Portnoy, Ethel (1927-2004)

 
English | Nederlands

PORTNOY, Ethel (geb. Philadelphia, VS 8-3-1927 – gest. Den Haag 25-5-2004), schrijfster. Dochter van Joseph Portnoy (1894-na 1945), arbeider, en Esther Wiener (1906-?). Ethel Portnoy trouwde op 28-7-1951 in Arcueil (Frankrijk) met Herman Rudolf Kousbroek (1929-2010), schrijver en journalist. Uit dit huwelijk, op 3-8-1988 in Den Haag ontbonden, werden 1 dochter en 1 zoon geboren.

Ethel Portnoy werd geboren in Philadelphia als oudste dochter van niet-religieuze Russisch-Joodse immigranten; ze groeide op in New York. Haar vader, een zwijgzame, ooit verwachtingsvolle gymnasiast uit Kiev, werkte onder zijn niveau als textielarbeider, haar Poolse moeder was een exuberante ‘jiddische memme’. Het gezin – Ethel had een zeven jaar jongere broer – woonde tussen de (Joodse) immigranten in een piepklein appartement in The Bronx Park East. In die boomrijke omgeving kon Ethel zich als kind in de jungle wanen, maar ze verslond ook boeken. Op haar veertiende wist ze dat ze schrijfster wilde worden nadat een opstel over haar eerste zoen bij klasgenoten was ingeslagen als een bom – die ervaring zou ze later beschrijven in ‘De eerste zoen’ (1992). Op de middelbare school sloeg Ethel twee klassen over en als zestienjarige ging ze naar het Hunter College for Women in Manhattan: een chique meisjesschool waar strenge discipline en toewijding heersten. In Wisconsin, Madison, studeerde ze vervolgens Engelse taal- en letterkunde en behaalde ze op haar 22ste haar diploma.

Parijs

Aangemoedigd door Franse literatuur en films als Le sang d'un Poète (1930) van Jean Cocteau verhuisde Ethel Portnoy in 1950 naar Parijs, het artistiek-intellectuele centrum van de wereld. Ze had een Fulbright-beurs om de Europese decadente literatuur te bestuderen, maar verbreedde haar intellectuele horizon met een studie archeologie en colleges culturele antropologie en semiologie bij Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes. Ze verkeerde in kringen van de Cobra-schilders en Nederlandse ‘Vijftigers’ als Lucebert, Simon Vinkenoog en Rudy Kousbroek, haar latere echtgenoot.

Na hun huwelijk in 1951 woonden Ethel Portnoy en Rudy Kousbroek in de Boulogne-Billancourt, een arme wijk aan de rand van de stad. Ze kregen twee kinderen: Hepzibah (1954-2009) en Gabriël (1964). Portnoy werd kostwinner en had vanaf 1951 een veeleisende baan bij de UNESCO, waarvoor ze congressen organiseerde en veel op reis was. Dat strakke stramien hield ze na tien jaar voor gezien. Al die tijd had ze geschreven, maar ze achtte haar werk niet rijp voor publicatie. Pas eind jaren zestig, na een seminar van Roland Barthes over retoriek, vond ze in de ik-vorm een authentieke literaire stem, zoals in haar eerste autobiografische verhaal: Melk, over haar borstvoedingsperikelen na de geboorte van haar zoon (Lockhorn, 105).

