Ogle, Utricia (1611-1674)

 
English | Nederlands

OGLE, Utricia (ged. Utrecht 10-2-1611 – gest. Hamburg 1674), zangeres uit de entourage van de Haagse Stuarts, bekend als ‘muze’ van Constantijn Huygens. Dochter van John Ogle (1569-1640), kolonel in Staatse dienst, van 1610 tot 1618 militair gouverneur van Utrecht, en Elisabeth de Vries (gest. 1656). Utricia Ogle trouwde op 18-12-1645 in Utrecht met William Swann (gest. 1678), kapitein in Staatse dienst, vanaf 1662 diplomaat in Engelse dienst. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend.

Utricia Ogle was een dochter van de ‘Engelsman met één oog, genaamd ridder John Ogley’, die zich in 1600 had onderscheiden in de Slag bij Nieuwpoort en in 1605 was bevorderd tot kolonel in Staatse dienst. Haar moeder was een burgemeestersdochter uit Dordrecht. Ze groeide op in een kinderrijk gezin. De merkwaardige voornaam van Utricia stond in direct verband met haar vaders loopbaan. Na de Utrechtse wetsverzetting van 1610 was hij door prins Maurits benoemd tot gouverneur van de stad. Toen hij in 1611 de Staten van Utrecht uitnodigde voor de doopplechtigheid van zijn in Utrecht geboren dochter, verzocht hij hen tevens een naam voor haar te kiezen. Zo werd zij in februari in de Utrechtse Dom ‘Utricia’ gedoopt in aanwezigheid van een lid van de Ridderschap. Zij kreeg bovendien een uitkering vanwege dit college. Toen haar vader haar in 1625 naar Engeland liet komen, ging deze over op haar jongere zuster Trajectina – niet genoemd naar het gewest, zoals Utricia, maar naar de stad Utrecht.

Kunstenares en muze

Van 1625 tot 1642 verbleef Utricia Ogle in Engeland. In die jaren moet zij ook enige tijd in Parijs hebben gewoond, want volgens Constantijn Huygens heeft ze daar muziekles gehad van de klavecinist Jacques Champion de Chambonnières (Driehonderd brieven, 763-768). Begin 1642 keerde ze terug naar Holland, vermoedelijk in het gevolg van prinses Maria Henrietta Stuart, die pas getrouwd was met Willem II. In Den Haag maakte Ogle indruk met haar zang. Onder anderen Elizabeth Stuart bevond zich onder haar publiek toen ze ten huize van Huygens optrad (Bok, 95). Onduidelijk is of Utricia Ogle deel uitmaakte van de hofhouding van de Stuarts, maar zij en haar latere echtgenoot Sir William Swann behoorden zeker tot hun artistieke entourage: Elizabeth Stuart noemde haar in 1654 ‘my fiddler’ (Briefwisseling 5, 215-216).

Het netwerk van kunstvriendschappen dat Utricia en Trajectina Ogle in Nederland onderhielden, is soms lastig te ontwarren, want beiden worden aangeduid als ‘juffrouw Ogle’ (Samuel, 312). Maria Tesselschade, bevriend met Huygens en met Francina Duarte, was hierin een sleutelfiguur. Constantijn Huygens, sinds 1637 weduwnaar, leerde Utricia Ogle kennen in 1642. Hij raakte zeer onder de indruk van haar. Als voorbeeld van de vele versregels die hij in deze jaren aan haar wijdde en waarin de woordspelingen over elkaar buitelen, een fragment uit een gedicht dat hij in augustus 1642 maakte: ‘In ’t einde zeg ik: Ogeltje,/ Gij toverende vogeltje’ (Gedichten 3, 211-212).

