Matelief, Maria (?-1635)

 
English | Nederlands

MATELIEF, Maria Cornelisdr., vooral bekend als Maria Musch (begr. Rotterdam 21-4-1635), koopvrouw en reder ter walvisvaart, naar wie de Maria Muschbaai is genoemd. Dochter van Cornelis Cornelisz. Matelief en Aefje Claesdr. van der Horst. Maria Cornelisdr. trouwde op 20-1-1591 in Rotterdam met Jan Jacobsz. Musch (gest. 1610), koopman, reder en burgemeester van Rotterdam. Uit dit huwelijk werden ten minste 2 zoons en 5 dochters geboren.

De ouders van Maria Cornelisdr. Matelief kwamen beiden uit rijke en voorname Rotterdamse families.  Zelf trouwde ze op 20 januari 1591 met de uit Brielle afkomstige Jan Jacobsz. Musch, haringkoopman. In 1597 kocht het paar een huis aan de zuidkant van het Haringvliet, waar Maria Cornelisdr. tot aan haar dood in 1635 zou blijven wonen. Haar echtgenoot, die als lid van de vroedschap (1603-1610), burgemeester (1608) en gedeputeerde een bestuurlijke loopbaan doorliep, overleed in augustus 1610. De weduwe bleef achter met ten minste zeven kinderen, onder wie Cornelis (1593-1650), de latere griffier van de Staten-Generaal en vader van Elisabeth Musch. Blijkens de tientallen notariële akten waarin de naam van Maria Cornelisdr. Musch voorkomt, zette de weduwe de handelsactiviteiten van haar echtgenoot met succes voort. Deze betroffen onder meer de handel in haring, zout, hout, traan en baleinen.

Walvisvaart

Maria Musch was van meet af aan betrokken bij de Kleine Noordse Compagnie, in 1616 opgericht door enkele Rotterdamse reders ten behoeve van de walvisvaart. Deze nieuwe bedrijfstak kwam in die jaren tot ontwikkeling vanwege de toenemende vraag naar vetten.

Vanuit Delfshaven en Rotterdam werden voor deze compagnie schepen ter walvisvaart uitgerust. Al in het eerste jaar voeren vijf schepen voor de Kleine Noordse Compagnie uit naar het eiland Jan Mayen. Tussen de namen van mannen die geld investeerden in deze expeditie valt de naam op van Maria Cornelisdr. Zij nam 25 procent van de kosten voor haar rekening. In de wateren rond Jan Mayen werd gejaagd op de Groenlandse walvis, een groot, zwaar, traag dier, voorzien van een dikke speklaag en enorme stukken balein die vanaf de bovenkaak naar beneden hangen. Bijkomend voordeel van de Groenlandse walvis was dat het dier blijft drijven wanneer het is gedood. In de beginjaren van de Nederlandse walvisvaart rekruteerden de reders Basken als harpoeniers, lijnschieters en stuurlieden van de sloepen.

De verwerking van de walvis vond plaats in het vangstgebied. De walvisvaarders richtten bij een aantal baaien traankokerijen in. Nadat de speklaag van de walvis was losgesneden, werden deze in grote ovens tot olie (traan) gekookt. Volgens betrouwbare bronnen kookte de bemanning van het schip dat door onder anderen Maria Musch was uitgereed de eerste traan bij een inham van de Kruisbaai aan de westkust van Jan Mayen. Ter ere van de vrouwelijke geldschieter noemde men die baai de ‘Maria Muschbaai’. In deel 1 van zijn Grooten atlas oft Werelt-beschrijving (Amsterdam 1664-1665) beschrijft de vermaarde cartograaf Joan Blaeu de baai als volgt: ‘Aan ’t uiterste van dit steile land, niet ver van de gemelde toren [nl. de Brielse Toren] ontmoet men een kleine arm der zee, Marie Mus baai genoemd. De grond is hier effen, en deze baai, een kanonschot van land, is niet dieper dan vijf, zes, zeven vadem, zodat men die zeer bekwaam acht om ’t ankeren en de kust om traan te zieden’.

