Nolthenius, Hélène Francisca (1920-2000)

 
English | Nederlands

NOLTHENIUS, Hélène Francisca (geb. Amsterdam 9-4-1920 – gest. Amsterdam 22-4-2000), schrijfster en musicologe. Dochter van Hugo Balder Siego Nolthenius (1892-?), cellist en classicus, en Nelli Helena Anna Eichhorn (1893-?). Hélène Nolthenius trouwde op 9-7-1947 in Bloemendaal met William Johannes Albertus Wagenaar (1917-2008), omroepbestuurder. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

Hélène Nolthenius, enig kind in een artistiek, niet-godsdienstig gezin, werd grootgebracht met muziek, verhalen uit de Griekse mythologie en de kinderbijbel. In 1927 verhuisde het gezin naar Bloemendaal omdat vader Nolthenius wegens podiumangst het cellistenbestaan had verruild voor een betrekking als leraar klassieke talen in Overveen. Toen Hélène als dertienjarige De Heilige Franciscus van Assisi las, een vertaling van de romantische biografie van de katholiek geworden Deen Johannes Jørgensen uit 1907, werd haar gevoel voor het religieuze gewekt. In haar eindexamenjaar (1938) – ze zat op de gymnasiumafdeling van het Kennemer Lyceum, haar vaders school – volgde ze een cursus Italiaans in Toscane. Daar kwam Franciscus van Assisi voor haar tot leven, temeer daar zij de hier woonachtige Jørgensen opzocht. Terug in Nederland werd ze lid van de Communistische Partij, volgens haar het enig mogelijke antwoord op de radicale eisen van het christendom. Ze leerde Russisch en stortte zich op de muziek van Moessorgski. Toen Stalin in 1939 een pact met nazi-Duitsland sloot, trok ze zich uit de partij terug en koos voor de muziek. Een zangcarrière (een oude droom) zat er niet in, maar eind 1940 ging ze in Utrecht muziekwetenschap studeren. Een jaar later liet ze zich rooms-katholiek dopen. Haar studietijd viel samen met de bezettingsjaren. Haar ouders, die in hun huis in Bloemendaal joodse onderduikers verborgen, werden verraden en vader Nolthenius moest zelf onderduiken. Zijn dochter werd opgepakt en vrijgelaten toen haar vader zich meldde. Hij overleefde het concentratiekamp Dachau, maar zijn dochter was door deze gebeurtenissen voor haar leven getekend.

Wetenschap en fictie

Na haar doctoraalexamen op 12 oktober 1945 ging Nolthenius muziekrecensies schrijven voor het katholieke dagblad De Maasbode. Op aanbeveling van de Utrechtse hoogleraar A.A. Smijers werd ze per 1 april 1946 hoofd van de muziekafdeling van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het was een drukke baan, want klassieke muziek vulde bijna veertig procent van de zendtijd. Daarom nam ze binnen een jaar ontslag om zich aan een promotieonderzoek te wijden. Kort daarop trouwde ze met KRO-directiemedewerker Willy Wagenaar. Ze kregen tussen 1948 en 1952 drie kinderen.

In april 1948 promoveerde Hélène Nolthenius bij Smijers op de muziek van het Duecento van Italië, met name de invloed van de franciscaanse beweging hierop. De gepopulariseerde handelseditie van haar proefschrift verscheen in 1951 als pocket bij uitgeverij Het Spectrum. Duecento, zwerftocht door Italië’s late middeleeuwen beleefde vele herdrukken en is in het Engels en Duits vertaald, maar later zou Nolthenius zelf dit eerste succes afdoen als ‘romantisch’ en ‘onwetenschappelijk’ (Oosterhuis, 16).

In haar literaire werk bleef Hélène Wagenaar-Nolthenius wetenschap en fictie combineren. In haar eerste novellenbundel, Addio, Grimaldi! (1953), beschrijft ze onder meer de wederwaardigheden van de bewoners van een stadje aan de Italiaanse Rivièra door de eeuwen heen. Met haar precieze geschiedschrijving van het dagelijks leven en de elitevorming in het veertiende-eeuwse Florence (Renaissance in mei, 1956) heeft ze talloze jonge Italiëgangers gevormd.

