Boëseken, Mijnoldina Adriana Antoinette (1825-1871)

 
English | Nederlands

BOËSEKEN, Mijnoldina Adriana Antonetta (geb. ’s-Heerenberg 12-6-1825 – gest. Amsterdam 23-11-1871), schrijfster, verpleegster en adjunct-directrice van de cellulaire gevangenis te Amsterdam. Dochter van Hendrik Mijnoldus Boëseken (1789-1854), onderwijzer, en Jacoba Johanna Peltenburg (1798-1870), schrijfster. Mijnoldina Boëseken bleef ongehuwd.

Mijnoldina Boëseken werd als derde kind geboren in een groot Nederlands Hervormd gezin met acht kinderen. Haar vader was dorpsonderwijzer in Lunteren en ’s-Heerenberg, haar moeder was voor haar huwelijk als leerkracht verbonden geweest aan de kostschool van Anna Maria Moens in Ede en schreef vanaf 1832 stichtelijke kinderversjes. Van haar drie broers en vier zusters stierven er drie jong.

Mijnoldina wilde zendelinge worden, maar haar familie verzette zich hiertegen. Daarom koos ze voor de verpleging, een beroep waar haar ouders al evenmin van gecharmeerd waren. Ze had op jonge leeftijd aan twee sterfbedden gestaan en meende daarom dat in de ziekenverzorging haar roeping lag. In januari 1848 meldde zij zich aan bij het bestuur van de Vereniging voor Ziekenverpleging in Amsterdam als aspirant-pleegzuster. Ze was met haar 23 jaar te jong, maar op voorspraak van W.A. Immink, predikant in ’s-Heerenberg, mocht ze als gast kennismaken met het huiselijk leven van de pleegzusters in het Moederhuis aan de Kerkstraat te Amsterdam. In mei 1848 herhaalde ze haar verzoek ‘om voor harer Heer Jezus Christus werkzaam te mogen zijn’, en twee maanden later werd ze op grond van getoonde ‘geschiktheid en aanleg’ tot de leertijd toegelaten. In januari 1850 sloot zij haar opleiding af en werd zij in een kerkdienst voor het leven in haar roeping als pleegzuster bevestigd.

Reeds acht maanden na deze plechtige viering legde Mijnoldina Boëseken om gezondheidsredenen haar functie neer. Tussen september 1848 en januari 1850 had ze in lange werkdagen, met slechts zes uur nachtrust, op twintig adressen mensen verpleegd. Het waren diensten van één nacht tot veertig dagen, verleend aan oude en jonge, rijke en arme lijders aan tuberculose, pleuritis, trombose en tyfus. Ze was zelf in die periode driemaal ernstig ziek geweest. Bij haar opzegging schreef ze het bestuur van de Vereniging voor Ziekenverpleging dat haar de functie van directrice van de vrouwenafdeling van de eerste cellulaire gevangenis in Amsterdam was aangeboden. Het bestuur liet haar weten dat er voor haar altijd plaats zou zijn in het Moederhuis als het gevangeniswerk haar tegenviel. Mijnoldina vond echter onderdak in de gevangenis aan de Weteringschans, waar ze belast was met de verzorging van de vrouwelijke gevangenen en het bestuur van de wasserij. De instructies voor haar functie kwamen neer op een bijna penitentiair regime: familiebezoek was haar slechts tot tien uur ’s avonds toegestaan, ze moest aan de directeur verlof vragen om na tien uur op de kamer terug te keren van bezoek en zonder overleg met de directeur mocht zij noch de gevangenis noch de stad verlaten.

Schrijverschap

In 1852 debuteerde Mijnoldina Boëseken met enkele gedichten in Maria en Martha, waarmee zij in het spoor trad van haar moeder J.J. Boëseken, geboren Peltenburg en haar oudste zus Suzanna Maria Boëseken (1821-1866). In 1854 verscheen De pleegzuster, met een voorwoord van haar beschermheer Willem Hendrik Warnsinck, oprichter van het Nederlands Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen en pleitbezorger van het cellulaire gevangeniswezen. Volgens hem baseerde Mijnoldina zich hier op haar ervaringen en had ze alleen de namen van personen en plaatsen gefingeerd. Haar schetsen geven, aldus Warnsinck, niet alleen een realistisch beeld van haar werk als pleegzuster, maar ook van haar levenshouding. Hij verwees daarbij naar het in 1852 verschenen gedicht ‘De pleegzuster’ van Tollens, over een vrouw die bewogen door christelijke naastenliefde haar bestemming in het leven had gevonden in het verzorgen van zieken: deze nobele zuster zou Tollens hebben getekend naar Mijnoldina, bij wie leven en werk een eenheid waren. In eenvoudige bewoordingen en met taalfouten had Mijnoldina Boëseken haar ervaringen opgetekend, niet om literair naam te maken, maar om ‘nut te stichten’, de vroomheid van haar publiek te bevorderen en het belang van goede, christelijke ziekenverpleging te benadrukken. Haar presentatie van deugden was geen ijdel zelfportret – aldus Warnsinck – maar was bedoeld om de lezers te onderrichten. Daarom was aan haar taal en stijl niets veranderd. Hij vond de authenticiteit van het werk belangrijker dan de stilistische schoonheid ervan. De recensent in Vaderlandsche Letter-Oefeningen waardeerde dit streven, maar had toch kritiek op vorm en stijl.

