Questiers, Catharina (1631-1669)

QUESTIERS, Catharina (geb. Amsterdam 25-11-1631 – gest. Amsterdam 1-2-1669), toneelschrijfster, dichteres en kunstenares. Dochter van Salomon Davidsz. Questiers (1590-1636), loodgieter, en Elisabeth Jans (1593-1660). Catharina Questiers trouwde in 1664 in Amsterdam (ondertrouw 19-4-1664) met de Leidse koopman Joan de Hoest (1627-1673). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Catharina was de jongste van de zes kinderen Questiers. De familie kwam oorspronkelijk uit het Vlaamse Ieper. Haar vader had een florerende loodgieterij in de Amsterdamse Warmoesstraat. Het nakomertje Catharina werd geboren in het huis ‘Antwerpen’ (nu huisnummer 173), niet ver van de zijdewinkel van Joost van den Vondel. Voorzover bekend was zij katholiek.

Catharina Questiers groeide op in een welvarend milieu. Haar vader was niet alleen ambachtsman, maar ook bestuurslid van de Brabantse rederijkerskamer ‘’t Wit Lavendel’, lid van Costers Academie en schrijver van toneelstukken. Zijn Griecxen Amadis werd vanaf 1625 verschillende keren opgevoerd in de Academie aan de Keizersgracht, de voorloper van de Amsterdamse schouwburg. Net als Catharina schreef ook haar acht jaar oudere broer David gedichten. Het eerste gedicht van Catharina verscheen in 1649, bij de dood van de door haar bewonderde Tesselschade Roemersdr. Visscher – Catharina was toen achttien jaar. Haar ‘lijk-klacht’ werd opgenomen in Jacob Viverius’ Wintersche avonden.

Loftrompet

Catharina Questiers maakte vooral naam als een van de vroegste toneelschrijfsters van de Republiek. Haar eerste toneelstuk, Den geheymen minnaar, was een bewerking op rijm naar een bestaande prozavertaling van het Spaanse blijspel No vieran las mujeres van Lope de Vega. Spaanse stukken waren bijzonder populair in de Republiek vanwege hun spectaculaire actie en liefdesverwikkelingen. Het blijspel ging op 18 januari 1655 in de Amsterdamse schouwburg in première. Questiers droeg het op aan de geleerde en kunstzinnige koningin Christina van Zweden, die Nederlands kende. Het stuk wekte grote bewondering onder haar mannelijke collega-schrijvers. ‘Hoe dat een vrouwen-beeld kan maken zulke vaarzen’, schreef de acteur en toneelschrijver Jan van Daalen in het voorwerk. Ook anderen staken de loftrompet over haar dichtkunst.

Het tweede theaterstuk van de hand van Catharina Questiers, Casimier of gedempte hoogmoet, was wederom een berijmde bewerking uit het Spaans. Niet van Lope de Vega, zoals Questiers zelf meende, maar van Antonio Enrique Gomez (De Jeu, 182). Het Amsterdamse stadsbestuur woonde op 25 oktober 1656 een opvoering bij. De voorstelling was mogelijk extra bijzonder omdat de eerste beroepsactrice hier te lande, Ariana Nozeman, meespeelde. De gedrukte versies van beide toneelstukken illustreerde Questiers zelf met een ets.

De toneelstukken van Catharina Questiers werden diverse malen opgevoerd en haalden goede tot zeer goede recettes. Vermoedelijk was het daaraan te danken dat zij in 1665 het openingsstuk d’Ondanckbare Fulvius en trouwe Octavia mocht schrijven voor de vernieuwde schouwburg, maar het feit dat de schouwburgarchitect Philip Vingboons haar zwager was, zal hierin ongetwijfeld ook een rol hebben gespeeld.

