Petitpas, Maria (ca. 1566-1640)

PETITPAS, Maria (geb. Den Bosch? ca. 1566 –gest. Den Haag 23-4-1640), vrouw van Johannes Wtenbogaert, voorman van de remonstranten. Dochter van Dominicus Petitpas (1535-voor 1598) en Aleid Toelinck (ca. 1540-1599). Maria Petitpas trouwde (1) met François aux Brebis (gest. ca. 1600), textielhandelaar; (2) op 2-4-1606 in Den Haag met Johannes Wtenbogaert (1557-1644), predikant. Uit huwelijk (1) werden 2 dochters geboren.

Waarschijnlijk is Maria Petitpas geboren in Den Bosch, de geboortestad van haar moeder. Haar vader was afkomstig uit Antwerpen. Als echtgenote van François aux Brebis woonde zijzelf lange tijd in Wesel. Na de dood van haar eerste echtgenoot maakte zij kennis met Johannes Wtenbogaert, predikant in Den Haag en sinds 1605 weduwnaar. Als legerpredikant vergezelde hij stadhouder Maurits van 1599 tot 1610 op diens veldtochten aan de oostgrens. Misschien fungeerde Henricus Rosaeus wel als tussenschakel, want het staat vast dat deze collega en protegé van Wtenbogaert vanaf 1602 werkzaam was in Vriemersum of Friemersheim (Graafschap Meurs) en toen enige tijd bij Maria inwoonde (Wtenbogaert, 90-91).

Een herberg voor predikanten: het huis aan de Hofsingel

Op 2 april 1606 trouwden Maria Petitpas en Johannes Wtenbogaert in de Grote of St. Jacobskerk in Den Haag. Na de huwelijkssluiting vestigde het echtpaar zich, samen met de twee dochters van Petitpas uit haar eerste huwelijk, in het huis van Wtenbogaert aan de Haagse Hofsingel. Een van de dochters stierf vrij kort hierna. In Den Haag bood Maria Petitpas wederom onderdak aan Rosaeus, dit keer met zijn zieke vrouw en hun kinderen. Weldra zou Rosaeus zich tot een fanatieke contraremonstrant ontwikkelen en zo Maria’s leven danig verzuren.

In het huishouden beheerde Maria Petitpas het familiebudget. Er is een latere brief van Wtenbogaert aan haar (d.d. 22-7-1626), waarin hij precies verslag doet van zijn uitgaven: hij heeft alleen geld genomen van het bedrag dat Maria voor hem had achtergelaten (Brieven, dl. 2/2, 398-399). Dat Maria Petitpas een omvangrijk eigen vermogen had, blijkt uit het feit dat zij in 1615 in het bezit kwam van het pand naast Wtenbogaerts huis. Een jaar later kreeg zij toestemming om de beek tussen de twee huizen te overwelven. In de akte die samenvoeging van beide panden regelde, liet Maria bovendien optekenen dat het huis van Wtenbogaert niet van hem kon worden afgenomen, tenzij tegen betaling van vierduizend pond.

In de jaren van het Bestand was het huis van de Wtenbogaerts een belangrijk trefpunt voor remonstrantse predikanten die in moeilijkheden waren gekomen en in Den Haag hun persoonlijke zaken kwamen regelen (Brieven, dl. 3/4, 318). Daarom kan het niet anders of Maria Petitpas heeft de Bestandstwisten van dichtbij meegemaakt. Dat blijkt ook uit de enige brief die van Petitpas bewaard is gebleven. Deze brief is gericht aan Rem Egbertsz. Bisschop, broer van de remonstrantse predikant Simon Episcopius. Bisschops huis in Amsterdam was op 19 februari 1617 tijdens een volksoproer geplunderd. Enkele dagen daarna schreef Petitpas hem ook namens haar man een troostbrief. Nieuwsgierig vroeg ze hoe Bisschops echtgenote (Lysbeth de Bisschop), kinderen en dienstbodes die schokkende gebeurtenis hadden ondergaan. Zij bepleitte krachtige maatregelen van de Amsterdamse overheid, waarbij ze liet merken bang te zijn dat haar huisgezin in Den Haag hetzelfde lot zou treffen (Brieven, dl. 1, 249-251).

