Moltzer, Maria Johanna (1874-1944)

 
English | Nederlands

MOLTZER, Maria Johanna (geb. Amsterdam 6-1-1874 – gest. Zürich, Zwitserland 6-12-1944), psychoanalytica. Dochter van Christiaan Nicolaas Jacob Moltzer (1841-1922), directeur distilleerderij, en Stijntje Meyer (1844-1928). Maria Moltzer bleef ongehuwd.

Maria werd geboren als vierde van acht kinderen – zes meisjes, twee jongens – in een welvarend Amsterdams ondernemersgezin. Haar vader was directeur-eigenaar van de Bols Likeur- en Jeneverstokerij aan de nog niet gedempte Rozengracht, het gezin woonde op loopafstand daarvandaan aan de Keizersgracht. Maria’s vader was een politiek geëngageerde man: van 1887 tot 1893 had hij zitting in de gemeenteraad, later werd hij lid van de Provinciale Staten en de Kamer van Koophandel.

Na de vijfjarige hbs voor meisjes te hebben voltooid volgde Maria een opleiding tot verpleegster in het pas aangelegde Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat. In 1900 ging ze naar Lausanne, waar ze colleges letteren en recht volgde aan de universiteit. Terug in Amsterdam werd Maria in 1902 redacteur bij Nosokómos, het tijdschrift van de vereniging ter verbetering van de werkomstandigheden van verpleegkundigen.

Het intuïtieve type

Maria Moltzer begon in 1905 als hoofdverpleegster in het pas geopende sanatorium Lebendige Kraft van dr. Alfred Bircher-Benner in Zürich, een favoriete bestemming voor mensen die wilden kuren. Maria Montessori kuurde er, net als Thomas Mann en Golda Meir. Er gold een holistische benadering van de gezondheidsproblemen: een gezonde geest in een gezond lichaam. Maria Moltzer verdiepte zich in de psychische oorzaak van fysieke problemen en specialiseerde zich in kinderen met eetstoornissen of eetproblemen. Begin 1910 ontmoette ze Carl Jung, op dat moment een aankomend analyticus, door Sigmund Freud gezien als zijn opvolger in de psychoanalyse. Moltzer werd al snel zijn assistente; ze nam patiënten van hem over als hij in de jaarlijkse militaire dienst moest en vertaalde zijn lezingen in het Engels toen hij in 1912 naar de VS ging. Vermoedelijk hebben ze elkaar geanalyseerd. Toen Jung in 1913 brak met Freud en in een depressie raakte, ving Moltzer hem op. Maria’s specialisatie was in eerste instantie kinderanalyse, maar later analyseerde ze ook volwassenen. In haar rond 1911 opgerichte privékliniek ontving ze veel kunstenaars.

In 1916 hield Maria Moltzer voor de Psychoanalytische Club in Zürich een lezing over het belang van kunst voor de ontwikkeling van de persoon. Daarin sprak ze over het intuïtieve type, als toevoeging aan de analytische psychologie van Jung, die tot dan toe alleen een onderscheid had gemaakt tussen het introverte (denkende) en het extravert (voelende) type.

Het was tijdens deze lezing dat ze zei: ‘wanneer een mens alleen blijft voelen en denken, zal hij nooit in staat zijn om los te komen uit zijn situatie en ‘creatief’ iets nieuws te scheppen. In barre tijden als deze, kunnen we denken en voelen tot we erbij neervallen, dat helpt ons niet vooruit. Dan hebben we de verlossende bevrijdende intuïtie nodig!’(Voordrachten, 1916).

Twee jaar later kwam het tot een breuk met Jung. Maria Moltzer vond dat zijn analytische psychologie geen ruimte liet voor inhoudelijke kritiek van anderen en Jung haar te weinig credits gaf voor haar intellectuele bijdragen aan de ontwikkeling van zijn theorie. In een brief aan een vriendin schrijft ze op 1 augustus 1918: ‘Mijn terugtrekking heeft een stilzwijgend effect. Stilzwijgend, omdat het bij mijn weg lijkt te horen, dat ik nooit openlijk de waardering en erkenning krijg voor wat ik doe voor de ontwikkeling van de hele analytische beweging. Ik werk altijd alleen en in het donker. Dat is mijn lot en dat moet ik maar accepteren’ (brief aan Fanny Bowditch, Harvard Medical Library).

Waarschijnlijk had Moltzer gehoopt samen met Jung tot een algemene theorie te komen over de werking van de ziel, te vergelijken met de evolutieleer van Darwin of de relativiteitstheorie van Einstein. Voor Jung bleek zij uiteindelijk slechts een lastige vrouw, die hem te dichtbij kwam. Moltzer was inmiddels 44 jaar en buitengewoon zelfbewust en geëmancipeerd. Gedesillusioneerd trok ze zich terug in het dorpje Zollikerberg om haar eigen bijbel te schrijven: Am Umbruch der Zeit, een studie over het proces van afdalen in het collectief onbewuste en het oprijzen als volmaakte mens. Na haar dood zou het in kleine oplage gepubliceerd zou worden onder de titel Der Weg zur Mitte. Volgens kenners heeft ze zich hierin vergaloppeerd – ze verloor zich in duiding van alle mogelijke symboliek – en zouden haar vroegere analytische voordrachten meer kwaliteit hebben.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er geen contact mogelijk met haar familie in Nederland. Na een lang ziekbed stierf Maria Moltzer op 6 december 1944 in Zürich, in de ouderdom van zeventig jaar. Zij werd begraven in Zollikerberg.

Betekenis

Maria Moltzer zag zichzelf als een vrouw met een denkend hoofd; wellicht een vrouw met een grote ‘mannelijke animus. Binnen de kring van aanhangers van de analytische psychologie was zij de enige Nederlander die fundamenteel nieuwe ideeën aandroeg. Haar belangrijkste bijdrage is haar toevoeging van het ‘intuïtieve type’, die Jung later opnam in zijn typenleer. Onbewust was ze van het feit dat ze Jung inspireerde tot de vinding van de ‘animus’ en ‘anima’. Omdat ze bijna haar gehele werkzame leven in Zwitserland heeft gewoond, is Maria Moltzer in Nederland nagenoeg onbekend gebleven.

Publicaties

  • Maria Moltzer, Voordrachten in Psychologische Club (Zürich 1916).
  • Der Weg zur Mitte (Amsterdam 1948).

Literatuur

  • Sonu Shamdasani, Cult Fictions (Londen 1998).
  • Tjeu van den Berk, In de ban van Jung (Zoetermeer 2014).
  • Maya Schepers, De weg naar het midden (werktitel; te verschijnen: Amsterdam 2018).

Illustratie

Maria Moltzer tijdens het International Psychoanalytic Congress in Weimar, door onbekende fotograaf, 1911(Library of Congress, Washington D.C.).

Auteur: Maya Schepers

laatst gewijzigd: 30/10/2017