Noordwal, Cornélie (1869-1928)

 
English | Nederlands

NOORDWAL, Cornélie Alexandrine (geb. Den Haag 30-9-1869 – gest. Parijs 31-5-1928), schrijfster. Dochter van Alexander Noordwal (1831-1906), geldwisselaar en commissionair in effecten, en Sina de Haas (1826-1903). Cornélie Noordwal bleef ongehuwd.

Cornélie Noordwal was de enige dochter van joodse ouders. Ze groeide op in Den Haag, met een oudere broer Philip Alexander (1868-1943) en twee halfbroers en een halfzus uit het eerdere huwelijk van haar moeder met Hartog Eliazer Hendrik Bosman (1830-1856). Cornélie had een zwakke gezondheid, waardoor ze veel thuis moest zijn. Na een naar eigen zeggen strenge, conservatieve opvoeding en onaangename schooljeugd behaalde zij in augustus 1889 de mo-akte Engels. Hierna was zij enige tijd werkzaam als lerares – waar precies is niet bekend. 

Schrijverschap

In 1893 publiceerde Noordwal bij uitgeverij Minkman in Arnhem haar eerste roman: Géraldine, een liefdesgeschiedenis voor oudere meisjes. Het boek werd redelijk positief gerecenseerd. Ze correspondeerde in deze vroege jaren met onder anderen Ina Boudier-Bakker, de Vlaamse schrijver Pol de Mont (1857-1931) en de Amsterdamse journalist Frits Roosdorp (pseudoniem van Frederik Schröder, 1874-1898). Uit de veertien bewaard gebleven brieven die Noordwal in 1897 aan laatstgenoemde schreef, blijkt dat ze hem beschouwde als een docent die haar op het pad van een ‘volwassen’ schrijfster zou kunnen zetten. Zo schrijft ze hem op 9 oktober 1897: ‘Mijn romans zijn als van iemand die sonates van Mozart wil spelen en alle techniek en alle gevoel mist’ (gecit. Pars, 12). Roosdorp beval haar aan om meer ‘naar het leven’ te schrijven. Uit deze en andere brieven blijkt ook haar bewondering voor George Eliot, Charles Dickens en Gustave Flaubert.

Na nog drie prettig geschreven maar weinig literaire meisjesboeken en een novelle (Een Indische neef), publiceerde Noordwal in 1900 bij Cohen Zonen in Amsterdam haar eerste meer ‘volwassen’ boek, zowel qua thematiek als uit literair-esthetisch oogpunt: Ursule Hagen. In deze roman neemt de schrijfster onder meer stelling tegen het alledaagse anti-semitisme van haar tijd.

Tussen 1902 en 1923 publiceerde Cornélie Noordwal nog negen romans, waarvan er enkele het denigrerende predicaat ‘damesroman’ niet verdienen. Het gaat hier om romans in de naturalistisch-realistische traditie, waarin bij haar vooral de thematiek van het leven van de werkende vrouw centraal staat. Intra Nos (1902) is een familieroman. In De winkeljuffrouw uit l’Oiseau d’Or. Chapeaux pour dames et enfants (1903) vermengt ze de genres van vrouwelijke ontwikkelingsroman met de sociale tendensroman, en beschrijft ze het leven van een Haagse winkeljuffrouw, haar collega’s en haar klandizie. De nieuwe mevrouw Garvliet (1906) is een vilein-geestig boek over een jonge weduwnaar op zoek naar een moeder voor zijn zoontje, en Greet Hemming (1912) gaat over het moeizame leven van een door haar streng-gereformeerde en antisemitische vader onderdrukte jonge vrouw, en de tegenslagen die zij moet overwinnen. Rond deze tijd correspondeerde Noordwal met Willem Elsschot (1882-1960), een schrijver die ze zeer bewonderde.

