Os, Rosa van (1824-1889)

OS, Rosa van (geb. Den Haag 12-4-1824 – gest. Rome 30-3-1889), operazangeres. Dochter van Hanasse van Os, koopman, en Naatje Abrahams. Rosa van Os trouwde tussen 4-11-1844 en 30-9-1845 in Parijs? met David de Vries, zanger. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren.

Rosa van Os werd geboren in een joods gezin in Den Haag, en niet in Deventer, zoals naslagwerken vermelden. Zij begon haar carrière met het zingen in kleine joodse zangverenigingen en in het koor van de Koninklijke Fransche Schouwburg in Den Haag. In oktober 1843 kreeg zij van koning Willem II een toelage voor een studie van twee jaar aan het conservatorium in Parijs, waar zij tot september 1845 bij Jacques Fromentin Halévy, Daniel Auber en Marco Bordogni studeerde. Daarna keerde ze samen met David de Vries, een Amsterdamse zanger met wie ze inmiddels was getrouwd, terug naar Den Haag (Boulangé, 144). Met een stemomvang van twee en een half octaaf zou zij zich in de hieropvolgende jaren ontwikkelen tot een dramatisch sopraan. Op haar debuut in 1846 in de Fransche Schouwburg zong zij de rol van Rachel in La juive van Halévy. Datzelfde jaar trad zij ook op in Amsterdam en Rotterdam. Recensenten waren enthousiast: haar stem was ‘fris, vol en krachtig door alle registers’ en haar voordracht ‘eenvoudig, niet opgesmukt, vurig zonder losbandigheid, gevoelig maar tevens bedaard en bijna overal even waar. […] in jaren hoorden wij in ons land zulk een sopraan-zangeres niet’ (Caecilia 1846, 48).

Internationale carrière

Al vroeg brak Rosa de Vries (ook wel Devries of Van Os De Vries) ook buiten de grenzen door. Haar internationale carrière begon in het zuiden van Frankrijk, waar zij gevraagd werd voor operaproducties in Lyon en Toulouse, onder andere voor de titelrol in Sémiramis van Rossini. Toen zij in 1848 op het punt stond te debuteren bij de Grand Opéra in Parijs, moest zij vanwege de net uitgebroken februari-revolutie terugkeren naar Nederland, maar zodra het veilig genoeg was, ging ze terug naar Parijs. Daar kwam ze via de componist Giocomo Meyerbeer in contact met John Davis, directeur van de Franstalige opera in New Orleans. Davis gaf haar een contract bij het Théâtre d’Orléans voor twee seizoenen als ‘prima donna assoluta’ (Kaufman, 40). Met man en twee kinderen maakte ze de overtocht naar New Orleans, waar zij op 12 november 1849 debuteerde in Donizetti’s La favorita. Op 1 april 1850 zong zij op hetzelfde podium de zware rol van Fidès in de Amerikaanse première van Meyerbeers Le prophète. Twee dagen na de laatste voorstelling van deze opera, op 22 april 1850, kreeg Rosa de Vries haar derde kind, een dochter die de toepasselijke naam Fides kreeg. Rosa de Vries moet een sterke gestel hebben gehad: al op 9 mei stond zij weer op het podium.

Eind 1851 werd Rosa de Vries lid van het operagezelschap van Max Maretzek in New York. Daar zong ze in Castle Garden voor het eerst in het Italiaans, als Norma in Bellini’s gelijknamige opera. Haar echtgenoot trad in deze productie op als Pollione (Odell, 62) – over zijn zangcarrière is verder niets bekend. Voor korte tijd keerde ze terug naar New Orleans, waar zij begroet werd met ‘luide toejuichingen van de volksmassa’ (Caecilia 1851, 42). Hierna richtte zij met Luigi Arditi een reizend Italiaans operagezelschap op. De Vries was niet alleen de prima donna, maar droeg samen met Arditi de verantwoordelijkheid voor dit gezelschap van ongeveer veertig personen. Zij toerden per boot of koets door heel Amerika en Canada. Voor vele steden was het de allereerste kennismaking met volledig geënsceneerde opera’s. Het gezelschap trad in talloze steden op, waaronder Toronto, Chicago, Detroit, Montreal, Baltimore, Boston, Memphis, Milwaukee, Philadelphia, en Washington DC (Kaufman, 41-46). En overal maakte Rosa de Vries furore in de grote dramatische sopraanrollen in opera’s zoals Ernani, Norma, Lucia di Lammermoor, Lucrezia Borgia, La favorita en La sonnambula.

In 1854 sloot de beroemde Duitse sopraan Henriette Sontag zich aan bij het Arditigezelschap. Zodoende verschenen De Vries en Sontag samen in een aantal producties, waaronder Mozarts Don Giovanni, met De Vries als Donna Anna, en Sontag als Zerlina (Kaufman, 50).