Vertelster van Steen en Been

In 1970 verhuisde Ethel Portnoy met haar gezin naar Den Haag. Een jaar later, op haar 44ste, debuteerde ze bij Meulenhoff met de verhalenbundel Steen en been en andere verhalen (1971), met onder meer Melk. Het was het eerste boek van de in totaal ruim 25 die ze hierna zou schrijven – steeds in het Engels en daarna (meestal door haar dochter) vertaald in het Nederlands. Met eruditie, humor en een minutieus oog voor menselijke verhoudingen en de merkwaardige kantjes van het leven, dat ook haar latere werk zou typeren, schreef ze over onderwerpen als een archeologische expeditie (het titelverhaal) en de studentenrevolte in Parijs. Kort na elkaar verschenen er meer bundels met eigenzinnige, ‘niet door enig taboe gehinderde’ en met passie en distantie geschreven (reis)verhalen en (mini)essays, zoals Vampier, vampier, bijt me nog een keer (1972), De brandende bruid (1974) en Broodje aap (1978) – met de laatste titel, een verzameling eigentijdse griezelverhalen over de folklore van de post-industriële samenleving, brak ze door bij een breed publiek. Ze schreef ook een toneelstuk: Belle van Zuylen ontmoet Cagliostro (1978), columns en talloze artikelen, vaak over vrouwelijke auteurs, in kranten als NRC Handelsblad en in tijdschriften en weekbladen als Haagse Post en Vrij Nederland. Ook was ze redactrice van Maatstaf en medeoprichtster van het feministische tijdschrift Chrysallis (1979).

In 1988, na 37 jaar huwelijk, scheidde Ethel Portnoy van Rudy Kousbroek. Ze bleven goed bevriend en Portnoy koesterde haar vrijheid: ‘Ik leef voor het schrijven’, zei ze later in een interview (Amigoe, 1992). Ze publiceerde het ene na het andere boek, zoals Het ontwaken van de zee (1981), De geklede mens (1986), een studie over onze ‘tweede huid’, en Dromomania. Stiefkinderen van de cultuur (1987) met essays over onderwerpen als griezelfilms, voedseltaboes en Wagner. In het voorjaar van 1987 reisde ze op kosten van creditkaartmaatschappij American Express voor twaalf dagen naar de Sovjet-Unie, de geboortegrond van haar vader. Ze bezocht Moskou, Leningrad (Sint-Petersburg) en Tallinn en verwerkte haar ervaringen in Rook over Rusland (1990). Naast een verslag van de teloorgang van een wereldmacht was het boek de neerslag van Portnoys confrontatie met de vernietiging van het grootste deel van haar familie onder Hitler en Stalin en het vaak treurige lot van Russisch-Joodse emigranten in New York.

Debuutroman

In de jaren negentig waagde Ethel Portnoy zich twee keer aan een roman, maar het schrijven van fictie bleek niet haar sterkste kant. Zo werd haar debuut Altijd zomer (1993) over een Amerikaanse erfgenaam van een Frans kasteel, lauw ontvangen: ‘Het verhaal mist diepte en complexiteit’, aldus Jessica Durlacher in Vrij Nederland en het Nederlands Dagblad bekritiseerde de soms gammele stijl. Portnoy sympathiseerde altijd met het feminisme, zoals in Opstandige vrouwen (1989) en Madonna’s appel (1992), maar was nooit radicaal. ‘Dat zou teveel tijd vergen. Een schrijver, zoals ik, moet observeren’, aldus Portnoy in 1990 (Abrahams). Rond haar 75ste verjaardag verscheen Portret (2002), een autobiografische verhalenbundel over mensen en dieren uit haar jonge jaren met deels al eerder gepubliceerde verhalen als ‘Leven en dood van een gastarbeider’, over haar gedesillusioneerde vader, en ‘De lijstenmaker’, over haar succesvolle Amerikaanse broer: een vermogende ondernemer.

Na een zware operatie in 2002 voelde Ethel Portnoy haar einde naderen, maar bang om te sterven was ze niet. ‘Ik heb echt alles gehad wat een mens kan wensen. Ik kan niet eeuwig op de aardbol blijven’, zei ze kort voor haar dood (Pruis 2002). Ethel Portnoy overleed op 25 mei 2004 in Den Haag aan de gevolgen van kanker, 77 jaar oud. Eerder dat jaar was Parijse feesten (2004) verschenen, haar laatste verhalenbundel.

