Ploeg, Elly Corry van der (1923-2013)

 
English | Nederlands

PLOEG, Elly Corry van der, vooral bekend als Ellen van der Ploeg (geb. Den Haag 14-1-1923 – gest. Oss 6-2-2013), slachtoffer Japanse dwangprostitutie, trad hier als een van de weinigen in Nederland mee naar buiten. Dochter van Frits Constant van der Ploeg (1895-1943), graficus, winkelier en reserve-luitenant, en Geertruida Frederika Timboling (1898-1984). Ellen van der Ploeg trouwde op 15-7-1953 in Den Haag met Henri Davy Frankfort (ca. 1899-1978). Dit huwelijk, op 9-9-1963 in Den Haag ontbonden, bleef kinderloos.

Ellen van der Ploeg was de oudste van drie in een ‘gemengd’ gezin: vader Frits van der Ploeg was een Arnhemmer die zijn geluk had gezocht in Nederlands-Indië, moeder Truus Timboling – een naam die ze vlak voor haar huwelijk kreeg toegewezen (Bataviaansch Nieuwsblad, 23-12-1919) – was geboren in Soerabaja en daar bij de zusters ursulinen opgegroeid. Ellen werd in Den Haag geboren, de stad waar haar grootouders van vaders kant op dat moment woonden. Ellens zus (1926) en broer (1930) kwamen in Soerabaja ter wereld. In Djember (Jember), een plaats op Oost-Java, begonnen de ouders van Ellen een winkel in van alles en nog wat, van levensmiddelen tot garen en band. Op haar dertiende ging Ellen in Semarang naar de hbs – ze kwam er bij kennissen van haar ouders in de kost.

Gedwongen prostitutie

Begin 1942, na het behalen van het diploma hbs-a, kreeg Ellen haar eerste baan in Soerabaja, maar haar vader vond dat ze die vanwege het uitbreken van de oorlog moest opzeggen de familie moest in tijden van nood bij elkaar zijn. Ellen vond een baan in Djember. Haar vader moest als reservist opkomen en werd kort na de capitulatie (8-3-1942) krijgsgevangen gemaakt. De Japanse bezetter liet moeder en kinderen aanvankelijk ongemoeid, maar in maart 1943 kreeg het gezin Van der Ploeg te horen dat de kinderen geïnterneerd zouden worden. Moeder Truus hoefde niet omdat ze van geboorte geen Nederlandse was, maar ging vrijwillig mee. Na twee weken met andere opgepakte Nederlanders in een autoshowroom te zijn vastgehouden, kwamen ze na een barre tocht aan in Halmaheira, een als interneringskamp ingerichte wijk in Semarang. Met duizenden vrouwen en kinderen zat Ellen van der Ploeg daar gevangen tot ze in februari 1944 met veertien andere jonge vrouwen werd geselecteerd: ze mocht haar koffer pakken en zou, zo ging het verhaal, administratief werk gaan doen of een baan krijgen in een sigarettenfabriek.

Ellen van der Ploeg – op dat moment 21 jaar – en de anderen waren blij dat ze het kamp mochten verlaten. ‘Erger dan het kampleven kon het niet worden’, dachten ze (gecit. Goos, 69). Maar toen ze werden opgesloten in een herenhuis in een chique wijk van Semarang, begrepen ze dat ze in een bordeel terecht waren gekomen. Drie maanden lang moest Ellen van der Ploeg iedere avond en nacht officieren ontvangen, en op zondag – in een ander huis – een lange reeks gewone soldaten. Van der Ploeg, zo vertelde ze later, ging altijd gekleed op bed liggen, liet de mannen begaan en trad uit zichzelf om er niet bij te zijn. Ze hoefde niet bang te zijn voor zwangerschap want door de honger was haar menstruatie opgehouden. Al die maanden droeg ze dezelfde witte jurk, bedrukt met groene varens. Toen het bordeel eind mei 1944 op last van de Japanse inspectie werd gesloten en de vrouwen met een bus werden teruggebracht naar Halmaheira, gooide ze de jurk uit het raam.

