Ooms, Elisabeth (1888-1968)

 
English | Nederlands

OOMS, Elisabeth, vooral bekend als Elisabeth Koeten-Ooms (geb. Kralingseveer (nu Rotterdam), 29-12-1888 – gest. Schiedam 16-11-1968), eerste vrouwelijk gemeenteraadslid in Schiedam, voorvechtster van voorzieningen voor ouderen. Dochter van Cornelis Ooms (1861-1937), zalmvisser en mandenmaker, en Neeltje Zondervan (1868-1942). Elisabeth Ooms trouwde op 27-3-1912 in Rotterdam met Gerrit Koeten (1880 – 1928), timmerman. Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 2 zoons geboren.

Betje Ooms werd geboren als het op een na oudste kind in protestants-christelijk gezin van twintig kinderen, van wie er zestien in leven bleven. Het gezin was arm en Betje werd op haar twaalfde jaar als dienstmeisje (‘hitje’) uit werken gestuurd. Zij had de lagere school niet afgemaakt, maar had een sterke drang om zich te ontwikkelen. Zij volgde daarom lessen rekenen en lezen.

Socialisme, vakbond en huwelijk

De vernederende werkomstandigheden wekten bij Betje Ooms interesse in het socialisme. Ook al kwam ze uit een anti-socialistisch milieu, toch besloot ze naar bijeenkomsten van de SDAP te gaan en werd ze lid van de Rotterdamse Dienstbodenbond. Na een aantal jaar trad ze toe tot het bestuur van deze bond. Suze Groeneweg, actief in de Rotterdamse SDAP, was voor haar een inspirerend voorbeeld.

In 1912 trouwde Betje Ooms met Gerrit Koeten, timmermansknecht en overtuigd socialist. Het paar vestigde zich in Schiedam, waar Gerrit woonde. Ze kregen drie kinderen: Anna Nellie (1913), Cornelis (1914) en Gerardus (1922). Koeten-Ooms werd al snel actief in de plaatselijke afdeling van de SDAP. Ze werd secretaris en later voorzitter van de Sociaal-Democratische Vrouwenclub in Schiedam. Zij stimuleerde vrouwen om zich te ontwikkelen en de socialistische strijd mee te strijden. Toen er aan het einde van de Eerste Wereldoorlog voedselschaarste heerste, was zij een van de organisatoren van een hongeroptocht. Ook woonde zij met andere arbeidsvrouwen demonstratief gemeenteraadsvergaderingen bij.

Gemeenteraad

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1919 kwam Koeten-Ooms op de zesde plaats van de kandidatenlijst van de SDAP. Ze werd gekozen en op 2 september liep zij door een boog van vrouwen het stadhuis in om haar installatie en eerste raadsvergadering bij te wonen. Er werden die dag twee vrouwen geïnstalleerd, maar C.D.H. Nolet-Kreijns, lid van de R.K. Kiesvereniging Recht, Plicht en Orde, verliet na een jaar de gemeenteraad omdat zij naar een andere gemeente verhuisde. Mevrouw Koeten-Ooms werd daarmee de enige vrouw in de gemeenteraad. Hiernaast was ze vanaf het begin van de jaren twintig lid van het Comité voor Oostenrijkse arbeiderskinderen Schiedam. Deze kinderen werden tijdelijk opgevangen vanwege de honger in eigen land. Zelf heeft het gezin Koeten-Ooms ook Oostenrijkse kinderen in huis gehad. Het inmiddels voormalige comité nam in 1923 het initiatief om Duitse kinderen uit het Roergebied tijdelijk op te vangen.

In haar raadswerk stelde Koeten-Ooms de noden van het ‘gewone’ volk aan de orde, waarbij zij haar praktische kennis inbracht. Zo pleitte zij voor het leveren van goedkope cokes voor werklozen, verlaging van de gasprijs, meer financiële steun voor de zuigelingenzorg en uitbreiding van de kleedruimten voor vrouwen in het zwembad. Fel, maar tevergeefs, keerde zij zich in 1925 tegen de invoering van een gemeentelijke verordening die het ontslag van onderwijzeressen bij hun trouwen voorschreef.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1927 stelde Koeten-Ooms zich niet herkiesbaar. Ze werd opgevolgd door partijgenote Harkje Benthem-de Wilde. In datzelfde jaar werd ze door de gemeenteraad benoemd tot regentes van het Sint-Jacobs-Gasthuis. Koeten-Ooms had een goede indruk gemaakt als lid van de commissie voor het gemeenteziekenhuis, en de SDAP probeerde daarom een zetel voor mevrouw Koets-Oomen te bemachtigen in het bestuurscollege van dit gasthuis, waar veel misstanden heersten – mannen en vrouwen woonden gescheiden in grote donkere zalen en kregen slecht te eten. De burgerlijke partijen hadden deze benoeming steeds tegen weten te houden. Toen Koeten-Ooms in december 1927 eindelijk werd benoemd, gebeurde dat uitdrukkelijk niet als sociaal-democrate.

