Mendels, Judith (1906-1995)

 
English | Nederlands

MENDELS, Judith Hendrika (geb. Zaandam 15-4-1906 – gest. Luzern, Zwitserland 30-7-1995), taalkundige, pleegmoeder in het weeshuis van Kamp Westerbork. Dochter van Maurits Mendels (1868-1944), politicus en jurist, en Henriëtte Sara Stokvis (1872-1966), onderwijzeres en vertaalster. Judith Mendels bleef ongehuwd.

De joodse Judith Mendels groeide op in Zaandam als enig kind van Maurits Mendels, Kamerlid voor de SDAP, en onderwijzeres Henriëtte Sara Stokvis. Van 1918 tot 1923 kreeg ze les op de Hoogere Burgerschool voor Meisjes. Vervolgens studeerde ze Nederlandse taal- en letterkunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, waar ze in 1928 slaagde voor haar mo-akte. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde ze bij haar ouders. Als gelovige tiener worstelde Mendels met de areligiositeit van haar ouders. In diezelfde tijd schreef ze in haar dagboek hoe innig gelukkig ze was ‘als ik menschen kan troosten of helpen’ (gecit. bij Van Thijn, Judy/Judica, 53). In de jaren twintig raakte ze gefascineerd door enkele beroemde altruïstische persoonlijkheden, met name de aan tbc lijdende Maria Ignacia uit Madrid, die sociaal werk verrichte voor de katholieke organisatie Opus Dei. In 1932 vroeg Judith Mendels een naamsverandering aan: vanaf april dat jaar mocht zij zich Judica Ignatia Hendrika noemen. Toch is Mendels zelf nooit katholiek geworden.

Oorlog

Bij het uitbreken van de oorlog in 1940 zat Judica Mendels in een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die een uitgave voorbereidde van de volledige correspondentie van natuurkundige Antoni van Leeuwenhoek. Zij was de enige die diens handschrift kon ontcijferen. Dankzij dit werk en haar vaders prominente positie in de samenleving ontkwam Mendels in de oorlogsjaren lange tijd aan deportatie. Op voorspraak van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken werd Mendels in 1943 samen met honderden andere joden vanwege hun ‘maatschappelijke onmisbaarheid’ ondergebracht op het kasteel De Schaffelaar in Barneveld. Als ‘Barnevelder’ kreeg ze een tijdelijk uitstel van transport. Op 29 september 1943 werd ze met de andere Barnevelders alsnog overgeplaatst naar doorgangskamp Westerbork. Mendels vond een baantje als schoonmaakster, onder andere bij barakkenleider Alfred Eckstein, een 52-jarige Duitse jood die al vanaf 1939 in het toenmalige vluchtelingenkamp opgesloten zat en stateloos was. De twee kregen een relatie.

Dat Mendels in Westerbork mocht blijven, had voor een deel te maken met haar relatie met Eckstein, maar waarschijnlijk nog meer met haar onvervangbaarheid, dit keer als pleegmoeder in het kampweeshuis. Het werk gaf haar veel voldoening. ‘’n Beetje liefde en begrip doen zo veel in die kleine harten, die vaak onder de branie zo eenzaam zijn’, schreef ze in 1944 aan vriendin Lot Noë (Archief Mendels-Stokvis, IISG). Mendels was optimistischer ingesteld dan de gemiddelde briefschrijver. Haar hoopvolle brieven over haar werk en het pseudofamilieleven met Eckstein en haar ‘pleegkinderen’ zijn tekenend voor het bedrieglijk gewone leven dat kampbewoners konden leiden die niet continu met transport werden bedreigd. Slechts tussen de regels door bespeurt de lezer de tragische werkelijkheid van het kamp. Ik heb veel kinderen verloren,’ schreef Mendels aan Noë, om direct toe te voegen ‘maar nu weer 29 jongens [in het weeshuis]’, waarna ze uitvoerig beschreef hoe goed ze met de kinderen kon opschieten. Mendels zorgde voor deze kinderen alsof ze hun moeder was: ze gaf de kinderen de dagelijkse structuur die ze lange tijd hadden ontbeerd.

