Osch, Lea Bartha van (1684-1732)

OSCH, Lea Bartha van (ged. Utrecht 12-12-1684 – begr. Utrecht 25-9-1732), dichteres. Dochter van Gerrit van Osch (1641-1715), meester-metselaar en doodgraver, en Barbara Pontanus (gest. 1684). Lea Bartha van Osch bleef ongehuwd.

Lea Bartha van Osch was het jongste van de negen kinderen van de Utrechtse meester-metselaar Gerrit van Osch, deken van het steenbikkersgilde in Utrecht, en zijn uit Tiel afkomstige vrouw Barbara Pontanus. Ze bracht haar jeugd door in de schaduw van de Nicolaikerk, waar haar vader doodgraver was. Twee kinderen stierven jong en de moeder stierf twee weken na de doop van Lea Bartha. Het gezin woonde toen aan het Nicolaikerkhof. De voornaam ‘Lea Bartha’ valt op, te meer daar de oudere kinderen gewoon Catharina (1671-1716), Pieter (1673-1740),  Maria (1675-1753), Hendrik (1677-1716), Christina (1677-1711), en Cornelis (1682-1716) heetten. In 1686 hertrouwde de vader met Geertruid van Hees (gest. 1703). Voor zover bekend bleef dit tweede huwelijk kinderloos. Toen Lea Bartha in 1705 belijdenis deed, woonde zij nog altijd aan het Nicolaikerkhof.

Werk

De naam van Lea Bartha van Osch is bewaard gebleven dankzij haar bundel Zeer stichtelijke opmerkende gedichten in rym (1717). De bundel beslaat 80 pagina’s en bevat 92 gedichten. Opmerkelijk is dat alle opsmuk ontbreekt: geen voorwoord, geen drempel-, lof-, of gelegenheidsgedichten, geen aanprijzingen van wie dan ook. De enige naam die er in voorkomt, is die van Lea Bartha van Osch zelf, op de titelpagina. Zelfs de naam van de uitgever/drukker ontbreekt. De gedichten zijn niet gedateerd en hebben ook geen titel. De opmaak is bijzonder zuinig en de uitgave telt nogal wat zetfouten. Dit alles tezamen doet vermoeden dat Lea Bartha van Osch de bundel zelf heeft uitgegeven en gefinancierd, zonder hulp of steun van anderen.

De gedichten van Lea Bartha van Osch zijn onbeholpen en direct. Ze wendt zich vaak tot God: ‘O Heer geeft mij een wijze zin,/ In wijsheid, Heer, daar steekt veel in’ (23) en ‘Heer verhoort mijn zuchten, klagen,/ Want ik kan ’t niet meer verdragen’ (52). Soms richt zij zich rechtstreeks tot haar medemens, zoals in het gedicht over mensen die in zonde leven: ‘En gij zult je zo verdomme,/ Dat gij bij God niet zult komme:/ Want gij weet hoe dat gij God,/ Hebt gehouden voor de spot’ (66). Enkele gedichten zijn metaforische beschrijvingen, zoals van een zandloper, een klok, een knekelhuis, de tong.

Vrijwel alle gedichten van Van Osch zijn somber van toon: de wereld is boos, de mensen slecht, en zijzelf is eenzaam. Vaak meldt ze dat ze niet kan slapen en dan naar de pen grijpt. In diverse gedichten wijst ze op haar jeugdigheid (‘ik bender nog jong van jaren’), wat impliceert dat de bundel een verzameling is van werk dat ze in de loop der jaren heeft geschreven, dus ook jeugdwerk – in 1717 was ze met haar 33 jaar niet echt jong meer.

Volgens Tineke Moser, auteur van het lemma in de Lauwerkrans, moet Van Osch een ongehuwde, wellicht ziekelijke vrouw zijn geweest die een teruggetrokken leven leidde, door haar omgeving werd miskend en ’s nachts gedichten schreef om uiting te geven aan haar christelijke moraal. Zelf schrijft Van Osch in een van haar gedichten: ‘Ik was een kind jong van jaren/ Toen liet ik de wereld varen/ Van die uur en van die tijd/ Werd ik gehaat en benijd’ (52).

Familie

Lea Bartha van Osch is inderdaad ongetrouwd gebleven. Of zij ziekelijk was, valt te betwijfelen – haar werk geeft weinig aanleiding tot die veronderstelling –, maar van sociaal isolement lijkt zeker sprake te zijn geweest. Deze indruk wordt bevestigd door enkele stukken in het notarieel archief van Utrecht betreffende de nalatenschap van haar vader. In zijn testament van 1713 laat hij aan zijn ‘lieve en waarde dochter Lea Bartha, voor haar zeer getrouwe diensten aan hem te allen tijde bewezen’ onder meer na: alle kleren, het beste bed en beddegoed, de beste kast, tafellakens en servetten, de spiegel, het beste schoorsteenkleed, het koffie- en theestel, Spaanse stoelen, porseleinen beeldjes, alle ‘borduurschilderijen’, een mand vol boeken en haar portret. Bovendien erft ze drie kamers in de Groot Eliesteeg (tussen Oude Gracht en de Lange Nieuwstraat). Die voorkeursbehandeling kreeg ze omdat zijn andere kinderen hem meer geld hadden gekost dan Lea Bartha, en ook omdat het voor haar bestemde legaat van zijn tweede vrouw door hem was uitgegeven. Vermoedelijk woonde Lea Bartha op dat moment als enige nog in het ouderlijk huis en zorgde zij voor hem, samen met de dienstbode.

