Metz, Louise Estella Julia (1918-2004)

 
English | Nederlands

METZ, Louise Estella Julia (geb. Amsterdam 3-6-1918 – gest. Rotterdam 29-12-2004), penningmaakster en beeldhouwster. Dochter van Tobias Philip Metz (1873-1942), ambtenaar bij de Rijksverzekeringsbank, en Sara Zeckendorf (1883-1942). Louise Metz trouwde op 22-5-1946 in Utrecht met Jan van Luyn (1916-1995), beeldhouwer. Dit huwelijk werd in 1951 ontbonden. Uit een latere relatie werd 1 zoon geboren.

Louise (Loekie) Metz groeide op als enig kind in een welvarend Joods gezin in Amsterdam – een ouder zusje was voor haar geboorte gestorven. Drie halfbroers uit een eerder huwelijk van haar moeder heeft zij waarschijnlijk niet gekend omdat haar moeder na haar scheiding geen contact met hen mocht hebben. Tussen 1926 en 1928 won Loekie minstens vier prijzen in kleurwedstrijden. Ook leerde ze goed pianospelen. Na drie jaar hbs stapte ze over naar de Kunstnijverheidsschool. Vervolgens haalde ze in augustus 1936 haar lo-akte tekenen aan het Amsterdamse Rijksopleidings-instituut voor Teekenleraren. In 1937 begon ze op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam aan de dagcursus beeldhouwen onder leiding van Jan Bronner. Het tweede jaar sloeg ze over, vermoedelijk vanwege een liefdesrelatie die haar ouders niet goedkeurden, en het gezin verhuisde naar Den Haag. In dat tussenjaar maakte Loekie een studiereis naar Italië en nam ze les aan de kunstacademie in Brussel. Mogelijk bezocht ze ook de academie in Antwerpen en die in Den Haag.

Ondergedoken

In 1939 ging Loekie Metz terug naar de Rijksakademie. Ze woonde inmiddels met haar ouders in Haarlem. Vanwege haar Joodse achtergrond moest ze in 1942 de academie verlaten. Haar vader en moeder werden nog datzelfde jaar gedeporteerd en in Auschwitz omgebracht. Metz zelf dook onder bij de familie (Kees) Boeke in Bilthoven, en later bij haar studiegenoot en verloofde Jan van Luyn aan de Oudegracht in Utrecht. Om haar zinnen te verzetten boetseerde ze er kleine beeldjes – dat maakte geen lawaai. Later zei ze daarover: ‘Als je opgaat in je vak kun je zoveel vergeten en van je afzetten’ (gecit. Erkens 1949, 314).

In 1946 trouwden Loukie Metz en Jan van Luyn. Ze woonden op de Oudegracht, maar deelden een atelier in de Herenstraat. In datzelfde jaar deed Metz mee aan een prijsvraag van de Nederlandsche Kring van Beeldhouwers voor een oorlogsmonument in Renesse – de inzendingen werden getoond in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ze kreeg al snel opdrachten, onder meer voor een herdenkingsreliëf voor het Utrechtse energiebedrijf Pegus (1947) en, samen met Van Luyn en twee anderen, voor een groot monument ter gelegenheid van het 1900-jarig bestaan van de stad Utrecht (1948). In 1948 won ze een prijsvraag voor vrouwelijke medailleurs van de Vereniging voor Penningkunst ter herdenking van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

