Ponderus, Maria (1672-1764)

PONDERUS, Maria, ook bekend als Mevrouw van Aerden (geb. Monster 27-1-1672 – gest. Den Haag 20-4-1764), stichteres van een hofje. Dochter van Antonius Ponderus (1642-1713), chirurgijn, praeceptor van de Latijnse School, en Françoise van Barthem (1640-1715). Maria Ponderus trouwde in 1692 in Den Haag (ondertrouw 1-6-1692) met Pieter van Aerden (1643-1719), notaris en procureur. Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 2 zoons geboren.

De naam van Maria Ponderus is voor het nageslacht bewaard gebleven als Mevrouw van Aerden, stichteres van het Hofje van Aerden in Leerdam. Verder is over haar nauwelijks iets bekend. Uit haar huwelijk met de bijna dertig jaar oudere weduwnaar Pieter van Aerden werden drie kinderen geboren: Maria (1693), Maurits (1694) en Pieter (1698), allen gedoopt in de woonplaats van het gezin, Den Haag. Haar man moet culturele belangstelling gehad hebben: hij bezat een bescheiden schilderijenverzameling en een schelpenkabinet.

Maria Ponderus overleefde niet alleen haar echtgenoot, maar ook al haar kinderen: beide zoons overleden kinderloos in Indië, haar dochter werd in 1740 begraven, eveneens zonder kinderen na te laten. In 1742 woonde de weduwe Van Aerden, waarschijnlijk met twee dienstboden, in de Vlamingstraat. Het schelpenkabinet van haar man verkocht zij in 1764, zijn zeventiende-eeuwse schilderijencollectie kwam uiteindelijk terecht in het hofje dat zij zou laten oprichten.

Maria van Aerden-Ponderus werd een week na haar overlijden bijgezet in het familiegraf in ’s-Gravenzande. Zoals in haar testament bepaald, was zij de laatste van de familie die in dat graf een plaats kreeg, naast haar ouders, haar man en haar dochter.

Postume filantropie

Maria Ponderus had bij het overlijden van Pieter van Aerden in 1719 een omvangrijk kapitaal geërfd. Die erfenis, zo blijkt uit haar testament, zag zij als ‘gaven die God mij zo onverdiend gegeven heeft’. Waarom zij besloot haar kapitaal voornamelijk een filantropische bestemming te geven, is eveneens vastgelegd in haar testament: ‘De reden dat ik tot het stichten van een hofje overga, is dat alle families armen en rijken onder hun geslacht hebben en dat na de dood mijner kinderen zich hebben opgedaan [: naar voren zijn gekomen] enige burgerlijke mensen die voorgeven zo van mijn familie als van die van mijn man zaliger te zijn, schoon zeer ver’. Hen wilde zij laten delen in genoemde ‘gaven’, al had zij zich tijdens haar leven kennelijk niet geroepen gevoeld de familierelaties uit te (laten) zoeken.

Het hofje was in de eerste plaats bedoeld voor vrouwelijke familieleden, die de familierelatie wel eerst moesten bewijzen. Daarnaast kwamen ook ‘vreemden’, niet-familieleden, in aanmerking. Allen moesten zij ‘belijdenis doen van de ware gereformeerde Religie’. De bewoonsters zouden een kleine toelage krijgen, alsook brandstof (turf). Aanvankelijk zou het hofje in Den Haag komen te staan, op een stuk grond ‘benoorden de Maliebaan’ dat ook deel uitmaakte van de nalatenschap. De bij testament aangewezen regenten van het hofje kozen echter, met toestemming van de Staten van Holland, Leerdam als plaats van vestiging (waarschijnlijk omdat daar de meeste familieleden woonden). Het door de Brielse bouwmeester C.P. Timmermans ontworpen complex werd in 1770 gebouwd en dient tot op heden als hofje. Ook de schilderijencollectie van haar man, volgens Maria Ponderus’ testamentaire beschikking in de regentenkamer ondergebracht, is er nog altijd in haar geheel te bezichtigen. Omdat de collectie nog steeds is zoals Pieter van Aerden die bijeen heeft gebracht, weerspiegelt zij op unieke wijze de smaak van een eind-zeventiende-eeuwse collectioneur. Een van de weinige toevoegingen van Maria Ponderus aan de collectie, een portret van haar in 1746 overleden oudste zoon Maurits, hangt eveneens nog in het Hofje van Aerden.

Naslagwerken

Van der Aa.

Archivalia

Haags Gemeentearchief: Notarieel Archief, inv. nr. 3843, d.d. 23-4-1764, met tekst testament d.d. 16.12.1761.

Literatuur

  • ‘De rijkdom van ’s-Gravenhage in 1742’, Algemeen Nederlandsch Familieblad 47 (18-10-1883) 5 e.v.
  • G.J.J. van Wimersma Greidanus, ‘Genealogische onderzoekingen rondom het Hofje van Mevrouw van Aerden’, De Nederlandsche Leeuw 79 (1962) 3-15.
  • Hendrik Engel’s Alphabetical list of Dutch zoological cabinets and menageries, P. Smit e.a. ed. (Amsterdam 1986) nr. 1201.
  • De schilderijen van het Hofje van Aerden te Leerdam (z.p. z.j.[ca. 1977]) [informatiefolder annex catalogus uitgegeven door het Hofje].
  • Catharina L. van Groningen, De Vijfheerenlanden met Asperen, Heukelum en Spijk (’s-Gravenhage 1989) 319-324 [over de (bouw)geschiedenis van het hofje].
  • www.absofacts.com/kastelen

Illustratie

Portret, door anonieme kunstenaar ca. 1700 (Hofje van Aerden, Leerdam).

Auteur: Anna de Haas

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 412

laatst gewijzigd: 13/01/2014