Rosa de Vries keerde in 1855 met haar gezin terug naar Europa. Zij zong twee seizoenen in Londen bij de Royal Italian Opera, met onder meer optredens in het Crystal Palace en het Lyceum. In december 1857 debuteerde zij in La Scala te Milaan in Verdi’s Nabucco. Steeds opnieuw boekte zij grote successen en kreeg zij lovende recensies (Caecilia 1858, 24; 1859, 202; 1860, 6). Op 10 februari 1860 zong zij in Rotterdam in een programma waar ook Clara Schumann optrad. Deze pianiste was de ‘ernstige priesteres’, en De Vries een heldin: haar ‘indrukwekkende gestalte’ en haar stem hadden ‘werkelijk iets heroieks en imposants’ in aria’s van Donizetti en Rossini (Caecilia 1860, 48). Met concerten in Rotterdam en Dordrecht zamelde zij geld in voor een monument voor de kunstschilder Ary Scheffer (Caecilia 1860, 117). Als dank hiervoor kreeg zij een portret van hem. Van haar Haagse vereerders kreeg zij als blijk van waardering in maart 1860 een parelsnoer met diamanten slot, en later die maand een zilveren servies. Na deze successen keerde Rosa de Vries in 1861 terug naar Italië, waar zij tot 1864 verbleef. Ook haar optredens in het seizoen 1863-1864 in Lissabon, Barcelona, Valencia en Berlijn waren een groot succes.

Laatste jaren

In 1864 keerde Rosa de Vries terug naar Nederland, waar zij met koor en orkest van de Koninklijke Fransche Schouwburg uit Den Haag optrad in het pas gebouwde Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Op 25 maart 1865 gaf zij in Amsterdam een afscheidsconcert, samen met de bariton Stägemann en de pianist Henry Litolff. Haar reputatie was tanende: ‘De opkomst van het publiek was slechts sober’ (Caecilia 1865, 73). Een van haar laatste optredens was in 1875 met haar zoon, de bariton Maurice Devries, in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. Caecilia meldde dat haar stem ‘zeer schel’ was geworden, maar dat zij nog altijd vaardig was.

Rosa de Vries stond aan de wieg van een illuster zangersgeslacht. Al haar vijf kinderen en een kleinzoon werden bekende vocalisten. Rosa de Vries stierf in Rome, op 30 maart 1889, tijdens een bezoek aan haar zoon Maurice, die aan de Opera van Rome verbonden was. Het is niet bekend waar zij werd begraven. Zij heeft als een van de weinige Nederlandse operazangeressen uit de eerste helft van de negentiende eeuw een internationale carrière genoten, met optredens in ’s werelds grote operahuizen.

Naslagwerken

Gregoir; Letzer [onder Vries-van Os]; Enciclopedia della musica 2 (Milaan 1964); Algemene muziek encyclopedie [onder Devries] (Bussum 1980); M. Moreau, O Teatro de S. Carlos, dois séculos de história (Lissabon 1999); K.J. Kutsch en L. Riemens, Grosses Sängerlexikon (München 2003).

Archivalia

  • Haags Gemeentearchief: Geboorten, nr. 563.
  • Koninklijk Huisarchief, Den Haag: inv. nrs. E 8-Ic-40, 46 en 51 [correspondentie over haar studietoelage].
  • Archivalia comune di Roma, 13e Dipartimento U.O. Anagrafe e Stato Civile.

Literatuur

  • Dagblad van ’s Gravenhage, 5-3-1861.
  • Het Nieuw Israelietisch Weekblad 2/23 (1867).
  • L. Arditi, My reminiscences (New York 1896) 17, 302.
  • K.S. Hackett, The beginning of grand opera in Chicago (1850-1859) (Chicago 1913) 31-33.
  • G.C. Odell, Annals of the New York stage, deel 6: 1850-1857 (New York 1931) 62, 98, 100, 163, 165, 242, 264-265, 269, 395.
  • W.A. Wagener, Muziek aan de Maas. Van rietfluitje tot R.Ph.O. (Rotterdam 1968) 77, 78, 92.
  • T. Kaufman, ‘The arditi tour: The Midwest gets its first real taste of Italian opera’, The Opera Quarterly 4 (1986/87) 4, 39-52.
  • J. A. Belsom, Reception of major operatic premières in New Orleans during the nineteenth century (Louisiana 1972) [ongepubliceerde master thesis].
  • F. Boulangé, Zij zongen in de Koninklijke Schouwburg, 1804-1863. Uit de geschiedenis van de Koninklijke Franse Schouwburg (z.p. [Amstelveen] z.j. [1999]) 143-154.
  • Emile Wennekes, Het Paleis voor Volksvlijt (Den Haag 1999) 68, 159.
  • www.thecanadianencyclopedia.com
  • www.oxfordmusiconline.com: in het artikel 'Travelling troupes' de bijdrage van Katherine K. Preston: '5. The USA'.

Illustratie

Foto, ongedateerd. Uit: G. Keller en Philip Kruseman red., Geïllustreerd Muzieklexicon (Den Haag 1932).

Auteur: Helen Metzelaar

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 724

laatst gewijzigd: 13/01/2014