Mée, Anna Maria du (1862-1949)

 
English | Nederlands

MÉE, Anna Maria du (geb. Amsterdam 1-11-1862 – gest. Amsterdam 11-5-1949), verpleegster, verzamelaarster, vooral bekend vanwege haar geruchtmakende huwelijk. Dochter van Frederik George Lodewijk du Mée (1820-vóór 1907) en Anna Maria Siebbeles (1827-vóór 1907). Anna Maria du Mée trouwde op 10-12-1907 in Amsterdam met Jan Herman van Eeghen (1849-1918), bankier en kunstverzamelaar. Dit huwelijk, dat op 23-2-1912 eindigde in een scheiding van tafel en bed, bleef kinderloos. Uit een voorechtelijke relatie werd 1 kind geboren dat jong stierf.

Anna Maria du Mée werd geboren als oudste van twee dochters van een uit Den Haag afkomstige boekbinder. Haar zusje overleed vermoedelijk als kind. Er is ook sprake van een oudere pleegbroer. Anna Maria groeide op in de Rozenstraat (nr.113) en de Spaarndammerstraat (nr. 71) en verhuisde als jongvolwassene met haar ouders mee naar de Grimburgwal (nr. 8) en de Langebrugsteeg (nr. 8). Op haar achttiende raakte ze ongehuwd zwanger. Ze beviel op 9 oktober 1881 van een zoontje, dat na een klein jaar (op 6-7-1882) stierf.

Over de opleiding van Du Mée is niets bekend, maar in 1888 werd ze als verpleegster aangenomen bij het nieuwe herstellings- en vakantieoord van Joodse kinderen te Wijk aan Zee. Een jaar later deed ze een zelfmoordpoging door in de Amstel te springen. In 1893 woonde ze weer bij haar ouders in: eerst kortstondig in Den Haag, erna weer in Amsterdam (Baarsjesweg 78). Pas in juni 1895 verliet ze het ouderlijk huis om zich als zelfstandig verpleegster te vestigen. Tussen 1900 en 1902 woonde ze in bij een patiënt op de Binnen Amstel.

Rond 1906 kwam Du Mée – inmiddels 45 jaar en woonachtig aan het Rembrandtplein (nr. 35) – in contact met de dertien jaar oudere Jan Herman van Eeghen, een vrijgezel uit het bekende doopsgezinde koopmansgeslacht. Onduidelijk is hoe de twee elkaar hebben leren kennen. Sommige bronnen suggereren dat zij jarenlang zijn verpleegster was geweest. Van Eeghen was lid van de bankiersfirma H. Oyens & Zonen en met zijn kunstverzameling genoot hij internationale faam. Tot ontzetting van zijn familie kregen hij en Du Mée een relatie. Ze betrokken de familiewoning aan de Herengracht 495, die een kostbare opknapbeurt kreeg. Spoedig namen zij echter hun intrek in het mondaine Amstelhotel, waarna zij in 1907 hun huwelijk door een predikant lieten inzegenen in concertzaal Odeon. Onder de getuigen – een opgetrommelde likeurstoker, veearts, makelaar en directeur van een liefdadigheidsinstelling – waren geen Van Eeghens. 

Scheiding en legaat 

In de eerste jaren van haar huwelijk kocht mevrouw van Eeghen-du Mée een indrukwekkende sieradencollectie en garderobe. Volgens de overlevering maakte het stel ook vele verre reizen, tot aan Caïro en het ‘sprookjespaleis’ van de Indische radja toe. Na vier jaar liep het huwelijk echter spaak. Van Eeghen beklaagde zich over de ‘voortdurende heftigheid’ en ‘onredelijkheid’ van zijn echtgenote die zijn leven zou hebben ‘vergald’ en zijn gezondheid geschaad. Bovendien was hij door de flamboyante levensstijl van Du Mée in geldproblemen gekomen, met het gevolg dat hij het familiehuis en een deel van zijn schilderijencollectie van de hand had moeten doen. In november 1911 vroeg hij echtscheiding aan. Enkele dagen eerder had Du Mée hem geslagen en gedreigd zijn bed in brand te steken. Ook wenste ze hem een beroerte toe, ‘dan herkreeg ik eindelijk mijne vrijheid’. Na een onderhoud met zijn vrouw voor de rechtbank trok Van Eeghen zijn scheidingsverzoek echter weer in. Kort daarop presenteerde hij een nieuw verzoekschrift, waarin hij Du Mée ook van overspel met andere mannen betichtte. Dit vond de rechtbank voldoende grond voor een scheiding van tafel en bed, al wilde Du Mée zich alsnog met haar echtgenoot verzoenen.