Noordwals laatste twee romans, Mademoiselle de Chavise (1916) en In de Rue Blanche (1923) spelen zich af in Parijs, haar overige romans geheel of grotendeels in haar geboortestad. Ze geven een scherpomlijnd beeld van het ‘gewone’ leven in Den Haag rond 1900. Naast deze romans publiceerde Noordwal enige korte verhalen en novellen en drie blijspelen. Haar indertijd meest populaire blijspel, De referendaris-titulair (1905), werd op 21 oktober 2001 door Radio West uitgezonden als hoorspel. Verder schreef zij enkele emancipatorische bijdragen in De Hollandsche Lelie.

Cornélie Noordwal stierf op 31 mei 1928 in Parijs, op 58-jarige leeftijd. In korte necrologieën werd het overlijden van deze veelgelezen schrijfster in de Nederlandse pers gememoreerd.

Waardering

Anna de Savornin Lohman wijdde in het vooruitstrevende blad De Hollandsche Lelie van november 1903 een lovend artikel aan Cornélie Noordwal. Toch was deze lof vrij uitzonderlijk: Noordwal was in haar tijd een veelgelezen schrijfster die van de literaire kritiek weinig waardering kreeg. In 1904, kort na de publicatie van haar drie meest lezenswaardige romans, werd zij in het Algemeen Handelsblad nog afgedaan als een ‘onderhoudende theetafel-novelliste’. In 1977 bezorgde Wim Zaal een heruitgave van De winkeljuffrouw. Hans Pars karakteriseerde haar in 2002 als een maatschappelijk bewuste schrijfster die in de pers weinig waardering ontving: ‘Op enkele uitzonderingen na werd haar werk vanaf het begin door de vooraanstaande critici neergesabeld of doodgezwegen’ (Pars, 21). Mirjam van Hengel noemt Noordwals boeken ‘een schoolvoorbeeld van de romans in realistisch-naturalistische traditie die de verworvenheden van het naturalisme combineren met een pretentieloze, voortkabbelende verteltrant’ (Van Hengel, 105).

 

Naslagwerken

Joden In Nederland.

Archivalia

Literatuurmuseum, Den Haag, collectie Noordwal. 

Publicaties

Zie de bibliografie in Pars, Uitgelezen boeken, 48-53 (samenst. L. Putman).

Literatuur

  • Anna de Savornin Lohman, ‘Hoofdartikel: Cornélie Noordwal’, De Hollandsche Lelie 17 (1903) 291-298.
  • M. Rudelsheim, ‘Onze schrijvers VII: Cornélie Noordwal’, Den Gulden Winckel’ 5 (1906) 84-87.
  • Mirjam van Hengel, ‘Verguisd, vergeeld en vergeten. Cornélie Noordwal en de “damesroman”’, Vooys 11 (1993) 100-105.
  • Hans Pars, ‘Cornélie Noordwal: veel gelezen, weinig geprezen’, Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers 9 (2002) nr.1, 1-47.
  • Vilan van de Loo, ‘Cornélie Noordwal (1869-1928)’, Moesson. Het Indisch Maandblad 47 (2003) nr.1, 36-37.
  • Wim Tigges, ‘”Bespottelijk toch, die maatschappij”. De tragi-komische Haagse romans van Cornélie Noordwal’, Nieuw Letterkundig Magazijn 32 (2014) nr.1, 1-9.
  • Wim Tigges, Cornélie Noordwal: een vergeten schrijfster met Dickensiaanse trekjes’, The Dutch Dickensian 34 (winter 2014) nr. 85, 119-133.
  • Wim Tigges, ‘Cornélie Noordwals joodse romans en het antisemitisme rond 1900’, Nieuw Letterkundig Magazijn 35 (2017) nr. 2, 26-32.

Illustratie

Foto, door onbekende fotograaf, ‘Den Gulden Winckel’, jrg. 5, 1906.

 

Auteur: Wim Tigges

 

 

 

laatst gewijzigd: 05/12/2018