Parijs

In 1949 vertrok Loekie Metz voor een vakantie naar Parijs, waar ze een opdracht wist te verwerven bij de Monnaie (de Franse Munt). Ze besloot er te blijven en maakte voor dezelfde opdrachtgever nog verschillende penningen, waaronder (sport)medailles. Aanvankelijk woonde en werkte Metz in een hotelkamertje aan de rue du Bac, later kreeg zij een ruimte in het Collège Néerlandais in de Cité Universitaire. In 1951 werd haar huwelijk met Van Luyn, die in Utrecht was gebleven, formeel ontbonden. Toen Metz de beschikking had gekregen over gedeponeerde effecten van haar ouders, kon ze in 1952 een kleine woning met atelier kopen in de Parijse voorstad Gentilly, waar ze ook les gaf op een volkshogeschool. In dat jaar werd uit haar relatie met een man uit Guadeloupe een zoon geboren: Serge. Ze deed mee aan tentoonstellingen, onder meer in Nederland, waar ze ook penningopdrachten kreeg. Als ze in Nederland was, logeerde ze vaak in Amsterdam bij beeldhouwer en medailleur Piet Esser en zijn vrouw.

Terug in Nederland

In 1957 vestigde Loekie Metz zich in de Rotterdamse wijk IJsselmonde, waar ze een atelier kreeg in een bijgebouw van de voormalige watertoren. Al eerder had ze enkele penningen gemaakt voor de Rotterdamse Kunststichting. In de jaren zestig kreeg zij bovendien van de gemeente opdrachten voor beeldhouwwerk in de publieke ruimte. Een herdenkingsplastiek voor een buitenmuur van de synagoge aan het A.B.N. Davidsplein werd kort na de onthulling, in september 1967, verwijderd omdat het synagogebestuur bezwaar maakte tegen de ‘gesneden beelden’. Voor deze beeldengroep kreeg ze in 1968 op de Salon in Parijs een zilveren medaille, maar het werk bleef jarenlang opgeslagen – een deel ervan werd zelfs uit de opslag gestolen. Pas na jarenlang procederen kon het gedenkteken in 1981 in aangepaste vorm opnieuw worden onthuld, deze keer in de stadhuistuin.

Ook uit andere plaatsen kwamen opdrachten, vooral voor penningen, maar ook voor beeldhouwwerk. Zo staan twee beelden van Metz in Amersfoort. Haar woning in Gentilly en haar contacten in Parijs hield Loekie Metz aan. Ze kreeg nog diverse penningopdrachten uit Frankrijk, deed zo nu en dan mee aan tentoonstellingen in Parijs en was lid van de Union des Arts plastiques et appliqués. In 1970 benoemde de Salon des Artistes Français haar tot ‘sociétaire’. Twee jaar later won Metz een prijsvraag van de Société de la Sculpture de la Médaille in Pennsylvania (VS) met haar ontwerp Boat against de Waves, een penning met haar zelfportret die in zilver werd uitgegeven. Regelmatig gaf Metz penningen uit in eigen beheer, en af en toe schiep ze vrij beeldhouwwerk. Zo maakte ze in 1982 op eigen initiatief een groot borstbeeld van koningin Beatrix dat ze wist te verkopen aan de provincie Zuid-Holland. In datzelfde jaar ontwierp zij – wel in opdracht – het koninklijk grootzegel.

Werk en karakter

Loekie Metz modelleerde haar werk meestal in klei of was, waarna het in brons of – in het geval van haar penningen – soms in zilver werd uitgevoerd. Ze maakte figuratief werk. Haar aanvankelijk enigszins Maillol-achtige reliëfs en beelden werden in de loop der jaren forser gemodelleerd en impressionistischer. Het meeste succes had zij met haar penningen, die merendeels gegoten zijn – een kleiner deel is geslagen. Ze oogstte er doorgaans veel lof mee op de exposities van FIDEM, de internationale kunstpenning-federatie. Opvallende objecten in het oeuvre van Metz zijn een bewerkt houten wiegje uit de oorlogsjaren (verblijfplaats onbekend) en een zilveren armband met vijf schakels die ieder zijn voorzien van een figuurtje in reliëf (Rijksmuseum Amsterdam).