Ook in later jaren keert de naam Musch terug, niet alleen op zeekaarten van het Noordpoolgebied, maar ook in de annalen van de walvisvaart. In een notariële akte van 1618 staat vermeld dat Adriaen Leversteyn, zoon van de boekhouder van de Kleine Noordse Compagnie, tezamen met meester Cornelis Musch, zoon van Maria Musch en haar vennoot, voor een ontdekkingsreis naar Groenland het schip De Hazewind heeft laten uitreden. Bij terugkomst werd in de Staten-Generaal verslag gedaan van de reis. Maria Musch wordt in 1622 genoemd in een bevrachtingscontract voor het schip De Hoop, bestemd voor het eiland Mauritius (Jan Mayen).

In datzelfde jaar 1622 rustte de Kleine Noordse Compagnie voor de laatste keer schepen uit naar Jan Mayen. Na moeizame onderhandelingen over de verlenging van het octrooi kwamen de Staten-Generaal met een regeling die de compagnie dwong om op te gaan in de (Grote) Noordsche Compagnie. Op 22 december verlengde men voor twaalf jaar het octrooi voor de walvisvaart in het gebied tussen Nova Zembla en Straat Davis, met inbegrip van Jan Mayen. Inmiddels behartigde Cornelis Musch namens zijn moeder haar zaken in de walvisvaart. Ondanks de fusie blijkt uit notariële bescheiden dat de diverse ‘Bewindhebbers van de Zuidhollandsche Kamers der Noordsche of Groenlandsche Compagnie’ zoals zij zichzelf graag betitelden, onderling overeenkomsten bleven sluiten over de walvisvangst. Zo verschenen op 15 maart 1627 vier partijen ten kantore van de Rotterdamse notaris Nicolaes Vogel. Een van de partijen was Josias Musch, optredend namens zijn moeder ‘joffrouw’ Maria Musch, weduwe van Jan Jacobsz. Musch. De kosten voor uitreding van schepen bleven voor eigen rekening, de kosten van het in dienst nemen van de Basken werden per partij gelijkelijk omgeslagen.

Dood en reputatie

Maria Musch bleef tot aan haar dood actief in de handel en zeevaart, en na haar dood moesten er nog veel financiële zaken betreffende haar onderneming worden afgehandeld. Zij werd op 21 april 1635 begraven in Haringvliet. De naam van deze vrouwelijke reder ter walvisvaart leeft nog altijd voort in de naar haar genoemde baai – in het Noors: Maria Muschbukta –, die zij voor zover bekend nooit met eigen ogen heeft gezien.

Archivalia

Gemeentearchief Rotterdam: DTB, Trouwen, inv. nr. 39 [Jan Jacobs Mus en Mariken Cornelis]. DTB, Begraven, inv. nr. 186, nr. 4 [Jan Jacobs Mus]; inv. nr. 59 (registers overledenen Weeskamer), indexnr. 269, p. 251 [Maria Musch]. Oud Notarieel Archief, inv. nr. 15, 66, 78, 84, 93, 140, 144, 147, 150, 151, 181, 291, 326, 345 [meeste akten in nr. 150, not. Adriaan Kieboom].

Literatuur

  • S. Muller Fzn., Geschiedenis der Noordsche Compagnie (Utrecht 1874).
  • R. Bijlsma, ‘Oud-Rotterdamsche Groenlandsvaart’, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, vijfde reeks, 2 (1915) 195-215.
  • H.C.H. Moquette, ‘Herinneringen aan Rotterdam in den vreemde’, Rotterdamsch Jaarboekje (1915) 73-83.
  • Jan Brander, Jan Mayen in verleden en heden (Middelburg 1955).
  • C. de Jonge, Geschiedenis van de oude Nederlandse walvisvaart, deel 1 (Pretoria 1972) 234.
  • E.A. Engelbrecht, De vroedschap van Rotterdam, 1572-1795 (Rotterdam 1973) 81-82.

Illustraties

  • Detail van de kaart van Jan Mayen eiland, 1664.
  • Kaart van Jan Mayen eiland, 1664. Links van de Berenberg staat de naar Maria Mus vernoemde baai vermeld. Gravure uit de Atlas van Loon. Collectie Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, S.1034 (01) [kaart 008]

Auteur: Joost C.A. Schokkenbroek

 

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 184

laatst gewijzigd: 28/11/2014