Peijpers, Johanna Annie (1928-2008)

 
English | Nederlands

PEIJPERS, Johanna Annie, vooral bekend als Ankie Peypers (geb. Amsterdam 29-9-1928 – gest. Cahors, Frankrijk 24-10-2008), dichteres, schrijfster en journaliste. Dochter van Frederik Cornelis Peijpers (1906-1983), verzekeringsagent, en Trijntje Klerk (1904-1975). Ankie Peypers (1) trouwde op 15-7-1952 in Amsterdam met Marius Hoving (1927), musicus; (2) had na scheiding (1987) een langdurige relatie met An Dekker (1932-2012), beeldend kunstenares. Uit huwelijk (1) werden drie kinderen geboren.

Ankie Peypers groeide op in Amsterdam als middelste in een gezin met vier dochters en één zoon. Haar vader was een verzekeringsagent die thuis graag schilderde. Zodra ze kon lezen en schrijven, maakte Ankie gedichten en was ze dol op het voordragen van poëzie. Ze ging naar de hbs, maar moest in de Hongerwinter van school en haalde na de oorlog in de avonduren haar diploma. In 1946 publiceerde ze haar eerste dichtbundel: Zeventien (1946). De bundel kwam uit bij de kleine uitgeverij De Blauwe Lucht en bleef onopgemerkt. Een jaar later begon ze als au-pair, eerst in Zwitserland en erna in Parijs. Ze las Franse dichters als Rimbaud, Baudelaire en Verlaine en omarmde het existentialisme van Sartre en Camus en hun verzet tegen burgerlijkheid en geweld.

Schrijverschap

In 1950 vond Peypers werk in Amsterdam: ze deed de boekhouding voor een kolenboer. ’s Avonds was ze te vinden op het Leidseplein, tussen schrijvers en kunstenaars, onder wie de musicus Marius Hoving en de glazenier Laurens Bleeker, die haar in contact bracht met Vasalis en Gilles Pieter de Neve van uitgeverij Contact. Ze werkte voor het socialistische tijdschrift De Vlam en Het Vrije Volk en schreef gedichten in Libertinage en de Kroniek voor Kunst en Cultuur. Haar dichtbundel October (1951) bij uitgeverij Contact werd als haar debuut ontvangen en kreeg lovende recensies. Peypers bewonderde de Vijftigers, maar liet zich ook inspireren door vrouwelijke dichters als Ellen Warmond, Nel Noordzij en Hanny Michaelis.

Op 23-jarige leeftijd trouwde Ankie Peypers met Marius Hoving. Ze kregen drie kinderen: Sander (1953), Isabel (1955) en Erik (1957). Begin jaren zestig werkte ze mee aan het populaire AVRO-televisieprogramma Hou je aan je woord, met vakgenoten Victor van Vriesland, Hella Haasse en Godfried Bomans. Intussen bleef ze dichten: tot eind jaren zestig verscheen er om de paar jaar een dichtbundel. In haar poëzie lag de nadruk op het zoeken naar vrijheid, existentialistische zelfverkenning, de taal als (ontoereikend) communicatiemiddel en het (vergeefs) pogen de ander te doorgronden. ‘Mensen leven in codes van genegenheid, waarin ze elkaar niet kennen’, zei ze eens (Wijgh). Die pessimistische kijk op menselijke relaties sprak ook uit haar romandebuut Geen denken aan (1961). Voor deze roman kreeg ze in 1962 de Anne Frank-prijs.

In 1965 verhuisde Ankie Peypers met haar gezin naar Velp bij Arnhem, waar haar man lesgaf aan het Conservatorium. Ze werd in die tijd actief op maatschappelijk gebied. Vanaf 1968 was ze docente verbale expressie aan de Sociale Academie in Driebergen en gaf lezingen en schrijf- en poëzieworkshops door het hele land. Ook als dichteres en schrijfster richtte ze haar blik naar buiten. ‘Het katalogiseren van de eigen gegevens was zo’n beetje volbracht’, zei ze erover (Wijgh). In haar roman De vallei van Obermann (1969), over de vervreemding van de mens binnen een prestatiemaatschappij, ontbrak voor het eerst de zelfverkenning en in Drempel van ontheemden (1971), een zevendelig lyrisch, episch gedicht over de verschrikkingen van fabrieksarbeid, wordt haar politieke engagement duidelijk.

Engagement

In 1976 verscheen Verzamelde Gedichten, voorlopig Peypers’ laatste publicatie. Ze koos steeds vaker positie tegen onrechtvaardigheid in welke vorm dan ook. Zo werd ze dat jaar gekozen tot voorzitter van PEN Centrum Nederland, een organisatie die zich inzet voor verdrukte schrijvers, werd voorzitter van de net opgerichte Werkgroep Derde Wereld en was in 1977 een van de oprichters (en tot 1986 voorzitster) van het Centrum voor Chileense Cultuur, een uitvloeisel van haar PEN-contacten met verbannen schrijvers uit Chili. Ook gaf ze dichtlessen aan TBS’ers in de Van Mesdagkliniek in Groningen.

