Oestreicher, Alzbeta (1902-1989)

 
English | Nederlands

OESTREICHER, Alzbeta, bekend als Lisbeth Oestreicher (geb. Karlsbad, Oostenrijk-Hongarije 27-5-1902 – gest. Amersfoort 6-11-1989), textielontwerpster. Dochter van Karl Oestreicher (1864-1915), arts, en Clara Kisch (1871-1945). Lisbeth Oestreicher trouwde op 6-5-1945 in kamp Westerbork met Otto Birman (1899-1982), chemisch ingenieur. Het huwelijk bleef kinderloos.

Lisbeth Oestreicher was het derde kind in een Joods gezin in het Boheemse Karlsbad (het huidige Karlovy Vary in Tsjechië), waar haar vader districtsarts was. Met haar twee broers groeide ze op in een milieu van wetenschappers, artsen en kunstenaars. De familie sprak Duits en was, als gebruikelijk in die tijd, georiënteerd op de hoofdstad Wenen, waar het gezin in de winter vaak verbleef. In 1911 sloeg voor de eerste maal het noodlot toe: tijdens een vakantie aan de Oostzee verdronk de jongste van haar broers, dertien jaar oud. In maart 1915 overleed ook haar vader, veertien dagen voor de geboorte van het vierde kind Oestreicher, nakomertje Marie.

Na haar eindexamen in 1918 bezocht Lisbeth Oestreicher kunstnijverheidsscholen in Wenen, München en Berlijn. In 1926 werd ze als studente aangenomen bij het net geopende ‘Bauhaus’ in Dessau. Ze studeerde vervolgens bij onder anderen Wasily Kandinsky (kunstzinnige vorming), Paul Klee (modeltekenen), Marcel Breuer (ontwerpen) en Gunta Stölzl, bij wie ze zich specialiseerde in industriële weeftechnieken en verven. De meeste vrouwelijke studenten kozen voor deze afdeling omdat de beeldende kunstafdelingen geen vrouwen toelieten. Lisbeth Oestreicher combineerde technieken als weven, breien, haken en borduren, en ontwierp gordijn- en meubelstoffen voor enige Duitse textielfabrieken. Om haar kennis over verven en kleuren te vergroten werd ze door het Bauhaus naar een cursus bij I.G. Farben in Höchst gestuurd. Ook liep ze stage in een katoenfabriek. ’s Zomers werkte ze in haar weefatelier in Karlsbad, waar ze experimenteerde en gedurfde kleding en accessoires ontwierp en verkocht.

Model Austria

Toen Lisbeth Oestreicher in 1930 in Amsterdam was ter gelegenheid van de trouwerij van haar broer Felix met Gerda Laqueur, dochter van de beroemde endocrinoloog Ernst Laqueur, hoorde ze van de mogelijkheid om voor de textielindustrie in Twente te gaan werken. Vanuit Wenen en Karlsblad werkte zij vervolgens als freelance dessinontwerpster tot zij zich in 1932 in Hengelo vestigde. Daar schreef zij naar aanleiding van de dreigende sluiting van het Bauhaus, een opmerkelijke brief (21-8-1932), die onder de kop ‘Für das Bauhaus – gegen die Kulturreaktion’ in een Berlijns dagblad verscheen. Ze stelde erin vast dat het Bauhaus haar geleerd had zelfstandig te denken, altijd haar eigen opvattingen te verdedigen, onbevangen te beginnen aan nieuwe opdrachten en haar daden tegenover zichzelf te verantwoorden.

In 1935 verhuisde Lisbeth Oestreicher naar Amsterdam, waar ze een atelier inrichtte aan het Merwedeplein. Door de economische crisis was er in Hengelo geen werk meer voor haar. Onder de firmanaam ‘Model Austria’ maakte ze breiontwerpen voor de Libelle, voor wolgarenfabrikanten en voor particulieren. Aanvankelijk fotografeerde Eva Besnyö de ontwerpen, maar toen in 1937 ook Lisbeths zus Marie, in Wenen opgeleid tot fotografe, naar Amsterdam kwam, ging ze met haar samenwerken. Ze gebruikten voortaan de naam ‘Model en Foto Austria’.

De Duitse bezetting van Nederland veranderde aanvankelijk niet veel in het zelfstandige bestaan van Lisbeth Oestreicher, maar toen zij in de zomer van 1942 een oproep kreeg om zich te melden in het doorgangskamp Westerbork, gaf ze daaraan gehoor – ze kwam er op 30 juli aan. Eenmaal in het kamp kreeg ze opdrachten van de vriendin van de kampcommandant, die zeer gecharmeerd was van haar werk. Volgens de familiekroniek wist Lisbeth haar verblijf in het kamp steeds te rekken door haar opdrachtgeefster te melden dat de trui of jurk waaraan zij werkte nog niet af was. Daarmee slaagde ze erin deportatie naar het oosten te voorkomen. Vanaf november 1943 bevonden ook haar moeder en broer met zijn vrouw en twee dochtertjes zich in Westerbork (één dochtertje was ziek in Amsterdam achtergebleven en kon later onderduiken). Zij werden op 15 maart 1944 doorgestuurd naar het Duitse concentratiekamp Bergen Belsen.

