Peaux, Augusta Guerdina (1859-1944)

 
English | Nederlands

PEAUX, Augusta Guerdina (geb. Simonshaven 2-11-1859 – gest. Nijmegen 23-2-1944), dichteres en schrijfster. Dochter van Pieter Peaux (1835-1914), predikant, en Louisa Cornelia Gerarda Prince (1834-1917). Augusta Peaux bleef ongehuwd.

Augusta (Guus) Peaux werd geboren in Simonshaven, tegenwoordig gemeente Geervliet, als oudste van vijf – twee meisjes, drie jongens. Haar vader was predikant, net als haar grootvader en overgrootvader. In 1864 verhuisde het gezin naar de pastorie van het nabijgelegen Zwartewaal, en in 1868 naar het Brabantse Etten en Hoeven, waar Augusta’s vader was beroepen als opvolger van zijn overleden vader. De kinderen Peaux brachten veel tijd door in de natuur en Augusta speelde er met de even oude Jacques Perk, de latere dichter. Het domineesgezin nam in de overwegend katholieke omgeving een bijzondere positie in en de twee meisjes kregen er huisonderwijs van uit Holland afkomstige juffrouwen.

Vanaf 1873 ging Augusta in Dordrecht naar de mms – waarschijnlijk zat ze in een kosthuis. Toen Augusta’s vader in 1875, naar verluidt om gezondheidsredenen, tijdelijk het predikambt neerlegde, verhuisde het gezin naar Haarlem. Daar maakte Augusta haar mms af en behaalde ze in 1879 de lo-akte Frans. Erna bezocht ze er de kunstnijverheidsschool – ze kon goed tekenen. In 1881 ging vader Peaux in Wijk aan Zee weer aan het werk als predikant en in 1896 gaf hij gehoor aan een beroep uit Gulpen en Valkenburg. Augusta verhuisde steeds mee. Ze hielp haar zus Johanna, die zich al vanaf 1892 aan de literatuur wijdde, bij de vertaling van gedichten.

Naast de Tachtigers

Vanaf 1892 publiceerde Augusta Peaux met enige regelmaat verhalen in het blad Eigen Haard. Vanuit Gulpen stuurde ze vanaf 1897 gedichten naar Albert Verwey, die ze in zijn tijdschriften Tweemaandelijksch Tijdschrift en De XXe eeuw plaatste en in letterkundige overzichten haar ‘kleine verzen’ geweldig prees. Aan een bundeling van haar gedichten wilde zij niet denken, uit vrees voor negatieve reacties. Wel publiceerde Peaux in 1899 een verhalenbundel: Op Goudgrond. Een negatieve bespreking daarvan door Frans Coenen in De Kroniek maakte dat zij weer voor jaren afzag van bundeling van haar werk, maar ze bleef wel novellen publiceren in Eigen Haard. Gevoed door lectuur vatte ze intussen een hartstocht op voor het Noorden en in het bijzonder voor IJsland. Die hartstocht gold vooral (de stilte van) het landschap en de literatuur. In de teksten die ze over IJsland schreef, klinkt door hoezeer ze hechtte aan eenzaamheid en de omgang met mensen wenste te beperken: ‘Dit land wil eenzaam zijn, geen vriend van menschen,/ maar met de sterren en de zee alléén’ (De wilgen, de velden, het water, 2014, 59).

Toen de vader van Augusta Peaux in 1901 met emeritaat ging, verhuisde ze met haar ouders naar Nijmegen – ze gingen wonen aan de Sint Annastraat (nr. 67). Zij was intussen 42 jaar en deelde niet langer het geloof van haar ouders: in haar verzen was geen plaats voor Christus, slechts voor voorchristelijke goden en bezielde natuur. In Nijmegen roerde Augusta Peaux zich voorzichtig in kringen van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Ze trok daarbij op met de landelijk bekende Betsy Perk, de tante van de jong gestorven Jacques. Ook raakte ze betrokken bij het lokaal amateurtoneel. Plaatselijke voordrachtskunstenaressen traden op met gedichten van Augusta Peaux, en zo vond ze een aantal jongere vriendinnen, onder wie Geertruida (Truus) Meuleman, de dochter van de rector van het Nijmeegs Gymnasium. Meuleman werd opgeleid tot onderwijzeres en deelde met Peaux de liefde voor de Scandinavische literatuur en landschappen. Zij woonden in dezelfde straat.