Waardering

Rode draad in Ethel Portnoys verhalen en essays is volgens critici haar grenzeloze nieuwsgierigheid naar menselijke drijfveren en gedrag. Met de blik van de antropologe en puttend uit een brede culturele bagage beschouwde en analyseerde ze die met ‘nietsontziende eerlijkheid’ (Reitsma 42). In 1991 kreeg Portnoy van het feministische maandblad Opzij de Annie Romeinprijs voor haar gehele oeuvre. De jury roemde haar bijzondere bijdrage aan de essayistiek: ‘Ze paart eigenzinnigheid aan een indrukwekkende belezenheid, eerlijkheid aan helderheid, oog voor de grote lijnen aan een goed oog voor de details, tederheid aan frivolitieit’, aldus de jury (gecit. Teeseling, 12).

Naslagwerken

DBNL; Joden in Nederland.

Publicaties

Een selectie (naast de in de tekst genoemde):

  • Bange mensen. Een Haagse vertelling (Amsterdam 1996) [roman].
  • Portret (Amsterdam 2002) [verhalen].

Literatuur

  • Frans Duister, ‘Ethel Portnoy vertelt van Steen en Been’, De Tijd, 1-12-1971 [recensie].
  • Marja Roscam-Abbing, ‘Een Amerikaanse schrijfster in de Nederlandse provincie’, Cultureel supplement NRC Handelsblad, 13-9-1974.
  • Carel Peeters, ‘Ethel Portnoy 1927’, in: Anton Korteweg en Murk Salverda red.,’t Is vol van schatten hier, deel 2 (Amsterdam 1986) 223-224.
  • Carel Peeters, ‘De intellectueel als hedonist’, in: Idem, Hollandse pretenties (Amsterdam 1988) 92-109.
  • Rudi Wester, ‘Ik ben op mijzelf zo bijzonder, dat niemand een bedreiging voor me is: Ethel Portnoy, een schrijfster die niet klein te krijgen is’, Opzij 16 (1988) nr. 4, 23-25 [interview].
  • Hedy d’ Ancona e.a. red., Vrouwenlexicon. Tweehonderd jaar emancipatie van A tot Z (Utrecht 1989) 303-304.
  • Elisabeth Lockhorn, ‘Ethel Portnoy. Mannen zijn ontzettend lieve dingen’, Geletterde vrouwen. Interviews (Amsterdam 1996) 101-113.
  • Frits Abrahams, ‘Een schrijver heeft een geheime wereld waar niemand mag binnendringen’, NRC Handelsblad, 18-4-1990 [interview].
  • ‘Ethel Portnoy in een land als ieder ander’, Limburgs Dagblad, 16-6-1990.
  • Ingeborg van Teeseling, ‘Ik heb veel te danken aan mijn rigide opvoeding. Annie Romeinprijs voor Ethel Portnoy’, Opzij 19 (1991) nr. 12, 12-15 [interview].
  • ‘Ethel Portnoy is trots op plek aan de zijlijn’, Amigoe, 8-2-1992.
  • Jessica Durlacher, ‘Wat het is om kasteelheer te zijn’, Vrij Nederland, 20-11-1993 [recensie].

  • Anneke Reitsma, ‘Ethel Portnoy en de macht van het woord’, Ons Erfdeel (1993) 42-49.
  • M. Wilcke-van der Linden, ‘Zwakke debuutroman van Ethel Portnoy’, Nederlands Dagblad (30-3-1994) [recensie].
  • Marja Pruis, ‘Ethel Portnoy. Ik schrijf geheimtaal’, De Groene Amsterdammer, 23-3-2002 [interview].
  • Marja Pruis, ‘Elegant en impertinent’, De Groene Amsterdammer, 5-6-2004.
  • Gabriël Kousbroek, Kousbroek (Amsterdam 2013).

Illustratie

Ethel Portnoy, door Corinne Noordenbos, 1982.

Auteur: Marie-Cécile van Hintum

laatst gewijzigd: 14/08/2017