ondoorzichtige oorlog en zijn huwelijk voor gezien. Later liet hij ook de via zijn vrouw verkregen hertogstitel vallen.

Mechteld bleef doorvechten. Ze werd daarbij gesteund door hertogin Johanna van Brabant en Luxemburg, die een persoonlijke vete met Maria had omdat haar man Wenceslas zich in Gulikse gevangenschap bevond. Johanna was de schoonzuster van keizer Karel IV, waardoor zij de mogelijkheid had om bij hem Mechtelds zaak te bepleiten. Aan Mechteld schreef zij: ‘Ende als vandien dat ghi ons danct der goeder onsten die wij u bewijst hebben tsegen onsen genedigen heer den Keyser in uwen saken, Seker lieve nichte, dat hebben wi van herten gerne gedaan ende sijn altoes bereet te doen in allen saken na ons vermogen so wat u lief sij.’ (En wat betreft uw dank voor de goede gunsten die wij u bewezen hebben bij onze genadige heer de Keizer in uw zaak: zeker, lieve nicht, dat hebben wij van harte gaarne gedaan en zijn altijd bereid te doen in alle zaken naar ons vermogen zo wat u lief is) (brief opgenomen in Kockelkorn-Nijenhuis en Elbers, 7). Daarnaast kreeg Mechteld steun van de bisschop van Utrecht, Arnold van Hoorn, en van Reinoud van Brederode, heer van Gennep. Ook de steden van Gelre waren verdeeld. Enkelen kozen voor Mechteld, anderen voor de jonge Willem, en steden als Venlo en Roermond wachtten voorzichtig af zonder zich te binden.

In 1373 besloot de keizer dat de gevangenschap van zijn broer nu lang genoeg had geduurd en maakte hij zich op om met behulp van een Brabants leger Gulik binnen te vallen en zijn broer te ontzetten. Zover kwam het niet. Door tussenkomst van een bemiddelingscommissie liet Willem Wenceslas vrij en betuigde hij zijn spijt aan de keizer. In ruil hiervoor beloonde keizer Karel hem door de jonge Willem van Gulik te belenen met het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen. Op allerheiligendag 1376 werd de ‘zoen’ tussen Mechteld en haar zuster gesloten. Toch probeerde Mechteld nog drie jaar lang haar gelijk te halen. Enkele steden bleven haar steunen, maar de inmiddels meerderjarige Willem wist deze situatie vrij snel naar zijn hand te zetten. Mechteld verloor langzaam al haar bondgenoten. In 1379 deed zij definitief afstand van haar rechten, maar zij behield daarbij het recht om zichzelf hertogin van Gelre en gravin van Zutphen te noemen.

Vijf jaar later overleed Mechteld van Gelre. Zij werd begraven in klooster Mariëndaal in Arnhem.

Naslagwerken

Van der Aa.

Archivalia

Gelders Archief, Arnhem: Hertogelijk archief, Archief Mechteld 240. Inventaris: A.H. Martens van Sevenhoven, Inventaris van het archief van hertogin-pretendente Mechteld van Gelre (Arnhem 1943). Zie voor de hertogen en graven van Gelre ook: Archieven van de graven en hertogen van Gelre, graven van Zutphen, 0001, 0236-0243.

Literatuur

  • I.A. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland: door onuitgegevene oorkonden opgehelderd en bevestigd 2 en 3 (Arnhem 1833-1839).
  • Aleid W. van de Bunt, ‘Mechteld, Hertogin van Gelre’, Gelders Oudheidkundig Contactbericht 33 (1967) 1-6.
  • A.P. van Schilfgaarde, Zegels en genealogische gegevens van de graven en hertogen van Gelre, graven van Zutphen (Arnhem 1967).
  • J. Kockelkorn-Nijenhuis en W.M. Elbers, ‘Mechteld. Hertogin pretendente van Gelre’, Gelders Oudheidkundig Contactbericht 57 (1973) juni, 2-11.
  • P.J. Meij, Het archief van de graven en hertogen van Gelre, graven van Zutphen (Arnhem 1979).

Illustratie

Zegel van Mechteld van Gelre, gravin-weduwe van Kleef, oorkonde 31-10-1367. Uit: A.P. van Schilfgaarde, Zegels en genealogische gegevens van de graven en hertogen van Gelre, graven van Zutphen (Arnhem 1967), zegel 76 (1343-1368).

Auteur: Dimphéna Groffen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 28

laatst gewijzigd: 13/01/2014