Peypers’ engagement en literaire werk kwamen in de jaren tachtig vooral in het licht te staan van het feminisme. Ze woonde toen weer in Amsterdam, gescheiden van haar man. In 1981 stond ze mede aan de wieg van de ‘vrouwenboekenkrant’ Surplus. Ze publiceerde de feministische gedichtenbundel Voor en tegen mensen (1982) en de roman Met welke maten (1983), over een vrouw die zich probeert te ontworstelen aan de dominante ‘vaderwereld’ en ‘vadertaal’. In de door Peypers samengestelde bloemlezing Mijn naaste naaste. Gedichten van moeders van dochters (1987) vestigde ze de aandacht op het specifieke van vrouwenliteratuur. Eind jaren tachtig was Ankie Peypers vaste medewerkster van de Humanistische Omroep. Ze verhuisde naar Zaandam, waar ze vanaf 1992 samenwoonde met kunstenares An Dekker. Eind 1997 gingen zij in Noord-Frankrijk wonen.

In 1999 verscheen voor het laatst een gedichtenbundel van Ankie Peypers: Op even dagen even leven, met oud, niet eerder gepubliceerd werk. Met nieuw werk kwam ze niet meer, behalve in 2000, toen ze op 4 mei in de Nieuwe Kerk in Amsterdam het ter gelegenheid van de dodenherdenking geschreven gedicht De vrijheid kwam in het voorjaar voordroeg: ‘…kijk maar we vieren haar/ ze kwam kapot en in tranen/ ze had oorlog onder de leden/ je kon niet geloven/ dat komt ze te boven/ haar lauwerkrans was voor doden…’. Vijf jaar later verhuisde ze met Dekker naar de omgeving van Cahors. Daar overleed Ankie Peypers op 24 oktober 2008 na een kort ziekbed in een ziekenhuis. Ze werd tachtig jaar. ‘Tot het laatst verliefd op woorden’ stond er in de rouwadvertentie.

Waardering

Het werk van Peypers werd door literaire critici vaak positief ontvangen. Bij het brede publiek was Ankie Peypers, ondanks haar televisieoptredens, als dichteres en schrijfster niet erg bekend. Vanaf de jaren tachtig trok vooral het feministische aspect van haar werk de aandacht. Elly de Waard noemde haar de voorloopster van de Nieuwe Wilden, een literair collectief van dichteressen (1985-1989), dat Peypers in 1987 uitriep tot ‘Erewilde’ (Amerens, 17). Literatuurwetenschapper Maaike Meijer herkende in Peypers’ vroege gedichten een ‘pre-feministisch onbehagen’ of zelfs rebellie (Meijer, 180).

 

Naslagwerken

Atria; Van Bork/Verkruijsse; Kritisch Lexicon.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten.
  • Atria: biografiemap.

Publicaties

  • October (Amsterdam 1951).
  • Geen denken aan (Amsterdam 1961).
  • De vallei van Obermann (Amsterdam 1969).
  • Drempel van ontheemden (Amsterdam 1971).
  • Verzamelde gedichten (Amsterdam 1976) [met de bundel Gehoorzaam, leerzaam (1975)].
  • Voor en tegen mensen (Baarn 1982).
  • Met welke maten (Baarn 1983).
  • Mijn Naaste Naaste, gedichten van moeders van dochters (Amsterdam 1987).
  • Gedichten 1951-1975 (1991) [herdruk met voorwoord van Maaike Meijer].
  • Op even dagen even leven, gedichten (1999).

Een uitgebreid overzicht van het werk van Ankie Peypers is te vinden in de bijdrage van Petra Veeger over Peypers in het Kritisch Lexicon (1989) A1.

Literatuur

Afgezien van necrologieën in Trouw, Het Parool en de Volkskrant:

  • Hanneke Wijgh, ‘Ankie Peypers “Ik denk dat ik met lege handen sta als ik alleen aan politiek zou doen”’, De Nieuwe Linie, 2-6-1976, 3 [interview].
  • Tini Visser, ‘Ankie Peypers. Dichten vanuit je wortels’, De Nieuwe Linie, 10-1-1979, 8-10.
  • Lejo Siepe, ‘Ankie Peypers en de veerkracht van de taal’, De Waarheid, 16-6-1984 [interview].
  • Amarens, ‘Ankie Peypers: portret van een strijdbaar dichteres’, Mooswief 43 (1988) 15-20 [interview].
  • Maaike Meijer, De lust tot lezen. Nederlandse dichteressen en het literaire systeem, hfdst. 9 (Amsterdam 1988).
  • Ida Boelhouwer, ‘Je kunt niet dichter bij iemand komen dan uit haar getuimeld te zijn. Ankie Peypers over de ballast van het dochterschap’, Surplus 2 (1988) nr. 4, 9.
  • Marleen Slob en Peter Steenkamer, ‘Beiden verlangen we, dat zij kon spreken. Het pre-feministisch onbehagen van de vroege Ankie Peypers’, bron onbekend, knipselarchief Atria (1991) [interview].
  • Remco Ekkers, ‘Ankie Peypers. De onaantastbaarheid van de liefde’, Poëziekrant 15 (1991).
  • Aleidis Dierick, ‘Nederlandse dichteressen altijd op reis?’, Poëziekrant 16 (1992).
  • Margriet Prinssen, ‘Waar ze schrijft, stroomt het: de geologie van Ankie Peypers’, Surplus 6 (1992) nr. 2, 4-5, 10.
  • Maartje Somers, ‘Poëzie als wapen is geen loze kreet’, Het Parool, 10-4-1992.
  • Maartje Somers, ‘Uit de kast’, Het Parool, 28-5-1999.
  • DJA, ‘Wonen tussen walm en workum’, VPRO-gids, 15-6-2000.

Illustratie

In bestelling.

 

Auteur: Marie-Cécile van Hintum

laatst gewijzigd: 17/10/2017