Een vol leven

Op 39-jarige leeftijd werd Koeten-Ooms weduwe. Haar man had op 19 juni 1928 tijdens zijn werk bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) een val van bijna tien meter gemaakt die hij niet had overleefd. Voortaan stond ze er alleen voor met drie opgroeiende kinderen. Aanvankelijk weigerde de RDM een uitkering, maar uiteindelijk ontving Koeten-Ooms een bescheiden uitkering van 8 gulden per week met een toeslag van twee gulden voor de kinderen. Het gezin kon van dit bedrag niet leven en Koeten-Ooms zag zich gedwongen betaald te gaan werken. Met wassen, naaien en schoonmaken vulde zij het gezinsinkomen aan. Zo waste zij ’s maandags om vijf uur ’s ochtends voor het gezin, om daarna naar een werkhuis te gaan om daar de was te doen. Zij zette alles op alles om het onderwijs van haar kinderen te bekostigen. Alle kinderen gingen naar de ULO, de dochter bezocht daarna de kweekschool en haar zonen de MTS.

Ondanks haar zware bestaan als weduwe met drie opgroeiende kinderen bleef mevrouw Koeten-Ooms maatschappelijk actief. Als regentes van het Sint-Jacobs-Gasthuis was ze betrokken bij het bestrijden van de misstanden in het tehuis. Ze deed voorstellen tot verbetering van de kwaliteit van het eten (zij ging dat zelf proeven), van de kleding, de meubilering en de rechten van de ouderen. Dat leidde tot een stevig conflict met het echtpaar dat als directie (vader en moeder) optrad. In 1930 volgde hun ontslag, dat het paar tevergeefs bij de rechter aanvocht. Door met kennis van de leefomstandigheden van de ouderen haar bestuurlijk werk te doen, bewerkstelligde Koeten-Ooms verregaande veranderingen. Een algehele verbetering volgde in 1934 met de nieuwbouw aan de Burgemeester Knappertlaan.

In 1930 behoorde Koeten-Ooms tot de oprichters van een afdeling van het Groene Kruis, waarvan zij tot 1934 bestuurslid was. Ze ijverde voor de verbetering van de kraamhulp en de thuiszorg, de vorming van een fonds ter verzekering voor ziekenhuisopname en operaties en het verstrekken van voedsel aan kinderen en werklozen. In 1932 was zij een van de drie vrouwen uit de Sociaal-Democratische Vrouwenclub die in Schiedam een afdeling van de N.A.S.B. (Nederlandsche Arbeiders Sport Bond) oprichtten.

Koeten-Ooms was ook lid van de Coöperatie Vrouwenbond en na de oorlog gedurende vele jaren van de ledenraad van de coöperatieve bakkerij D.E.S. (Door Eendracht Sterk). Direct na de oorlog was ze via de Commissie Gezinszorg van het Nederlands Volksherstel (NVH) in Schiedam betrokken bij de opvang van mannen en vrouwen die naar huis terugkeerden.

Laatste jaren en betekenis

In 1954 behoorde Koeten-Ooms, toen zelf 65 jaar oud, tot de oprichters van de Vrouwenclub van de Algemene Bond van Ouden van Dagen in Schiedam, later ‘Onder ons’ geheten. Deze richtte zich op ontspanning en ontwikkeling van vrouwen. Zij was vanaf de oprichting gedurende een aantal jaren voorzitter. Ze was toen nog altijd regentes van het Sint-Jacobs-Gasthuis. Pas in 1958 zag ze wegens haar leeftijd af van een herbenoeming. Haar laatste jaren woonde Koeten-Ooms in een bejaardenwoning in de Emmaflat aan de Burgemeester Stulemeyerlaan en later in het humanistisch bejaardencentrum Thurlede aan de Nieuwe Damlaan in Schiedam, waar zij lid was van de bewonerscommissie.

Elisabeth Koeten-Ooms overleed op 16 november 1968 in Thurlede, 79 jaar oud. Zij werd gecremeerd in Ockenburg (Den Haag, Loosduinen). Daarmee kwam een einde aan een werkzaam leven ten dienste van de verbetering van het leven van arbeiders en met name arbeidersvrouwen en ouderen. In 1985 werd er in de vrouwenbuurt in de wijk Woudhoek-Noord van Schiedam een straat naar haar vernoemd: de Elisabeth Koetenstraat.

 

Literatuur

  • Gemeentearchief Schiedam, krantenbank
  • J.M.M. Jansen, Zevenhonderd jaar Sint Jacobs-Gasthuis (Schiedam 1982).
  • J.J. van der Horst, Geen ideaalmenschen. De Schiedamse SDAP tot 1917 (Schiedam 1984).
  • Herman Noordegraaf, ‘Mevrouw Koeten-Ooms, het eerste vrouwelijke gemeenteraadslid in Schiedam. Een korte levensschets’, Scyedam 22 (1996) nr. 3, 80-92.

Illustratie

Foto door onbekende fotograaf, 1924 (Gemeentearchief Schiedam beeldnummer 11347).

 

Auteur: Herman Noordegraaf

laatst gewijzigd: 11/03/2021