Poppema, Bauck (?-1501)

POPPEMA, Bauck, ook bekend als Bauck Foppesd. van Popma en Bauck Hemmema (geb. Terschelling ? – gest. Berlikum, Friesland? 1501), heldin van de verdediging van Hemmemastate. Dochter van Foppe Popma en Wilsck Aedesd. Gerbranda. Bauck Poppema trouwde met Doeke Hettes Hemmema (gest. 1503), hoofdeling te Berlikum. Uit dit huwelijk werden meerdere kinderen geboren, van wie 1 dochter en 1 zoon de volwassen leeftijd bereikten.

Bauck Poppema groeide op als een van de vijftien kinderen van Foppe Popma, hoofdeling op Terschelling, en Wilsck Aedesd. Gerbranda. Drie van haar zusters traden toe tot het vrouwenklooster Sion bij Dokkum. Zelf trouwde Bauck Poppema met Doeke Hettes Hettema. Het paar bewoonde Hemmemastate, een door zware aarden wallen, bolwerken en een gracht omgeven stins (stenen huis of woontoren) vlakbij Berlikum. Het was de tijd van de partijtwisten tussen de Schieringers en Vetkopers, en Baucks echtgenoot behoorde tot de Schieringer partij.

In augustus 1496 speelde Bauck Poppema een rol in deze strijd. Een aantal Schieringer hoofdelingen had in de zomer van dat jaar verscheidene aanvallen gedaan op Vetkoperse doelen, en daarvoor wilden de Vetkopers zich revancheren. Toen Doeke Hemmema voor overleg met zijn partijgenoten in Franeker verbleef, vielen de Groninger bondgenoten van de Vetkopers Hemmemastate aan. Op dat moment bevonden zich alleen Bauck, die zwanger was, haar zwager Alef Hemmema en twintig – volgens Worp van Thabor 25 – soldaten op de stins. Eerst bestookten de Groningers de aarden wal met bussen (kanonnen), maar zonder resultaat. De verdedigers schoten gericht terug en wisten zoveel Groningers te doden dat zij de aanval moesten opgeven. Bij de tweede aanval probeerden de aanvallers de stins te naderen door de gracht met hooi te dempen. De bewoners van Hemmemastate schoten daarop het hooi in brand. Opnieuw vielen er onder de Groningers vele slachtoffers: negen wagens vol doden en gewonden werden naar Leeuwarden afgevoerd. De Groningers bleven echter volhouden en probeerden nu met een belegeringswerktuig (een ‘kat’) de stins te veroveren. Alef Hemmema zag kans met drie soldaten ’s nachts door de belegering heen te breken om zijn broer Doeke te hulp te roepen, maar die kwam te laat: op 3 september werd Hemmemastate stormenderhand veroverd door de Vetkopers uit Oostergo, die hun bondgenoten te hulp waren gekomen. Alle soldaten, één uitgezonderd, werden door de veroveraars gedood.

De zwangere Bauck Poppema werd naar Groningen overgebracht, ‘want’, zo schrijft Peter van Thabor, ‘Groningers namen de vrouwen ook gevangen zonder genade’. In de Groningher passie van heer Meynert toe Franeker is haar lot als volgt verwoord: ‘Ze hebben ’t gewonnen met een kat/ Een wijl daarna zij worden gemat [: overwonnen]/ Als zij Do[e]ckes knechten hadden gedaan/ Zijn huisvrouw zat op een wagen gevaan [: gevangen]/ Ende hebben zij gevoerd in hun gebied/ Dus had dat edel wijf groot verdriet’ (118).

In de gevangenis bracht Bauck Poppema een tweeling ter wereld, aldus Winsemius. Worp van Thabor en Schotanus daarentegen vermelden dat ze in de gevangenis ‘een dood kind’ baarde. De oudste bron, Peter van Thabor, zwijgt over Baucks zwangerschap en de geboorte van een of meer kinderen. Wel vertelt hij dat Bauck in mei 1497 vrijkwam door een uitwisseling met de Vetkoper Tjalling Lieuwes (Jellinga), die door de Schieringsgezinde Franekers gevangen werd gehouden.

Reputatie

Bauck Poppema is in de historiografie een exempel geworden van de ‘moedige mannin’, de edele, heldhaftige Friese hoofdelingen­vrouw. Tegelijkertijd wordt haar lot genoemd als voorbeeld voor de grote wreedheid waarmee de partijstrijd tussen Schier en Vet werd uitgevochten. Gabbema is de eerste die haar een belangrijker rol bij de verdediging van Hemmemastate toedicht dan haar op basis van de zestiende-eeuwse bronnen toekomt: Bauck zou de aanvoerster van de verdediging zijn geweest. Wassenbergh vergelijkt haar met Jeanne Hachette, een Franse heldin uit de vijftiende eeuw, en met Kenau Simonsdr. Hasselaer. Ook Baucks behandeling in de gevangenis wordt met verzonnen details door Wassenbergh ingekleurd: toen Bauck in de gevangenis weeën kreeg, zouden de Groningers geweigerd hebben de ijzeren boeien waarmee ze was vastgeketend, los te maken. Ze kreeg geen enkele hulp bij de bevalling en het had weinig gescheeld of de tweeling had de geboorte niet overleefd.

Naslagwerken

Van der Aa [onder Doeke Hemmema]; A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden 5 (Gorinchem 1851); M. de Haan Hettema en A. van Halmael jr., Stamboek van den Frieschen vroegeren en lateren adel, 2 delen (Leeuwarden 1846).

Literatuur

  • Peter Jacobsz. van Thabor, Historie van Vrieslant [1ste helft 16de eeuw], H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt ed. (1824; facs. uitg. Leeuwarden 1973) 100-101 en 111-124 [Meynert toe Franeker, ‘Groningher passie’].
  • Worp Tyaerda van Rinsumageest, Vierde boek der kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw [16de eeuw], Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde ed. (Leeuwarden 1850) 254-256.
  • Pierius Winsemius, Chroniqve ofte historische geschiedenisse van Vrieslant beginnende vanden jaere nae des werelts scheppinghe 3635 ende loopende tot den jaere nae de gheboorte Christi 1622 (Franeker 1622) 339-340.
  • Christianus Schotanus, Beschryvinge ende chronijck vande heerlickheydt van Frieslandt tussen ’t Flie en de Lauwers (Franeker 1655) 273.
  • S.A. Gabbema, Verhaal van de stad Leeuwaarden (Franeker 1701) 196-199.
  • Petrus Nota, Tweetal van kerkelyke leerredenen gedaan de eene ter inwijinge van de nieuw gebouwde kerk te Berlikum, en de andere ter inwijinge van het nieuwe orgel in gemelde kerk opgerigt, benevens een aanhangsel, betreffende de oudheden en voornaamste gebeurtenissen van den dorpe Berlikum (Franeker 1781) 88-92.
  • A. Wassenbergh, ‘Bauck Hemmema’, Friesche Volks-almanak 1 (1836) 12-19.
  • Waling Dijkstra, ‘Bauk Poppema’, De Friske Hûsfrjeun (1852) 135-137.

Auteur: Martha Kist

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 59

laatst gewijzigd: 13/01/2014