Mijnoldina Boëseken liet zich ook inspireren door haar werk in de vrouwengevangenis. Zo beschrijft zij in haar vierde werk, Geeske van den Elzenpas: een verhaal op waarheid gegrond (1862), het verhaal van een landmeisje dat uit liefde misdadig wordt. Geeske belandt in de gevangenis, maar door eenzame opsluiting komt ze niet in aanraking met het echte tuig en vervalt ze niet van kwaad tot erger. Het is daarmee een pleidooi voor het cellulaire gevangenissysteem waarbinnen Mijnoldina werkzaam was. Naast een bijbelse vertelling en een kinderboek verschenen er verder van haar hand proza en poëzie met een protestants-religieuze moraal in de tijdschriften Maria en Martha, Evangelie-spiegel, De Tijdstroom, Tijdspiegel en Christelijk Album.

Op 46-jarige leeftijd stierf Mijnoldina Boëseken in Amsterdam. Op 4 januari 1872 dankte haar moeder in een advertentie ‘voor de talrijke blijken van oprechte hoogachting en hartelijke deelneming’ die zij had ontvangen gedurende de ziekte en bij het overlijden van haar dochter.

Naslagwerken

Van der Aa; Frederiks/Van den Branden; NNBW.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: Vereeniging voor Ziekenverpleging, Archief 920, inv.nr 1.
  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: Archief gevangenissen, Amsterdam inv. nr 12.
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: advertenties op familienaam.
  • Correspondentie van Mijnoldina Boëseken bevindt zich in de Universiteitsbibliotheken van Amsterdam en Leiden.
  • Publicaties

    • ‘Vertrouwen in de toekomst’, ‘Kinderzin’, Maria en Martha 14 (1851) 57-58, 95-96 [Het laatste gedicht staat ook in: J.J. Abbink e.a., Broederliefde:gedichten (Amsterdam 1852) 22].
    • 'Iets uit de gevangenis', Gelderland 1 (1852) 262-281.
    • ‘De christelijke jonkvrouw’, ‘Voorwaarts’, Maria en Martha 17 (1852) 33-37, 141-142.
    • ‘Onesimus’, ‘Kindschheid’, Evangelie-spiegel 3 (1852) 181-192, 155-157.
    • De pleegzuster (’s-Hertogenbosch 1854). Met een voorwoord van W.H. Warnsinck.
    • Judas de Maccabeër (’s-Hertogenbosch 1856).
    • Viooltjes en vergeet mij niet: nieuwe lektuur voor onze kleinen (Schoonhoven 1856).
    • 'Schetsen uit het leven'. De Tijdstroom. Maandschrift gewijd aan Wetenschap, Letteren en Kunst 4 (1861) 225-285.
    • 'Kleine Dora en blinde Diene', De Tijdstroom 5 (1862) 149-171.
    • 'Liefdebetoon door vrouwen. De inrigtingen tot ziekenverpleging in Nederland', De Tijdstroom 5 (1862) 253-275.
    • Geeske van den Elzenpas: een verhaal op waarheid gegrond (Amsterdam 1862).

    Literatuur

    • Hendrik Tollens, De pleegzuster: dichtstukje (Rotterdam 1852).
    • [Over De Pleegzuster], Vaderlandsche Letteroefeningen 1 (1855) 315-318.
    • [Over Geeske van den Elzenpas], Vaderlandsche Letteroefeningen 1 (1863) 12.
    • L., [Over Geeske van den Elzenpas], 'Uit en voor 't leven', De Tijdstroom 8 (1865) 220-221.
    • Gerard Pley, ‘De pleegzuster of het onbekroonde werk van Jan Pieter Heije’, in: Herman de Boer en Gerard Pley, Grachtenzusters: episoden uit honderdvijftig jaren Vereeniging voor Ziekenverpleging, sedert 1857 gevestigd aan de Prinsengracht te Amsterdam (Amsterdam 1993) 1-87.
    • Toos Streng, Geschapen om te scheppen? Opvattingen over vrouwen en schrijverschap in Nederland, 1815-1860 ( Amsterdam 1997) 88.
    • ‘Mijnoldina Boëseken’, www.databasewomenwriters.nl (12-6-2007).

    Illustratie

    Frontispice van De pleegzuster, steendruk van P.W.M. Trap, 1854.

    Auteur: Arno van der Valk

    Biografienummer in 1001 Vrouwen: 726

    laatst gewijzigd: 13/01/2014

    De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.