‘ik min mijn vrijheid’

Hoewel Vondel haar in een tekst bij een portret ‘de schone Katharyn’ noemde, was Catharina Questiers verre van knap. Een kennis van Constantijn Huygens omschreef haar in een brief aan hem als ‘de grote dikzak van Amsterdam’ (‘la grosse dondon d’Amsterdam’). De man zat er niet ver naast, gelet op het portret van Adriaen van Ostade (zie illustratie) waarop inderdaad een ton-ronde Catharina Questiers met een brief in de hand staat afgebeeld. Vrijwel alle meisjes Questiers huwden goede partijen. Maria (1614/15-voor 1677) trouwde Hendrik de Goyer, schout van Heemstede, later baljuw en dijkgraaf van het eiland Texel. Petronella (1620/21–1677) trouwde met de bekende Amsterdamse bouwheer Philip Vingboons en Aaltje (1618/19 – 1680) met de notaris Quirijn Spithoff. Catharina zelf zou echter betrekkelijk lang ongetrouwd blijven. Haar motto was: ‘Ik min mijn vrijheid’. Mogelijk speelde haar onafhankelijke financiële positie daarbij een rol. Questiers hoefde niet van haar pen te leven. In 1664 – kort voor haar huwelijk – nam zij voor het formidabele bedrag van 10.250 gulden het huis en het loodgietersbedrijf dat door haar vader gesticht was over van de vrouw van haar overleden broer David Questiers.

Questiers was niet alleen de dichtkunst meester, zij was ook een veelzijdig kunstenares. Zij etste in koper en hout, tekende, boetseerde, borduurde en was bedreven in de knipkunst. Gravures van haar hand verschenen in De (koddige) olipodrigo (1654), als illustraties bij haar eigen gedichten en die van haar broer David. Daarnaast had zij een penningen- en schelpenverzameling, deed scheikundige proeven en correspondeerde met de natuuronderzoeker Jan Swammerdam.

Zwanenzang

Tijdens haar leven groeide Questiers uit tot een bekendheid, bevriend met de belangrijkste dichters en schrijvers van haar tijd. Onder haar vele bewonderaars waren Vondel, die haar ‘de tweede Saffo’ noemde, Huygens en de historieschrijver Von Zesen. Haar poëzie is in tal van eigentijdse bloemlezingen opgenomen.

In 1665 verscheen Lauwer-strijt tussen Catharina Questiers en Cornelia van der Veer, een zelfstandig uitgegeven dichtbundel van de twee dichteressen. De kern daarvan bestaat uit lofdichten die de vriendinnen op elkaar schreven. Het uitwisselen van gedichten tussen bevriende dichters en dichteressen was gebruikelijk in de zeventiende eeuw. Daarnaast bevat de bundel lofdichten van onder anderen Vondel en Huygens op de twee dichteressen, en gelegenheidsgedichten. De bundel was Catharina’s zwanenzang, want in 1664 trad zij in het huwelijk met de Leidse koopman Joan de Hoest. Zij telde toen volgens de ondertrouwakte 28 lentes. In feite was de dichteres echter al 33 jaar, zoals blijkt uit gegevens van de Weeskamer (Nieuwenhuis, 376). Een leugentje uit ijdelheid? Het was een gemengd huwelijk, want haar man was gereformeerd, blijkens de zeshonderd gulden die hij aan de diaconie van de gereformeerde kerk legateerde.

Niet lang na haar huwelijk moet Catharina Questiers haar dichterspen hebben neergelegd. In het openingsgedicht van de Lauwer-strijt, een vers opgedragen aan Juno, de godin van het huwelijk, liet ze al doorschemeren dat dichtkunst en huwelijk niet met elkaar te rijmen waren. In deze bundel staan enkele gedichten die zij ondertekende met ‘Catharina Questiers de Hoest’. Na deze bundel zijn er geen gedichten van de ‘tweede Sappho’ meer verschenen.

Catharina Questiers was geen lang huwelijksgeluk beschoren. Nog geen vijf jaar na haar trouwen overleed zij, 38 jaar oud. Op 1 februari 1669 werd ze in de Oude Kerk begraven, na drie uur te zijn beluid. Vondel betreurde haar dood in een grafdicht: ‘De nijd des zerks bedekt de schoonheid van Questier./ Die geest, nog schoner, leeft in hout en wit papier./ In aarde en hemel rees om haar een groot krakeel./ Elk trok. De hemel won de ziel, het schoonste deel.’

Naslagwerken

Van der Aa; Basse; Frederiks/Van den Branden; Immerzeel; Kobus/De Rivecourt; Kramm; Lauwerkrans; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; NNBW; Regt; Verwoert; Witsen Geysbeek; Wurzbach; Van Eijnden en Van der Willigen.

