Boer, Margaretha Louisa Johanna de (1893-1984)

 
English | Nederlands

BOER, Margaretha Louisa Johanna de, vooral bekend als Tilly Perín-Bouwmeester (geb. Nieuwer-Amstel 8-3-1893 – gest. Amsterdam 17-12-1984),  actrice, theaterdirectrice en politica. Dochter van Louis Bouwmeester (1842-1925), acteur, en Margaretha Johanna Louise de Boer (1864-1929). Tilly Bouwmeester trouwde (1) op 24-12-1918 in Amsterdam met Leonardus Josephus Maria Tholen (1890-?), bankbeambte; (2) na echtscheiding (1925) op 14-1-1928 in Soerabaja met Pierre Willem Marie Perín (1888-1960), acteur en bioscoopexploitant. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Tilly Bouwmeester werd geboren als Greetje de Boer, maar bij haar heilig vormsel koos ze zelf de naam Mathilde (Tilly). Haar ouders waren niet getrouwd – haar moeder was de zus van de vierde vrouw van haar vader, acteur Louis Bouwmeester sr. Tilly zou later zeggen van ‘Bouwmeester-soepgroente’ te zijn, een term die haar halfbroer Louis jr. had bedacht voor de onwettige kinderen van zijn vader. Illustratief is de verwarring rond Tillys geboortedatum (8 maart): haar vader was op tournee en gaf zijn dochter drie dagen te laat aan. De klerk van de burgerlijke stand noteerde dientengevolge een verkeerde datum (11 maart).

Nederlands-Indië

Tilly Bouwmeester had het theatertalent van haar vader, maar koos niet direct voor een carrière op de planken. Ze volgde een opleiding tot onderwijzeres, werkte in 1914 in Den Haag als kantoorbediende en stond een tijdje voor de klas in Apeldoorn. In 1916 kwam ze in dienst bij Het Tooneel van Willem Royaards. Ze speelde een paar kleine rolletjes en mocht verder vooral figureren. Een jaar later ging ze naar Het Hollands Toneel van Louis de Vries, maar ook hier kwam ze weinig verder dan edelfiguratie. In 1918 trouwde ze met de Amsterdamse bankbeambte Leo Tholen, een broer van cabaretier Herman Tholen. Toen Tholen een aanstelling kreeg als procuratiehouder bij de Uniebank in Soerabaja, verhuisden ze naar Nederlands-Indië. Daar sloot ze zich aan bij een amateurtoneelgezelschap en deed ze veel acteerervaring op.

In 1925 kreeg Tilly Bouwmeester een engagement aangeboden van Henri Brondgeest, de ex-echtgenoot van haar tante Theo Bouwmeester, die met zijn gezelschap in Indië was. Zijn enige voorwaarde was dat ze de naam Bouwmeester in plaats van De Boer zou gebruiken. De eerste actrice van Brondgeest was onverwacht vertrokken en zo kreeg Tilly ineens hoofdrollen te spelen. Toen de tournee van het gezelschap afgebroken dreigde te worden omdat Brondgeest ernstig ziek werd, probeerden enkele acteurs, onder wie Tilly Bouwmeester, de tournee voort te zetten; zonder Brondgeest bleef het publiek echter weg. Ten einde raad begon ze rond 1926 samen met haar collega’s Gerard Vrolik en Karel Stoete een cabaretgroepje. Dit bleek een groot succes: ze doorkruisten heel Java met hun voorstellingen en na afloop van hun tournee had Tilly voldoende gespaard voor een vakantie naar China en Japan (1927). Bij haar terugkomst in Indië kon ze terecht bij het gezelschap van actrice Anna Wensma-Klaassen, voor wie ze ook de administratie deed. Een van haar collega-acteurs was Pierre Perín, die Tilly altijd ‘Piet’ noemde omdat ze een hekel had aan de naam Pierre. Ze trouwden in 1928 in Soerabaja en maakten een tournee door Nederlands-Indië met hun eigen cabaretprogramma. Boven een bioscoop in Soerabaja hadden ze ook een succesvol ‘thé-dansant’.

Kleine Komedie

In 1932 werd Tilly Bouwmeester getroffen door Indische spruw en op doktersadvies keerde ze met haar echtgenoot terug naar Nederland – ze gingen wonen in Zaandam. Na haar herstel speelde ze rollen bij het Grand-Theâtre in Amsterdam en het Groot-Nederlands Toneel en in een aantal – weinig succesvolle – films. In 1936 keerde ze terug naar het cabaret: ze sloot zich aan bij het ABC-cabaret van Corry Vonk en Wim Kan. Bouwmeester was geen geweldige zangeres, maar volgens Kan had ze wel talent voor ‘zing-zeggen’. Toen het ABC-cabaret in 1939 naar Nederlands-Indië vertrok, ging ze niet mee omdat haar echtgenoot intussen twee bioscopen exploiteerde in Zaandam. Tijdens de bezetting kreeg ze engagementen bij Het Nederlands Toneel, het gezelschap van Cor Ruys en bij het Residentie Toneel.