In 1958 werd ze buitengewoon hoogleraar muziekgeschiedenis van Oudheid en Middeleeuwen in Utrecht. Haar oratie ging niet over Italië maar over Nederlands muziekleven in de Middeleeuwen. Ze zou verschillende studies wijden aan het liturgisch drama van deze periode. Met twee coauteurs bezorgde ze Het geestelijk lied van Noord-Nederland in de vijftiende eeuw (1963), een toonaangevende editie van twee laat vijftiende-eeuwse handschriften. Het leverde haar in 1966 een ordinariaat op. Ze liet haar studenten van dichtbij kennismaken met hun stof. Zo liet ze hen zelf gregoriaans zingen. Het ergerde haar wel dat steeds minder studenten Latijn of muzieknoten konden lezen. De groeiende druk van vergaderingen, cijfers en geldzaken bezorgde haar constante hoofdpijn.

Na vier jaar hoogleraarschap ging Nolthenius weer romans schrijven: Buiten blijven (1966), Een ladder op de aarde (1970, haar eerste echte historische roman, spelend in Italië) en De afgewende stad (1970). Haar personages, zoals de wetenschapster in De afgewende stad, zijn vaak buitenstaanders. In 1975 schreef ze Weekend op Waldegg, een detectiveroman volgens het klassieke recept van de Britse Agatha Christie. Het bood weinig verlichting van haar academische zorgen. Ook haar lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1970) verzachtte de pijn niet. In 1976 ging ze vervroegd met emeritaat. In haar afscheidscollege uitte ze haar wrevel. ‘Wat is er aan de hand met een maatschappij waarin “elitair” een schuttingwoord is geworden?’, vroeg ze.

‘Catholique non-croyant’

In 1977 verhuisde Hélène Nolthenius met haar man naar Toscane. Daar schreef ze, mogelijk geïnspireerd door de Chinese verhalen van Robert Hans van Gulik, een reeks detectiveromans met een gefingeerde veertiende-eeuwse bedelmonnik als held. Al deze ‘Lamparo Mosca’-romans sluiten af met een uitvoerige verantwoording. Daarnaast werkte ze aan haar belangrijkste musicologische werk: Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans dat in 1981 verscheen. In dit boek maakt de romantische bezieling van haar eerdere studies plaats voor kritische distantie. In hetzelfde jaar keerde het paar terug naar Nederland. In hun Amsterdamse bovenwoning hielden stekjes uit hun Toscaanse tuin de herinnering aan Italië levend.

Door haar toenemende kritische reflectie raakte Wagenaar-Nolthenius ook verwijderd van haar katholieke geloofsbeleving. ‘Ik hou er veel van, maar ik hoor er niet’, zei ze in 1988 in een vraaggesprek met de priester Antoine Bodar. Ze noemde zich nu een ‘catholique non-croyant’. In hetzelfde jaar verscheen Een man uit het dal van Spoleto, een biografisch profiel van Franciscus van Assisi. Om hem te ontmythologiseren analyseerde ze waarnemingen van tijdgenoten zoals kroniekschrijvers en ooggetuigen. Het boek werd in 1989 genomineerd voor de jaarlijkse AKO-literatuurprijs en in 1992 bekroond met de Henriëtte de Beaufortprijs. In 1995 hield ze aan de Leidse universiteit de Annie Romein-Verschoorlezing over Florentijnse vrouwen in de late Middeleeuwen, aan de hand van brieven van de in 1360 geboren Maria Bandini. Haar laatste roman, Voortgeschopt als een steen (over een zwervende Griekse epigramdichter, opnieuw een buitenstaander) kwam in 1999 uit. In dat jaar ook kreeg ze de tweejaarlijkse Anna Bijnsprijs voor haar gehele essayistische oeuvre. Na een kort ziekbed overleed Hélène Nolthenius in 2000, tachtig jaar oud.

Reputatie

Oneerbiedig zou men kunnen zeggen dat Hélène Nolthenius niet helemaal van de wereld was, in die zin dat zij zich eerder door het 'daar en toen' liet beroeren dan door het 'hier en nu'. Nolthenius was de eerste om toe te geven dat haar liefde voor de tijden van weleer, die zich uitte in de keuze van haar vak, muziekgeschiedenis, en in de historische inslag van zowel haar wetenschappelijke als haar literaire werk, een soort ontsnappen aan het heden was. 'Ik ben een aartsescapist', zei zij vaak over zichzelf in interviews.