Mendels en haar moeder overleefden de oorlog, haar vader en Alfred Eckstein niet. Na de bevrijding pakte ze haar oude leven weer op. Ze kreeg haar baan bij de KNAW terug en haar moeder en zij betrokken hun voormalige woning. Bij haar terugkeer in de samenleving ondervond ze echter grote problemen, zoals zoveel terugkerende joden. Over haar kampervaringen schreef Mendels enkele manuscripten, die rauwer van toon zijn dan haar brieven. Bijzonder was dat zij zich daarin opwerpt als pleitbezorger van de statelozen. Tot haar grote spijt kreeg ze de manuscripten niet gepubliceerd. Berooid en gedesillusioneerd emigreerde Mendels in 1947 met haar moeder naar Baltimore in de VS. ‘Judy’, zoals ze zich voortaan liet noemen, stortte zich op haar werk als secretaresse en haar avondstudie Duitse taal en literatuur. In 1952 studeerde ze af, in 1953 voltooide ze haar dissertatie, Das Bergbüchlein, over het gelijknamige vroeg zestiende-eeuwse drukwerk over mineralen. Na een ‘assistant professorship’ in Allentown, Pennsylvania, en een ‘associate professorship’ in Lockport, Illinois werd ze in 1961 hoogleraar in de Duitse taal- en letterkunde aan het Canisius College in Buffalo, New York.

In 1966 verloor Judica Mendels haar moeder. Over haar eigen oorlogsverleden sprak ze nooit, zelfs niet met Elena Smirzai, die tussen 1969 en 1977 als pleegdochter bij haar inwoonde. In 1946 had Judica Elena’s vader Janos Smirzai, een vluchteling uit Slowakije, leren kennen en zich over hem ontfermd. Judy voedde haar pleegdochter zeer streng en ouderwets op. Centraal in het ongewone huishouden stonden een hond en een kat, Judy’s oogappels. Na Mendels pensionering in 1972 verliet ze Buffalo en emigreerde ze – met een korte tussenstop in Canada – naar Luzern, Zwitserland. Daar is Judica Mendels op 30 juli 1995 in het ziekenhuis overleden.

Beeld

‘Juffrouw Mendels ontfermde zich over ons, met enorme toewijding. Ze zag erop toe dat het ons aan niets ontbrak en dat ook ik mijn leventje, danig ontwricht door de vlucht langs al die adressen, weer kon oppakken,’ schreef Ed van Thijn over zijn pleegmoeder in Westerbork (Judy/Judica, 14-15). Zorgzaamheid was volgens hem de rode draad in Judica Mendels’ leven. Dat beeld herkende Elena Smirzai, concertpianiste, nauwelijks in haar pleegmoeder. De excentrieke dierenliefhebster Judy Mendels ‘was erg dominant. Haar wil was wet’ (Van Thijn, Judy/Judica, 48). Mendels’ oorlogsbescheiden, ook de manuscripten over haar kampervaringen waar zij zich nooit meer over had uitgelaten, werden in het familiearchief in het IISG ondergebracht. Bij de zestigjarige herdenking van de bevrijding van Westerbork in 2005 werden passages uit een van Mendels’ geschriften voorgedragen door acteur Edwin de Vries. Elena speelde tussendoor piano. Ed van Thijn gaf een speech over zijn oorlogservaringen en vertelde het verhaal over zijn pleegmoeder. In een NOS-interview schetsten Ed en Elena een beeld van haar waarin zij zich beiden konden vinden: ‘Ondanks haar afstand van het Jodendom’, aldus Van Thijn, was Mendels ‘op en top het type van een overbezorgde Jiddische Mama’ (Van Thijn, Judy/Judica, 126).

Archivalia

Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam: Archief Mendels-Stokvis, inv. nr. 195, afschriften van brieven van J. Mendels aan L. Noë; inv. nr. 123, Westerbork; inv. nr. 124, Schetsen van Westerbork; inv. nr. 126, artikelen van J. Mendels na 1945 waaronder ‘Flitsen uit Westerbork’.

Publicaties

  • Das Bergbüchlein (Baltimore 1953) [onuitgegeven proefschrift].
  • ‘Zur deutschen Bergwerkssprache’, Kentucky Foreign Language Quarterly 2.2 (1955) 67-74.
  • ‘Die Etymologie des Wortes Kux’, Modern Language Notes 76 (1961) 336-341.
  • ‘Einiges über die deutsche Hüttensprache im Mittelalter’, in: Gundolf Keil e.a., Fachliteratur des Mittelalters. Festschrift für Gerhard Eis (Stuttgart 1968) 147-166.

Literatuur

  • De Tijd, 13-12-1928.
  • Ed van Thijn, Het verhaal (Amsterdam 2000).
  • Ed van Thijn, Achttien adressen (Amsterdam 2004).
  • Ed van Thijn, Judy/Judica (Amsterdam 2006).
  • NOS-uitzending herdenking Westerbork, 12-4-2005.
  • Eva Moraal, Als ik morgen niet op transport ga… Kamp Westerbork in beleving en herinnering (Amsterdam 2014).

Illustratie

Judica Mendels, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Herinneringscentrum Kamp Westerbork).

Auteur: Eva Moraal

laatst gewijzigd: 02/02/2016