Uit interviews en artikelen komt Loekie Metz naar voren als een eigenzinnige vrouw. Tegen Het Vrije Volk zei ze in 1974: ‘Als ze, toen ik klein was, tegen me zeiden: “Je haar is te lang”, dan liet ik het nog langer groeien’ (Het Vrije Volk, 12-2-1974). Ze was lid van het Amersfoorts Kunstenaarsgenootschap, van de Vereniging voor Penningkunst, de Vereniging Nederland-Israël, de Beroepsvereniging Beeldende Kunstenaars, de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en ze zat in de Culturele Raad Zuid-Holland. Door sommige verenigingen werd ze geroyeerd omdat ze weigerde contributie te betalen als ze het met het beleid niet eens was. In 1985-1986 voerde ze een gerechtelijke procedure over een schadeloosstelling toen ze haar atelier in Rotterdam moest verlaten wegens de verbreding van de Van Brienenoordbrug. Niet lang daarna verhuisde Metz naar Wassenaar, waar zij tot op hoge leeftijd doorwerkte. Louise Metz overleed op 29 december 2004 en werd op begraafplaats Hofwijk in Rotterdam begraven.

Naslagwerken

Jacobs; Jacobs (2000); Joden in Nederland; Scheen (ed. 1970).

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: gezinskaart T.P. Metz.
  • Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag: PDO.
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: persoonskaart.

Werken

  • Beeldhouwwerken in de openbare ruimte: o.a. Amersfoort, Rotterdam, Zandvoort.
  • Ander werk: o.a. Rijksmuseum, Amsterdam; Nationale Numismatische Collectie, Amsterdam; Monnaie de Paris; Centraal Museum, Utrecht.
  • Zie ook de drie artikelen in De Beeldenaar (1998).

Literatuur

  • ‘Utrechtse beeldhouwster Loekie van Luyn-Metz’, Utrechts Nieuwsblad, 6-11-1947.
  • Corn. Basoski, ‘In een kleine smalle straat in Utrecht’, De Rotterdammer, 8-12-1947.
  • Corry Erkens, ‘Een vrouw beitelt aan de weg. Op bezoek bij de beeldhouwster Loekie van Luyn-Metz’, De Vrouw en Haar Huis 43 (1949) 313-315.
  • André Glavimans, ‘Twee vrouwen in Parijs’, Algemeen Dagblad, 19-9-1953.
  • Liesbeth van Weezel, ‘Wel en wee van gedenkteken voor Rotterdamse joden’, Nieuw Israelietisch weekblad, 26-6-1970.
  • Liesbeth van Weezel, ‘Expositie. Penningen en plastieken van Loekie Metz’, Nieuw Israelietisch weekblad, 9-2-1973.
  • ‘Paspoort’, Het Vrije Volk, 12-2-1974.
  • Elsbeth Etty, ‘Eindelijk een monument voor joodse slachtoffers in Rotterdam’, De Waarheid, 29-10-1981.
  • Peter Slavenburg, ‘Beeldhouwster Loeki Metz heeft Koningin te koop’, Het Vrije Volk, 7-4-1982.
  • J.N. van Wessem, Nederlandse penningkunst (Den Haag 1988) 14, 24-25.
  • Jane van Balen-Swets, Een beeld van een vrouw: Nederlandse beeldhouwsters uit de School van Bronner (Amsterdam 1988).
  • Piet Esser, ‘Tegen de golven in’, De Beeldenaar (1998) nr.3, 115-125.
  • Hans de Koning, Penningcatalogus Loeki Metz, De Beeldenaar (1998) nr. 3, 126-135.
  • Frans van Puijenbroek, ‘Mevrouw Louise Metz, 80 jaar’, De Beeldenaar (1998) nr. 3, 107-114.
  • URL: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/132139/sara-metz-zeckendorf; geraadpleegd 29-8-2016.

Illustratie

  • Louise Metz, door Rob C. Croes, 1981 (Nationaal Archief, Den Haag).
  • Louise Metz, Erasmuspenning, 1969.

Auteur: Marloes Huiskamp

laatst gewijzigd: 01/09/2016