De Japanse bezetter concentreerde de gezinnen waarvan ze een dochter hadden gebruikt eerst in het kamp Kota Paris in Bogor (het vroegere Buitenzorg), en later in Kramat (Djakarta). Bij aankomst bleek dat er al een groep vrouwen vrouwen woonde die vrijwillig prostitutie met de Japanners hadden bedreven. De ‘troostmeisjes’ – een Japans eufemisme waar Van der Ploeg altijd bezwaar tegen heeft gemaakt – zaten in een aparte afdeling en werden als het ergste uitschot behandeld. Niemand sprak over hun ervaringen. Alleen aan haar moeder heeft Van der Ploeg summier kunnen vertellen wat ze had meegemaakt. Zij gaf het advies te zwijgen en alles zo snel mogelijk te vergeten.

Gevoelloos op bevel

Eind augustus 1945 werd het kamp bevrijd, en kwam het nieuws dat vader Van der Ploeg in 1943 was omgekomen toen het Japanse transportschip waarop hij met 539 andere krijgsgevangenen zat, door de geallieerden werd getorpedeerd. Enkele weken na hun bevrijding werden de Van der Ploegs opnieuw geïnterneerd – nu door Indonesische nationalisten. Na een jaar kwamen ze vrij. Voor ze het land verlieten, regelde moeder Van der Ploeg een schriftelijke verklaring van een hoge militaire instantie in Djakarta dat haar dochter tot prostitutie gedwongen was geweest. Ellen van der Ploeg heeft dit schriftelijke bewijs van haar oorlogsverhaal nooit gebruikt, maar wel altijd als een aandenken bij zich gehouden.

In 1946 ‘repatrieerden’ de Van der Ploegs. Ze woonden korte tijd in bij de broer van Ellens vader in Den Haag, daarna in een opvangpension en tenslotte in een bovenwoning in de Haagse Obrechtstraat. Ellen vond een kantoorbaan en liep een jaar lang bij een gynaecoloog vanwege een in het bordeel opgelopen geslachtsziekte. De omstandigheden waaronder ze die had opgelopen, kwamen nooit ter sprake. In 1953 trouwde ze met een man die twintig jaar ouder was en als Joodse onderduiker de oorlog had overleefd. Een ‘vaderfiguur’, aldus Van der Ploeg later, en ‘making love kon ik niet’ (gecit. Goos, 78). Na tien jaar ging het paar op instigatie van Van der Ploeg uit elkaar. Wrang was dat ‘de grote leugen’ van overspel nodig was om het huwelijk te kunnen ontbinden. Van der Ploeg keerde terug naar het huis van haar moeder in de Obrechtstraat.

Pas toen Ellen van der Ploeg in 1964 opnieuw bij een – dit keer vrouwelijke – gynaecoloog kwam vanwege baarmoederhalskanker, kon ze praten over haar ervaringen. Ze werd directiesecretaresse bij uitgeverij Bruna in Utrecht en verhuisde naar een appartement in Zeist, waar haar moeder later bij haar introk. Toen drie Koreaanse vrouwen begin jaren negentig naar buiten kwamen met hun verhalen over gedwongen prostitutie en de Nederlands-Australische Janny O’Herne, die in hetzelfde bordeel had gezeten als Van der Ploeg, als eerste westerse vrouw het zwijgen verbrak, besloot ook Van der Ploeg in de openbaarheid te treden. Ze getuigde voor de Verenigde Naties, diverse mensenrechtenorganisaties en in 1994 ook in Japan zelf. In 1995 maakte ze samen met journalist Jos Goos een boek over haar oorlogservaringen: Gevoelloos op bevel. Tot op hoge leeftijd voerde ze strijd voor erkenning van wat haar en vele andere vrouwen was aangedaan. Geld heeft ze nooit willen accepteren. Ze wilde excuses van de Japanse regering, en die heeft ze nooit gekregen.

Na haar pensionering verhuisde Ellen van der Ploeg naar Terneuzen (waar haar broer een flat voor haar had geregeld), en later naar een project voor Indische Nederlanders in Houten. Vanaf 2010 woonde ze in een zorginstelling in Oss, waar ze op 6 februari 2013 stierf, in de ouderdom van negentig jaar.

Archivalia

Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: Persoonskaarten Ellen van der Ploeg en Truus Timboling.

Literatuur

Illustratie

Ellen van der Ploeg, door Jan Banning, 2007 (Hollandse Hoogte).

Auteur: Els Kloek

laatst gewijzigd: 21/07/2016