Ter neder geworpen, maar niet verplet

Op 29 augustus 1618 kwam het bewind van Johan van Oldenbarnevelt ten val. Johannes Wtenbogaert moest Holland ontvluchten en vond een veilig heenkomen naar Antwerpen. Maria Petitpas bleef achter met haar zus, een nicht, een neef en een knecht. Na een melding dat Wtenbogaert in maart 1619 bij zijn Haagse woning was gesignaleerd, deed provoost-geweldige Carel Nys er een inval. Petitpas moest een week lang op eigen kosten enkele Statenboden huisvesten die haar woning in de gaten hielden. Wtenbogaert werd op 24 mei 1619 bij verstek veroordeeld tot eeuwige ballingschap en confiscatie van zijn bezit: Petitpas moest het huis aan de Hofsingel onmiddellijk ontruimen en afstaan aan een officier uit Maurits’ kring, die haar overigens wel huur betaalde. Na de dood van Maurits vestigde uitgerekend Rosaeus, de man die lang haar gastvrijheid had genoten, zich met zijn gezin in de woning. Hij betaalde haar vermoedelijk geen huur.

Maria Petitpas volgde haar man in 1621 naar Parijs en Rouen. De langste tijd van zijn ballingschap bracht het echtpaar in Rouen door. Met steun van bevriende remonstrantsgezinde juristen als Nicolaes van Sorgen en Quirijn van Strijen probeerde Maria de veroordeling en confiscatie uit 1619 ongedaan te maken. Wanneer ze in Den Haag verbleef, informeerde ze haar man voortdurend per brief over de politieke en godsdienstige situatie in Holland. Zelf beval Wtenbogaert haar bij zijn vrienden aan als een betrouwbare informatiebron. Delen van de correspondentie werden overigens, onder anderen door Rosaeus, onderschept, en informatie hieruit werd in de Staten van Holland besproken.

Uit de enkele bewaard gebleven brieven van Johannes Wtenbogaert aan Maria Petitpas, maar ook uit brieven aan anderen, blijkt een innige en liefdevolle huwelijksrelatie. Soms vergat Wtenbogaert in zijn zelfbeklag haar belangen, maar veel vaker toonde hij spijt en ergernis omdat zijn Maria alleen om hem zoveel ontberingen moest doorstaan. Tegenover Van Sorgen bekende hij dat hij Maria hevig miste wanneer zij bijvoorbeeld voor haar zaken in Holland verbleef. Als zij zou overlijden, was zijn ellende compleet: ‘Want kwam zij te bezwijken, ik waar miserabel’ (Brieven, dl. 2/1, 132). Alleen kon hij zich niet redden: ‘Ik wilde dat mijn huisvrouw thuis was, gedaan had en herwaarts kwam’ (Idem, 129). Toen hij zich verdedigde voor de inhoud van een brief aan Maria die in 1626 door toedoen van Rosaeus in verkeerde handen was gekomen, stelde hij dat zijn brief niets anders was dan een bedroefde klacht over zijn moeilijkheden, ‘die ik stort in de schoot van mijn waardste gezelschap, die de helft is van mijn ziel’ (Idem, dl. 2/2, 430-431).

Terug in Den Haag

Na de dood van Maurits besloot Johannes Wtenbogaert uit ballingschap terug te keren. Vanuit Rouen ging Maria Petitpas hem voor, met in haar bagage het handschrift van zijn autobiografie. Na een roerige reis door het Kanaal, waar de Duinkerkse kapers het schip hadden willen enteren, arriveerde zij op 8 mei 1626 in Rotterdam. Wtenbogaert volgde in september van datzelfde jaar, maar hij moest zich aanvankelijk nog schuilhouden. In 1629 lukte het Petitpas om de confiscatie van Wtenbogaerts huis ongedaan te maken. Na enig tegenstribbelen verliet Rosaeus in april 1630 de woning. Op den duur kon het echtpaar er weer zijn intrek nemen. Het huis was echter zo verwaarloosd, dat het leek of ‘Mansvelders en Kroaten er hadden huisgehouden’ (Wtenbogaert, 324-325, 459-462 en 474).

In 1631 waren Maria Petitpas en Johannes Wtenbogaert samen aanwezig op het huwelijk van Maria’s kleindochter Johanna Lindeman met Aernout van Beaumont. In de loop van de jaren ’30 ging Maria steeds meer met haar gezondheid sukkelen. In 1635 werd zij zo ziek dat haar man voor haar leven vreesde. Op 26 maart schreef hij aan Hugo Grotius dat zijn vrouw al zes maanden bedlegerig was en dat het leek alsof zij weldra ‘het zeil zou moeten strijken’ (Briefwisseling Grotius 5, no. 2032). Toen Grotius Wtenbogaert in 1637 tot huispredikant wilde aanstellen, sloeg Wtenbogaert dit beroep af vanwege de slechte gezondheid van zijn vrouw. Op 23 april 1640 stierf Maria Petitpas. Zij werd begraven in de Haagse Kloosterkerk, in het familiegraf van de Beaumonts, de schoonfamilie van haar kleindochter. Zij liet haar man 18.500 gulden na.