Utricia Ogle trouwde op 18 december 1645 in de Engelse kerk van Utrecht met de militair William Swann. Toch hield de vriendschap met Huygens stand. Zij en Swann, die ook musiceerde, voerden de composities van Huygens graag uit, en in 1647 droeg Huygens zijn Pathodia sacra et profana aan Utricia Ogle op. Toen de bundel uitkwam, zat het paar middenin een verhuizing, en daarom werd hun presentexemplaar verzonden naar Ogles vriendin Anna Maria van Schurman, die hem mede namens haar een bedankbrief in het Latijn terugschreef. Uit de correspondentie kan worden opgemaakt dat Huygens en Ogle samen musiceerden. In de brief van 1647 memoreert Van Schurman dat hij met ‘onze Sirene’ stukken uit de bundel had uitgevoerd (Driehonderd brieven, 848-850), in 1649 prijst Van Schurman ‘madame Zwaen’ om haar kennis van zaken aan het hof in Den Haag, en in 1650 vraagt Huygens aan Van Schurman een zangavond te organiseren voor hemzelf, haar broer, buurman Voetius en het echtpaar Swann-Ogle. Wegens het plotselinge overlijden van prins Willem II werd deze afgelast. Toen Van Schurman in Keulen woonde, bezocht Ogle haar daar. Van Schurman dichtte toen: ‘Hier laat een edele Zwaan haar blijde stemme horen:/ een stem van grote kunst, een stem van groot geweld’ (gecit. Van Beek 334-338).

Ogles huwelijk met Swann bleef, voor zover bekend, kinderloos. Vanaf 1648 verbleef haar echtgenoot veel buitenslands, onder meer vanwege diplomatieke missies voor de Stuarts. Utricia Ogle bleef aanvankelijk in de Republiek, waar zij onder meer bij de Engelse edelvrouw Lady Stanhope op kasteel Teilingen logeerde. Daar zocht ook Huygens een enkele maal contact met haar, meestal over muzikale onderwerpen. In 1674 overleed Utricia Ogle in Hamburg, waar Swann sinds 1661 als permanent zaakgelastigde gevestigd was. In haar testament uit 1668 benoemde ze haar tantezegger en petekind Utricia Avery tot enige erfgenaam.

Reputatie

In de Nederlandse muziek- en literatuurgeschiedenis leeft Utricia Ogle vooral voort als de – onbereikbare – ‘muze’ van Constantijn Huygens. Naast haar prachtige stem is haar schoonheid een vaste topos in zijn oeuvre. In 1644 publiceerden Huygens en de Haarlemse componist J.A. Ban kort na elkaar Latijnse gedichten over een portret van Ogle, vermoedelijk door de Engels-Hollandse schilder Anthony van Dyck. De verblijfplaats van dit portret is onbekend. Zeker is intussen wel dat de tekening in Turijn die steeds als een portret van Utricia is gepubliceerd, haar niet kan voorstellen (Larsen nr. A206).

Naslagwerken

Van der Aa.

Archivalia

  • Het Utrechts Archief: Notarieel Archief inv. nr. U71a1 (notaris Van Capel) akten nrs. 8, 170.
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: 20 brieven van Constantijn Huygens aan Lady Utricia Ogle 1643-1673.

Literatuur

  • C. Huygens, Pathodia sacra et profana (Parijs 1647; editie F. Noske: Amsterdam 1957).
  • A.M. van Schurman, Sur la bien-venue et la demeure de la très-noble et vertueuse dame, Madame Utricia Ogle dite Swaen (Utrecht 1647).
  • De gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uitgegeven, J.A. Worp ed., (Groningen 1892-1898).
  • De briefwisseling van Constantijn Huygens, J.A. Worp ed. (Den Haag 1911-1917).
  • E.R. Samuel, ‘The disposal of Diego Duarte's stock of paintings 1692-1697, Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (1976) 305-324.
  • E. Larsen, The Paintings of Anthony Van Dyck II (Freren 1988).
  • Pieta van Beek, Klein werk. De Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica van Anna Maria van Schurman (1607-1678) (Stellenbosch 1997).
  • Marten Jan Bok, ‘De voornamen Utrecia en Trajectinus. Peetkinderen van stad en Staten van Utrecht’, De Nederlandsche Leeuw 118 (2001) 92-110.
  • Driehonderd brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens, R. Rasch ed. (Hilversum 2007).

Illustratie

Aanhef brief van Constantijn Huygens aan Utricia Ogle ('My dear and most worthie scholler'), 6 juli 1643 (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag).

Auteur: Kees Kuiken

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 251

laatst gewijzigd: 13/01/2014