Na de bevrijding huurden Tilly Bouwmeester en haar man het oude Salvatori, de voormalige Fransche Schouwburg aan de Amstel (nr. 56-58). Ze lieten het pand verbouwen en in 1948 werd het heropend onder de naam De Kleine Komedie. De belangrijkste bespeler werd het blijspelgezelschap De Comedianten van Johan Kaart, waaraan ook Tilly Bouwmeester was verbonden. Financieel dreef dat gezelschap grotendeels op de klucht Potasch en Perlemoer, waarin Tilly ‘Rosie’ speelde. In die periode woonde ze op verschillende adressen in Amsterdam-Zuid en tussen 1950 en 1954 in Heemstede. Na de dood van haar man in 1960 bleef Bouwmeester wonen in hun woning in de Amsterdamse Emmastraat (nr. 20). Ze stopte dat jaar met toneelspelen maar verleende nog met regelmaat haar medewerking aan televisieseries, zoals Dagboek van een herdershond en De kleine waarheid. Het directeurschap van de Kleine Komedie werd overgenomen door Jo Defourny, maar Tilly hield een vinger in de pap. Het theater kwam in de problemen toen Kaart zich in 1961 terugtrok uit zijn gezelschap om in My Fair Lady met Wim Sonneveld te gaan spelen – Bouwmeester kon het theater slechts met moeite overeind houden. De eigenaren van het gebouw wilden er een bioscoop van maken, maar Bouwmeester voelde daar niets voor. Dankzij hulp van Jo Defourny, die de ‘Stichting tot instandhouding van Amsterdamse Schouwburgen’ speciaal voor dat doeleinde in het leven riep, kon het theater nog datzelfde jaar worden gered.

Tilly Bouwmeester was een groot fan van de Amerikaanse televisiesoap Peyton Place; in de jaren zeventig begon ze een succesvolle actie om voortaan twee achtereenvolgende uitzendingen op de televisie te krijgen. In 1973 liet de AVRO haar de laatste aflevering uitluiden. Haar strijdvaardigheid kwam ook goed van pas toen ze in 1974 woordvoerder en lijsttrekker werd van de Bejaardenpartij 65+ Amsterdam. Ze mocht niet onder de naam Perín-Bouwmeester op de kieslijst omdat haar ouders niet getrouwd waren geweest, dus gebruikte ze de naam Tilly Perín-de Boer. Incidenteel speelde ze nog kleine rollen in films, zoals Kort Amerikaans (1979) en Het teken van het beest (1980). Tilly Bouwmeester stierf in Amsterdam op 17 december 1984, in de ouderdom van 91 jaar.

Betekenis

Tilly Bouwmeester was de laatste toneelpersoonlijkheid uit de familie die decennia lang het Nederlandse theaterlandschap heeft gedomineerd. Ze heeft aan de wieg gestaan van wat nog steeds een van de belangrijkste cabaret-theaters van Nederland is: De Kleine Komedie.

Naslagwerken

Coffeng; Honig; Theaterencyclopedie.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: archiefkaart; BS huwelijk.
  • Haags Gemeentearchief: bevolkingsregister.

Literatuur

  • Catharina ten Houte de Lange, ‘Een praatje van Tilly Perín-Bouwmeester met Stella Mare’, Op de hoogte 31 (1934) nr. 12, 354-356.
  • Algemeen Handelsblad, 7-5-1938.
  • De Waarheid, 19-8-1961.
  • De Telegraaf, 14-1-1970; 12-4-1974; 5-3-1982.
  • Mimi Rijpstra-Verbeek, Soepgroente. Het levensverhaal van Tilly Perín-Bouwmeester (Amsterdam 1970).
  • Wim Ibo, En nu de moraal... Geschiedenis van het Nederlands cabaret 1936-1981 (Alphen aan de Rijn 1982).
  • Simon Koster, De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie. (Zutphen 1973) 369-375.
  • Het Vrije Volk, 18-12-1984.
  • Jacques Klöters, 100 jaar amusement in Nederland (Amsterdam 1987).

Illustratie

Tilly Bouwmeester-Perín, door Godfried de Groot, 1930 (Collectie Theater in

Nederland).

Auteur: Bobbie Blommesteijn

laatst gewijzigd: 01/07/2017

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.