Lisbeth Oestreicher zette in Westerbork een atelier op, waardoor ze ook na de laatste deportaties in september 1944 in het kamp kon blijven. In Westerbork leerde ze de van oorsprong Weense ingenieur Otto Birman kennen, met wie ze kort na de bevrijding op 6 mei 1945 trouwde. Twee maanden later keerden haar twee nichtjes uit Duitsland terug naar Nederland. Van het gezin Oestreicher waren zij de enigen die Bergen Belsen hadden overleefd.

Het echtpaar Birman vestigde zich in Amersfoort, waar Otto zijn oude baan weer opnam en ook Lisbeth haar werk hervatte. In 1947 kwamen de drie nichtjes bij hen in huis wonen. Een paar jaar later besloot Lisbeth  haar professionele werk af te bouwen. Ze verkocht nog enige ontwerpen aan de firma Metz & Co., maar wilde zich liever op maatschappelijk terrein nuttig maken. Dat deed ze bij de humanisten, Amnesty en Unicef. Wel was ze vanaf 1950 lid van de Gebonden Kunstenaars Federatie (GKF), en maakte ze in de loop der jaren voor familie en vrienden pullovers, spreien en wandtapijten.

Oestreicher bleef tot op hoge leeftijd actief en liet ook na de dood van haar man in 1982 het textielwerk niet helemaal los. Al werkend zag ze steeds nieuwe mogelijkheden en uitdagingen (Wangler, 13) en wist tot op het laatst ‘tijdloze’ objecten te maken (Wangler, 7).

Lisbeth Oestreicher overleed op 6 november 1989 thuis in Amersfoort, in de ouderdom van 87 jaar. Zij werd in Utrecht gecremeerd.

Betekenis

Lisbeth Oestreicher was een ambachtelijk kunstenaar die een bescheiden oeuvre heeft nagelaten – veel van haar werk verdween in de oorlog. Haar werk geldt in Nederland als exponent van de aan het Bauhaus gedoceerde theorie en de daar ontwikkelde experimenten. Ze geldt als een van de vertegenwoordigers van de Nederlandse textielkunst, al is haar invloed beperkt gebleven omdat ze niet in het kunstonderwijs werkzaam is geweest. Daarbij claimde ze nooit de aandacht die haar werk verdiende. Wel bleef zij altijd in contact met haar Bauhaus-collega’s. Volgens kunsthistorica Marjan Unger ligt haar grootste kracht ‘in het meest pretentieloze werk, in haar huiselijke breisels en vooral in de “gewone” stoffen die zij eind jaren twintig voor de textielindustrie heeft ontwikkeld’ (Unger, 11). 

Naslagwerk

Groot; Jacobs; Scheen.

Archivalia

Stadsarchief, Amsterdam: Archief van de familie Oestreicher; Gezinskaart; Archiefkaart.

Werk

Het werk van Lisbeth Oestreicher is opgenomen in collecties van diverse musea, zoals het Bauhaus Archiv in Berlijn, het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Textielmuseum in Tilburg.

Literatuur

  • Wolfgang Wangler, Bauhaus-Weberei am Beispiel der Lisbeth Oestreicher (Keulen 1985).
  • Marjan Unger, ‘Lisbeth Oestreicher’, Bijvoorbeeld. Vormgeving en Kunst 18 (1986) nr. 2, 8-11.
  • C. Boot, ‘Lisbeth Oestreicher. De invloed van het Bauhaus op haar leven en werk’, Textielhistorische Bijdragen  30 (1990) 94-108.
  • Marjan Groot, Vrouwen in de vormgeving in Nederland, 1880-1940 (Rotterdam 2007) 353-4 en 516-517.
  • Felix Oestreicher, Naderhand/Nachher. Kampgedichten/Lagergedichte, vert. Ton Naaijkens (Enschede/Doetinchem 2013).
  • Helly Oestreicher, Website familie Oestreicher (2014) [URL http://www.oestreicher.nl/nl/; geraadpleegd 28-3-2017].

Illustratie

Lisbeth Oestreicher, door onbekende fotograaf, 1925 (familiecollectie).

Auteur: Pauline Micheels (met dank aan Helly Oestreicher)

laatst gewijzigd: 01/05/2017