Poëzie

Gedichten van en aan Catharina Questiers zijn opgenomen in de volgende 17de-eeuwse bundels:

  • Wintersche avonden, of Nederlandsche vertellingen (Amsterdam 1649).
  • Koddige olipodrigo (Amsterdam 1655).
  • Klioos kraam 2 (Leeuwarden 1657).
  • Amsterdamse mengel-moes 1 (1658).
  • Bloemkrans van verscheiden gedichten (Amsterdam 1659).
  • Joan Blasius, Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (Amsterdam 1663).
  • Clioos cytter, slaande aardige gezangen (Amsterdam 1669 [1ste druk 1663]).

In 1665 verscheen de bundel Lauwer-strijt tussen Catharina Questiers en Cornelia van der Veer. Met eenige by-gedichten aan en van haar geschreeven (Amsterdam 1665).

Toneelstukken

  • Den geheymen minnaar (Amsterdam 1655).
  • Casimier of Gedempte hoogmoet (Amsterdam 1656).
  • d'Ondanckbare Fulvius en getrouwe Octavia (Amsterdam 1665).
Grafisch werk

Voor een overzicht van de door Questiers gegraveerde illustraties bij de gedichten van haarzelf en haar broer, zie het artikel van Marijke Spies (2003).

Literatuur

  • J.A.Worp, De gedichten van Constantijn Huygens 6 (Groningen 1892-1899) 312.
  • J.A. Worp, De briefwisseling van Constantijn Huygens 2 (Den Haag 1911-1917) 296.
  • Johan Nordström, ‘Swammerdamiana. Excerpts from the travel journal of Olaus Borrichius and two letters from Swammerdam to Thévenot’, Lychnos (1954-1955) 21-65 [informatie over Questiers’ rariteitenkabinet op 30, 37 en 59-60].
  • W.J.M.A. Asselbergs, Beeldenspel van Nederlandse dichters (Utrecht 1957) 126-132.
  • E. Oey-de Vita en M.S. Geesink ed., Academie en schouwburg. Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665 (Amsterdam 1983).
  • E. Keesing, Het volk met lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987).
  • W.H.M. Nieuwenhuis, ‘De veelzijdige familie Questier’, Gens Nostra 42 (1987) 373-385.
  • E. Bergvelt, R.E. Kistemaker en H. Wiggers red., De wereld binnen handbereik. Nederlandse kunst- en rariteitenverzamelingen, 1585-1735 (Zwolle/Amsterdam 1992) 325.
  • Lia van Gemert, ‘‘‘Hiding Behind Words’’. Lesbianism in 17th-century Dutch poetry’, Thamyris. Mythmaking from Past to Present 1 (1995) 11-44.
  • Annelies de Jeu, ‘‘‘Hoe dat een vrouwen-beeldt kan maken zulke vaarzen’’: reacties op de toneelstukken van Catharina Verwers en Catharina Questiers’, in: W. Abrahamse, A.C.G. Fleurkens en M. Meijer Drees red., Kort tijt-verdrijf: opstellen over Nederlands toneel (vanaf 1550) (Amsterdam 1996) 179-184.
  • Marijke Spies, ‘Oudejaarsavond 1675: Cornelia van der Veer schaduwt Katharina Lescailje als deze van het huis van haar vriendin Sara de Canjoncle naar dat van haar zuster gaat. Het vrouwelijk aandeel’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen red., Nederlandse literatuur, een geschiedenis (Amsterdam/Antwerpen 1998) 282-287.
  • E.M. Grabowsky, ‘Katharina Lescailje (1649-1711) en de ‘‘vrouwenzucht’’. Schijn of werkelijkheid?’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 23 (2000) 65-79.
  • Annelies de Jeu, ‘’t Spoor der dichteressen’. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) (Hilversum 2000).
  • Marijke Spies, ‘Catharina en de groten: over enkele illustraties van Catharina Questiers’, in: Marc van Vaeck, Hugo Brems en Geert H.M. Claassens red., De steen van Alciato. Literatuur en visuele cultuur in de Nederlanden. Opstellen voor prof. dr. Karel Porteman bij zijn emeritaat (Leuven 2003) 597-614.

Illustraties

  • Fragment van het portret van Hendrik de Goyer, zijn vrouw Maria Questiers en haar zuster Catharina Questiers (links), door Adriaan van Ostade (ca. 1650), (Museum Bredius, Den Haag).
  • Door Catharina Questiers gegraveerd frontispice bij haar blijspel Den geheymen minnaar (1655).

Auteur: Malou Nozeman

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 306

laatst gewijzigd: 13/01/2014