Een bedachtzame ‘bestemoer’

De brieven van Wtenbogaert wekken de indruk dat hij de tegenslag van zijn veroordeling en de daarop volgende ballingschap niet te boven kwam. Hij zweeg echter over de manier waarop Maria het langdurige verblijf buitenslands en de moeilijke jaren na de clandestiene terugkeer beleefde. Zeker is dat zij het moeilijk had, maar bereidwillig genoegen nam met een leven in dienst van haar man. Deze omschreef haar dan ook als het ‘allergetrouwste gezelschap mijner afflictiën’ (Brieven, dl. 2/2, 395). Door tegenslagen wijs geworden, weigerde zij echter risico’s te nemen en ook Wtenbogaert moest zich hiernaar schikken. In de netelige kwestie van zijn terugkeer uit ballingschap had zij een beslissende stem, althans volgens Episcopius. Op 26 augustus 1626 schreef deze aan zijn op Loevestein gedetineerde collega Petrus Cupus dat ‘bestemoer’ (: grootmoeder) Maria een voor de remonstranten broodnodige repatriatie van haar man zou kunnen tegenhouden: ‘Ik vrees alleen dat Bestemoer, die de versaagdheid zelve is, daarmee niet zal willen instemmen’ (Tideman, ‘Een brief’,316-317). Volgens deze brief was Maria Petitpas de angstvalligheid zelve. Dat neemt niet weg dat haar levensloop model kan staan voor de toewijding waarmee een zeventiende-eeuwse predikantsvrouw zich voor haar echtgenoot inzette.

Naslagwerken

BLGNP; NNBW.

Archivalia

  • Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), Bijzondere Collecties: Coll. Remonstrantse kerk, sign. A 37 (brief van Maria Petitpas aan Rem Bisschop).
  • Universiteitsbibliotheek Leiden: BPL 293B (brief van Simon Episcopius aan Petrus Cupus).
  • Stadsarchief ’s-Hertogenbosch: OSA, inv.nr. R 1549, Schepenakten, fol. 212-213, dd 29-5-1637 (akte betr. stuk land, met informatie over ouders Maria Petitpas).

Literatuur

  • J. Wtenbogaert, Johannis Wtenbogaerts leven, kerckelijcke bedieninghe ende zedighe verantwoordingh (z.p. 1645).
  • H.C. Rogge, Johannes Wtenbogaert en zijn tijd, 3 delen (Amsterdam 1874-1876).
  • Brieven en onuitgegeven stukken van Johannes Wtenbogaert, 3 delen, 7 banden, H.C. Rogge ed.(Utrecht 1868-1875).
  • B. Tideman, ‘Een brief van Episcopius’, Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis 2 (1903) 313-318 [Tideman spreekt van ‘vulhaestheyt’, een niet-bestaand woord. Controle van het Leidse handschrift leert echter dat Episcopius het had over ‘vertsaechtheyt’, ofwel versaagdheid (angstvalligheid)].
  • B. Tideman, ‘Het huis van Johannes Wtenbogaert te ’s-Gravenhage’, Die Haghe (1903) 1-17.
  • B. Tideman, ‘De remonstranten te ’s-Gravenhage in de 17e eeuw’, Die Haghe (1903) 18-61.
  • B. Tideman, ‘De vrouw van Johannes Wtenbogaert. Eene 17de eeuwsche ‘Bestemoer’’, Oud-Holland 26 (1908) 141-144.
  • W. Sarmenhaus, Die Festsetzung der niederländischen Religionsflüchtlinge im 16. Jahrhundert in Wesel und ihre Bedeutung für die wirtschaftliche Entwickelung dieser Stadt (Wesel 1913) 46, 71.
  • Briefwisseling van Hugo Grotius, 17 delen, P.C. Molhuysen e.a. ed. (Den Haag 1928-2001).
  • A. van Houten, Kerk aan de laan. Geschiedenis van de Remonstrantse broederschap te ’s-Gravenhage en omstreken (Hilversum 1996) 47-62.
  • L. Schade van Westrum, Haagse vrouwen in zeven eeuwen (Den Haag 1998) 50-66.

Illustratie

Portret (olieverf op paneel) uit het atelier van Michiel Jansz. van Mierevelt, 1637 (Rijksmuseum Amsterdam).

Auteurs: Fernie Maas en Henk Nellen 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 180

laatst gewijzigd: 13/01/2014