Hoewel ze op huwelijkse voorwaarden waren getrouwd, kreeg Du Mée na Van Eeghens dood (1918) een aanzienlijke legaat. Ze kocht hiervan onder meer een stuk grond naast begraafplaats Westerveld in Driehuis (Duin- en Kruidbergerweg 16), waar haar ex-man was begraven. Hierop liet ze in de zomer van 1923 de villa Bébé Bambino bouwen, genoemd naar haar twee lievelingshondjes. Waarom ze juist hier een huis liet bouwen, blijft onduidelijk: ze verhuurde het pand en woonde zelf in Amsterdam, in een groot bovenhuis op de hoek van het Rembrandtplein en de Bakkerstraat. Ze ontving haar gasten in de keuken, want de rest van het huis was een warenhuis van het verleden: de tapijten lagen opgerold in de kamers, de vloeren waren bedekt met kranten en de kostbaarheden lagen opgeslagen in kisten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor Du Mée de huurinkomsten uit Westerveld omdat de Wehrmacht haar villa had betrokken. In deze tijd begon ze zich steeds excentrieker te gedragen. Zo placht ze in een rafelige japon suikerklontjes te voeren aan de paarden van de koetsiers op het Rembrandtplein. Wel droeg ze in een fluwelen tas altijd een kapitaal aan diamanten en gouden sieraden met zich mee.

Na de Bevrijding verhuisde Du Mée naar een bovenwoning aan de Keizersgracht (nr. 709). Opnieuw ontving zij bezoek in de keuken, aan een tafel met twee aftandse stoelen. Ze verwaarloosde zichzelf, at onvoldoende, vervuilde en kwam ten slotte nauwelijks nog haar bed uit. Anne Marie du Mée werd overgebracht naar de Valeriuskliniek, waar ze overleed op 11 mei 1949, in de ouderdom van 86 jaar. Ze werd in het familiegraf Van Eeghen op Westerveld bijgezet. De veiling van haar juwelen, garderobe en kunstvoorwerpen trok veel bekijks en aandacht van de pers. Behoudens enkele legaten voor neven en nichten liet Du Mée haar kapitaal na aan liefdadigheidsinstellingen als de dierenbescherming en natuurmonumenten.

‘Dame aux camélias’ 

Al tijdens haar leven had Anna Maria du Mée het imago van een gewetenloze ‘golddigger’. Onder pseudoniem maakte J.F.L. de Balbian Verster, oud-redacteur van Genootschap Amstelodamum, in 1915 publiek hoe het leven van Jan van Eeghen ‘een hel’ was geworden vanwege zijn huwelijk met de ‘minderwaardige juffrouw’ (Sumatra Post). Du Mée zou haar man hebben bedreigd en gechanteerd, waardoor hij zelfs bewaking nodig had. Ook na haar dood en de veiling van haar collectie kleding en juwelen – later deels beland in het Haags Gemeentemuseum en het Rijksmuseum – bleef haar excentrieke levensstijl de gemoederen bezighouden. Bertus Aafjes noemde haar weliswaar ‘de Amsterdamse dame aux camélias’, naar de chique prostitué uit de roman van Dumas, maar dichtte haar ook intellect en een warm hart toe. In recentere literatuur wordt Du Mée ten onrechte ‘dochter van rondreizende bioscoopexploitanten’ genoemd (Kunsthandel, 260). Neerlandicus Rob Delvigne schreef een stuk waarin hij de uitersten in beeldvorming tegenover elkaar zet zonder een eenduidige conclusie te trekken.

Archivalia 

  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: DTB, aktenummer reg.5H fol. 43v, registratiedatum 10-12-1907 [huwelijk]; Arrondissementsrechtbank Amsterdam, toegangnr. 198, inv. nr. 2787, echtscheidingsrekest met beschikking, 1911, nrs. 435 en 454.
  • Stadsarchief Amsterdam: Catalogus van kostbare en zeer goed onderhouden inboedels uit verschillende nalatenschappen, waarbij die van wijlen Mevrouw A.M. van Eeghen-du Mée (1949); Bevolkingsregisters 1874-1893; Overgenomen delen.

Literatuur

  • Het nieuws van den dag, 25-5-1888.
  • Algemeen Handelsblad, 2-3-1912 [scheiding].
  • De Sumatra post, 3-4-1915.
  • Marike [ps. van moderedactrice Maria Johanna Carolina Schreuder], ‘Anna Maria’s levensgang: van koningsloge naar Rembrandtsplein’, Het Vrije Volk, 1-10-1949.
  • Java-bode, 15-10-1949.
  • H. de la Fontaine Verwey e.a., Vier eeuwen Herengracht (Amsterdam 1976) 334.
  • J.F. Heijbroek en E.L. Wouthuysen, Portret van een kunsthandel; de firma Van Wisselingh (Zwolle 1999) 260-261.
  • Haarlems Dagblad, 6-10-2008.
  • Rob Delvigne, ‘Anna Maria du Mée, een leven van uitersten’, Nynade 18 (aug. 2012) 5-8.
  • Barbara van Vonderen, Deftig en ondernemend. Amsterdam 1870-1910 (Amsterdam 2013).

Illustratie

In bestelling

 

Auteur: Maarten Hell (met dank aan Maggy Rond)

 

laatst gewijzigd: 15/08/2017