Toen het tijdschrift De XXe eeuw in 1909 opging in De Nieuwe Gids, kwam Augusta Peaux in contact met de befaamde Willem Kloos. Vanaf 1911 publiceerde zij gedichten in het blad. Met Kloos correspondeerde ze over haar gedichten, maar ook over Jacques Perk. Op zijn verzoek haalde zij haar herinneringen op aan de al in 1881 overleden Perk.

‘IJsland onzer verbeelding’

In 1918, het jaar waarin Augusta Peaux 59 werd, verscheen haar bundel Gedichten, acht jaar later gevolgd door Nieuwe gedichten. De bundels werden uitgegeven in Haarlem, bij de uitgever van Eigen Haard. De eerste bundel bracht het in 1923 tot een herdruk. In haar gedichten leggen de mensen het af tegen de natuur. Peaux verwoordt erin haar afkeer van de Eerste Wereldoorlog, die mensen heeft beroofd van het landschap. In haar gedichten zijn de landschappen mooier naarmate ze desolater zijn.

Augusta Peaux reisde in 1923 tweeënhalve maand met Truus Meuleman en Willy van Hooff, een andere vriendin, door IJsland. De drie vriendinnen zochten en vonden het ‘IJsland onzer verbeelding’ – in de koffer van Truus ging altijd de door haar bestudeerde Edda mee. Erna blikte Peaux in lezingen en schriftelijke verslagen terug op die bijzondere reis. Latere reizen brachten Peaux en Meuleman in Zuid-Frankrijk en Denemarken.

In 1929 vierde Augusta Peaux haar zeventigste verjaardag. De dichter J.C. Bloem wijdde bij die gelegenheid een hartstochtelijke beschouwing aan haar werk, waarvan hij in het bijzonder de ‘wilde grootschheid’ waardeerde. Na 1930 viel het leven Peaux steeds zwaarder. Maar de eenzaamheid die ze in haar gedichten gezocht had, vreesde ze in haar eigen leven evenmin. Toen haar geestelijke en lichamelijke gezondheid haar in de steek lieten, bleef Truus Meuleman haar trouw bijstaan. Omstreeks 1935 werd Peaux bezocht door depressies, maar zij herstelde daarvan – tot ze in 1942 terugkwamen.

Augusta Peaux bleef steeds in Nijmegen wonen, met een korte onderbreking in 1940 toen ze in Den Haag verbleef. Ze overleed op 23 februari 1944 in een pension aan de Ubbergseveldweg aan een longontsteking – één dag na het Amerikaanse bombardement van Nijmegen. Zij werd in die stad begraven in het familiegraf op begraafplaats Rustoord. Op de steen ontbreekt haar naam.

Betekenis

Bij gelegenheid van de 75ste en 80ste verjaardag van Augusta Peaux wijdden de plaatselijke kranten stukken aan haar: zij werd geroemd als een van de befaamde Tachtigers. De dichteres verdiende meer bekendheid, maar was niet gesteld op ‘veel ruchtbaarheid’, zo heette het (‘Augusta Peaux tachtig jaar’, 1939). Na haar dood werd Peaux met haar gedicht Eenzaam kerkhof een vaste waarde in literaire bloemlezingen – Gerrit Komrij nam acht gedichten van haar op in zijn Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw (2000). Meer dan eens werd aangedrongen op een heruitgave van haar werk. Die verscheen in 2014, met een uitgebreid nawoord door Mario Molegraaf waarin de belangrijkste bio- en bibliografische gegevens zijn te vinden. Sinds 2016 vindt in Simonshaven jaarlijks een naar Augusta Peaux genoemd poëziefestival plaats.

Naslagwerken

Nijmeegse biografieën.

Archivalia

Literatuurmuseum, Den Haag: brieven en documenten.

Publicaties

  • Voor een overzicht, zie Mario Molegraaf, ‘Augusta Peaux’, Kritisch Literatuur Lexicon (2001), aug., A1-A2.
  • De wilgen, de velden, het water. Een keuze uit haar gedichten, Mario Molegraaf ed. (Dordrecht 2014) [met een nawoord door Mario Molegraaf].

Literatuur

  • J.C. Bloem, ‘Augusta Peaux. Bij haar 70sten verjaardag’, De Gulden Winckel 28 (1929) 320-321.
  • ‘Augusta Peaux tachtig jaar’, Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 2-11-1939.
  • Fijtje Koets, Hélène Swarth en Augusta Peaux: verguisd of vergeten. Twee vrouwelijke Nederlandse dichters en de canon (Utrecht 1994).
  • Mario Molegraaf, ‘Augusta Peaux’, Kritisch Literatuur Lexicon 82 (aug 2001) 1-8.

Illustratie

Augusta Peaux, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Peter Altena

laatst gewijzigd: 01/11/2017