Na de dood van de vader in 1715 bleken de kaarten toch anders te liggen. Lea Bartha kreeg inderdaad de kleren, het thee- en koffiegoed, drie paar lakens, een half dozijn servetten en haar eigen ‘borduurportretten’, plus een van de drie kamers aan de Groot Eliesteeg, maar de rest van de inboedel werd door de andere kinderen (minus Cornelis en Lea Bartha, die zich hadden uitgekocht) verkocht en de opbrengst ervan door hen onderling verdeeld. Lea Bartha kocht wat meubels terug, maar de dienstbode, die nog recht had op loon, moest borg voor haar staan. In een van haar gedichten lijkt ze naar de slechte familieverhoudingen te verwijzen. Er is ‘de laatste tijd’ veel haat en nijd tussen broers, en daarmee doen zij de ouders veel pijn: ze gaan voort in hun dwaasheid en woorden helpen niet meer. Ze doen niets dan klagen en respecteren hun ouders niet. ‘En is er dan nog een goed kind,/ Wordt van zijn broeders niet bemind’. De parallel met het bijbelse Jozef-verhaal ligt voor de hand, en die trekt zij dan ook: ‘En kon men die verkopen gaan/ gelijk Jozefs broeders hebben gedaan./ ’t Was al over lang geschied’ (30). Op 1 mei 1717 verkocht Lea Bartha van Osch de kamer aan de Groot Eliesteeg. Dat was in het jaar dat ze haar dichtbundel uitbracht. Heeft ze de publicatie daarmee gefinancierd?

Lea Bartha van Osch werd op 25 september 1732 begraven in de Nicolaikerk, de kerk waar de familie een graf had en waar haar vader en broer doodgraver waren. In het begraafboek staat ze geregistreerd als ‘bejaarde dochter’, woonachtig in de Geertesteeg.

Reputatie

Tot op heden was er niets bekend over het leven van de dichteres Lea Bartha van Osch. Lang was zelfs haar werk onbekend; alleen haar naam was overgeleverd omdat Lambert Bidloo haar in zijn Panpoeticon Batavum (1720) opnam als een van de dichteressen van eigen bodem. Hij meldt dat ze ‘geestelijke stoffe’ had uitgegeven, maar geeft geen titels. Pieter de la Ruë noemt wel titels van haar werk in zijn Geleerd vrouwentimmer (na 1739), maar dit overzicht is nooit uitgegeven. Zodoende figureert Van Osch in negentiende-eeuwse naslagwerken als dichteres van wie geen werk bekend is. J.C. Kobus herhaalt in het Nieuw biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederlandsche dichters (1846) Bidloos mededeling, en vervolgt: ‘die stoffe ons onbekend zijnde, moeten wij het hier bij laten; wensende andere navorsers meer geluk’. Voor zover bekend was Gerrit Komrij de eerste die aandacht voor haar werk vroeg door vier gedichten van haar op te nemen in zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw (1986). Een daarvan is haar gedicht met de opmerkelijke beginregels: ‘Ik kwam voor het knekelhuis staan/ Daar zag ik al de benen aan;/ Van oud en jong, van groot en klein,/ Ik dacht: waar mag de schoonheid zijn’ (799) – een interessant gedicht voor een dochter van een doodgraver.

Naslagwerken

Van der Aa; Lauwerkrans; NBAC.

Archivalia

  • Het Utrechts Archief: Begraafboek 131, p. 742 [Lea Bartha van Osch]. Toegang 34-4 (Notarieel Utrecht), not. C. de Munnik, inv. nr. U155a001, nr. 87 [testament Gerrit van Osch, 19-5-1713] en inv. nr. U155a1 (idem), nr. 220 [codicil, 27-11-1715]; not. J. Bosch, inv. nr. U146a2, nrs. 71, 175, 176 [overdracht, 14-1-1716; afstand, 14-12-1715; scheiding 20-12-1715, mbt nalatenschap Gerrit van Osch]. Toegang 820 (Transporten en plechten 1713-1765), p. 240-242 (1-5-1717) [verkoop kamer Groot Eliesteeg].
  • Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), handschriften: Pieter de la Ruë, Nederlands geleerd vrouwentimmer, sign. XIV A 3.

Publicaties

  • Zeer stichtelijke opmerkende gedichten in rym, verstrekkende tot nut en vermaek der gener die liefde voor hare ziele hebben, alleen opgestelt door het vernuft van de deugdrijke bejaerde dochter Lea-Bartha van Osch, ende nu eerst door haer in het licht gebragt in den jare 1717, en dat verder in het ligt gebragt zal werden (z.p. 1717) [enkele gedichten hieruit in: Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten (Amsterdam 1986) 797-800].
  • Lusthof voor vroome en godtvreesende sielen, beplant met overheerlijke boomen en oock haer vrucht dragende tot eeuwige welstant voor alle die er lust en vreede soeken te plukken (Utrecht 1720) [uitgebracht door Th. van den Eynden; geen ex. bekend].

Literatuur

Annelies de Jeu, ‘’t Spoor der dichteressen’. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) (Hilversum 2000) 252.

Illustratie

Titelpagina van Zeer stichtelijke opmerkende gedichten in rym, 1717 (Universiteit van Amsterdam, Bijzondere Collecties).

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 429

laatst gewijzigd: 13/01/2014