Ook was Nolthenius een eenling. Zij maakte geen deel uit van enige literaire of wetenschappelijke kring en was daar ook niet op uit. Haar werk werd in het algemeen goed ontvangen, al zetten vakgenoten wel eens vraagtekens bij de religieuze ondertoon. Haar grondige documentatie en haar zin voor historie worden echter unaniem geprezen. Het juryrapport voor de Anna Bijnsprijs (1999) prijst Hélène Nolthenius om de literaire kwaliteit van haar werk, haar vakmanschap en eruditie, haar inzicht in menselijke verhoudingen, en de overtuigende wijze waarop ze fictie met non-fictie vermengt. Zelf had ze ‘een panische hekel aan opscheppen’. In het huidige academische klimaat zou ze zich moeizaam hebben gehandhaafd, concludeert haar promovenda en latere collega-hoogleraar Etty Mulder in haar biografie. Pieter-Jan Mol plaatst haar historische werk in de cultuurhistorische traditie van Jacob Burckhardt, die niet beoogt de geschiedenis te verklaren, maar te verbeelden Ze was met haar aandacht voor de ‘petite histoire’ van alledag haar tijd ver vooruit (aangehaald in Vellekoop, 186-187).

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; BWN.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: collectie Hélène Nolthenius en persdocumentatie.

Publicaties

Bibliografie o.a. in: Polman, Trouw aan de muzen, 37-41.

Literatuur

  • A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep (Baarn 1985).
  • H. Oosterhuis, ‘De weg naar het braambos’, Werkschrift van de Stichting Leerhuis en Liturgie 10 (1990) nr. 4, 3-15.
  • E. Mulder en P.J. Mol red., Terugstrevend naar ginds. De wereld van Hélène Nolthenius (Nijmegen 1990).
  • A. Bodar, Weten waar de muze woont (Amsterdam 1998) 157-163.
  • M. Polman, Trouw aan de muzen. Hélène Nolthenius (Den Haag 1999).
  • C. Vellekoop, ‘Hélène Wagenaar-Nolthenius (1920-2000), lid van de KNAW in 1970, Letterkunde’, in: G. Noordenbos red., Vrouwen in de Academies van Wetenschappen. Van uitsluiting tot uitzondering (Zutphen 2000) 184-187.
  • M. Pruis, ‘“Ik ben een eenling, altijd geweest”. Hélène Nolthenius (1920-2000), historica en schrijfster’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis (2001) 224-241.
  • E. Mulder, ‘Hélène Nolthenius: schrijfster en geleerde’, Tijdschrift voor Geschiedenis 119 (2006) 550-554.
  • E. Mulder, Rede en vervoering: Hélène Nolthenius 1920-2000 (Nijmegen 2009).

Illustratie

Portretfoto, 1946. Uit: A.F. Manning, Zestig jaar KRO.

Auteur: Marja Pruis

 

 

 

 

Van Bork/Verkruijsse; BWN.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: collectie Hélène Nolthenius en persdocumentatie.

Publicaties

Bibliografie o.a. in: Polman, Trouw aan de muzen, 37-41.

Literatuur

  • A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep (Baarn 1985).
  • H. Oosterhuis, ‘De weg naar het braambos’, Werkschrift van de Stichting Leerhuis en Liturgie 10 (1990) nr. 4, 3-15.
  • E. Mulder en P.J. Mol red., Terugstrevend naar ginds. De wereld van Hélène Nolthenius (Nijmegen 1990).
  • A. Bodar, Weten waar de muze woont (Amsterdam 1998) 157-163.
  • M. Polman, Trouw aan de muzen. Hélène Nolthenius (Den Haag 1999).
  • C. Vellekoop, ‘Hélène Wagenaar-Nolthenius (1920-2000), lid van de KNAW in 1970, Letterkunde’, in: G. Noordenbos red., Vrouwen in de Academies van Wetenschappen. Van uitsluiting tot uitzondering (Zutphen 2000) 184-187.
  • M. Pruis, ‘“Ik ben een eenling, altijd geweest”. Hélène Nolthenius (1920-2000), historica en schrijfster’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis (2001) 224-241.
  • E. Mulder, ‘Hélène Nolthenius: schrijfster en geleerde’, Tijdschrift voor Geschiedenis 119 (2006) 550-554.
  • E. Mulder, Rede en vervoering: Hélène Nolthenius 1920-2000 (Nijmegen 2009).

Illustratie

Portretfoto, door onbekende fotograaf, 1988 (Nationaal Archief / Spaarnestad Photo).

Auteur: Marja Pruis

 

 

 

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 966

laatst gewijzigd: 13/01/2014