Mouton, Maria Anna (1873-1947)

 
English | Nederlands

MOUTON, Maria Anna, vooral bekend als Manna de Wijs-Mouton (geb. Den Haag 12-3-1873 – gest. Den Haag 29-5-1947), liedjesschrijfster, beeldend kunstenares. Dochter van Pieter Frederik Willem Mouton (1830-1898), architect en directeur tapijtfabriek, en Sara Martina Koppeschaar (1831-1896). Maria Anna Mouton trouwde op 30-7-1896 in Den Haag met Jean Esaîe Christienne de Wijs (1869-1913), architect. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

Maria Anna (Manna) Mouton werd geboren in Den Haag, als nakomertje in een groot gezin – ze had drie zussen en vijf broers boven zich. Haar vader was architect met een eigen timmerbedrijf, haar moeder was de in kunsten geïnteresseerde dochter van een Leidse fabrikant. Huize Mouton was een pleisterplaats voor kunstenaars van de Haagse School, zoals Mesdag en Maris, en er werd veel gezongen. Manna was een eigenzinnig kind: op school lette ze niet op en haar pianoles op de Haagse Muziekschool nam zij evenmin serieus.

Vanaf haar achtste schreef Manna Mouton heimelijk gedichten, die ze verstopte. Woedend was ze toen haar moeder er een paar in de plaatselijke kindercourant had laten afdrukken zonder Manna daarin te kennen. Ook boetseerde ze stiekem dieren van stopverf uit de werkplaats van haar vader. Op haar elfde mocht ze naar de damesklas van de Haagse Akademie van Beeldende Kunsten, waar ze tekenlessen kreeg. Vanaf 1889 volgde ze daar ook een anatomiecursus en in 1893 de boetseerklas van Lacomblé. Ze won er een zilveren medaille, voor een leeuw ‘die scheef op z’n poten stond’, vertelde ze later (Groene Amsterdammer, 30-3-1918). Vanwege ziekte moest Manna Mouton de kunstopleiding afbreken. Wel kreeg zij hierna nog privéles van de academiedocent en beeldhouwer Arend Willem Maurits Odé.

Liedjes en wasfiguren

In 1896 trouwde Mouton met Jean de Wijs, een collega van haar vader. Het paar kreeg twee zoons: Jan (1897-1949) en Marten Arie (1900-1970). Door haar huwelijk en kinderen kwam De Wijs-Mouton jarenlang niet aan werken toe. Na de dood van haar echtgenoot in 1913 begon zij op te treden met in Haags dialect voorgedragen teksten en zelfgeschreven liedjes om daarmee in haar inkomsten te voorzien. Inspiratie voor de teksten haalde zij uit haar dagelijks leven. Haar komische voordrachten, gebracht met ‘guitigen glimlach’ en ‘satyrische intonaties’, vielen in de smaak (Avondpost, 6-11-1915). Ze begeleidde zichzelf op gitaar of luit, maar ook haar beide zoons en haar vriendin Elisabeth (Bet) Johanna Carolina Gelderman zorgden regelmatig voor de gitaarbegeleiding. Bet Gelderman kwam ook vaak in Huize Sonnemaire, het buiten van De Wijs-Mouton in Eerbeek waar Manna de Wijs-Mouton steeds vaker verbleef. Haar nummers Het Tasje en Snoepwinkeltje kregen grotere bekendheid toen Jean-Louis Pisuisse ze op zijn repertoire zette.

In de jaren 1914-1920 verschenen acht bundels met liedjes van Manna de Wijs-Mouton, deels geïllustreerd met afbeeldingen van haar eigen werk: behalve op het schrijven van teksten was zij zich eveneens gaan toeleggen op het maken van wassen miniatuurfiguurtjes, tekeningen en knipselwerk van papier en karton. Haar miniatuurtjes boetseerde ze met een zelf gemaakt mengsel van bijenwas, waxine, kleurstof en gips. Hoewel ze niet uitgesproken gelovig was, koos ze vaak religieuze onderwerpen, zoals Maria en een biddende bisschop. In 1918 exposeerde De Wijs-Mouton haar fijne, soms bijna middeleeuws aandoende boetseerwerk voor het eerst, bij kunstzaal d'Autretsch in Den Haag.

Meisjesgilde

De Wijs-Mouton bleef optreden, vooral voor filantropische instellingen en organisaties die haar na aan hart lagen, zoals het Nederlands Meisjesgilde van de padvinderij – in 1920 probeerde ze zelf een Haagse afdeling op te richten, maar die mislukte. Bij een voordrachtsavond voor de Nederlandse Vrouwenclub Amsterdam (later Lyceumclub) waren in 1925 ook haar wasfiguren te bezichtigen.

In 1925 verhuisde Manna de Wijs-Mouton naar Huize Sonnemaire in Eerbeek, waar Gelderman bij haar introk. Vanaf 1928 trad zij zelf niet langer op, maar haar liedjes werden nog steeds door anderen voorgedragen op het podium en op de radio. Wel bleef ze beeldend werk exposeren in Den Haag, en daarmee genoot ze ook internationaal een zekere faam: zo verscheen in 1930 een advertentie voor haar beeldjes in een Engels damesmodeblad. In 1934 won De Wijs-Mouton een eerste prijs op de Haagse poppententoonstelling voor haar ‘meest smaakvol geklede’ achttiende-eeuwse pop (Haagsche Courant, 22-5-1934). In de aanloop naar de oorlog en tijdens de bezetting hield zij een beknopt dagboekje bij. Hieruit blijkt onder meer dat ze in september 1944 een ontheemd Arnhems gezin in huis nam.

Op 29 mei 1947 overleed Manna de Wijs-Mouton in Den Haag.

Betekenis

In haar eigen tijd was Manna de Wijs-Mouton een bekendheid en dankzij haar sterke liedteksten is zij nooit in de vergetelheid geraakt. Een nieuwe generatie cabaretiers, zoals Jasperina de Jong (Hun muziek) en Wim Sonneveld (De Schooier), hield haar repertoire levend en van Snoepwinkeltje bestaat zelfs een Wikipediapagina. De wassen miniatuurkunstwerken van De Wijs-Mouton – in totaal boetseerde ze er circa driehonderd – berusten grotendeels bij particulieren, al is één mannenportret (Paulus Spies (1904-1963) van de Javasche Bank) in bruikleen ondergebracht bij het Nationaal Archief. In Amsterdam Osdorp is een Manna de Wijs-Moutonhof.

 

Naslagwerken

Honig; RKD; Scheen.

Archivalia

Gemeentearchief Den Haag: bevolkingsregister.

Publicaties

28 liedjes van Manna de Wijs-Mouton zijn te vinden op: 150 jaar volks,- kunst,- kinder,- en cabaretliedjes van Nederlandse componisten in en rond Utrecht, 1994 [cd-box; STH-CD 19493-1 t/m 5].

Literatuur

  • Ally V. Baëza, ‘Een bezoek bij Manna de Wijs-Mouton’, Groene Amsterdammer, 30-3-1918.
  • Algemeen handelsblad, 21-1-1926.

Website

Manna de Wijs-Mouton [URL http://mannaj25.ynzejan.nl; geraadpleegd 25-9-2017] (website over haar leven en werk).

Illustratie

Manna de Wijs-Mouton, Fotograaf onbekend, 1918.

 

Auteur: Maarten Hell

laatst gewijzigd: 02/10/2017