Rauwerda, Jurjentje Aukes (1812-1877)

RAUWERDA, Jurjentje Aukes, ook bekend als Jurrentje Weinthal (geb. Oenkerk, bij Leeuwarden, 14-12-1812 – gest. Amsterdam 3-10-1877), bordeelhoudster. Dochter van Auke Klases Rauwerda (1777-1858), timmerman, en Blijke Jurjens Uitterdijk (1775-1851). Op 2-11-1843 trouwde Jurjentje Rauwerda in Leeuwarden met Benjamin Salomon Weinthal (1802-1855). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Uit voorgaande relaties had Jurjentje 4 kinderen, van wie er 2 jong overleden.

De naam van Jurjentje Rauwerda is verbonden met die van het beroemdste en meest luxueuze bordeel van Amsterdam in de negentiende eeuw, Maison Weinthal. Het bordeel lag aan de Pijpenmarkt (de huidige Nieuwezijds Voorburgwal), op loopafstand van het Paleis op de Dam.

Jeugd

Het is onbekend hoe Jurjentje in de prostitutie terecht is gekomen. Mogelijk was zij al tijdens haar jeugd in Friesland prostituee, maar daar zijn geen bewijzen voor. In 1837 was Jurjentje in Leeuwarden. Zij kreeg daar een zoon, Johan Frederik, die een jaar later overleed. In de Leeuwardense volkstelling van 1839 komt Jurjentje niet voor, wel haar vierjarige dochter Jacoba Frederika, die inwoonde bij Jurjentjes ouders. In datzelfde jaar beviel Jurjentje in Leeuwarden van een tweede zoon, Heiman, die al na vijf maanden stierf. Jurjentjes derde zoon, Willem, werd in 1842 in Leeuwarden geboren.

In 1843 woonde Jurjentje Rauwerda volgens het bevolkingsregister wel in Leeuwarden. Tot mei van dat jaar verbleef ze met haar twee minderjarige kinderen in een pand in de Speelmansstraat, in het hart van de joodse buurt. Zij gaf aan dat ze van beroep naaister was. Haar volgende adres was in de aangrenzende Zuupsteeg. Op 2 november 1843 trouwde zij met Benjamin Weinthal, die zei dat hij uit Winschoten kwam en de laatste vier jaar in het Duitse Emden had gewoond. Op de huwelijksakte staat vermeld dat Benjamin was geboren in Emden; volgens zijn eigen informatie echter was hij geboren in Deventer. Een jaar later werd hun zoon Bernard geboren. In 1847 vertrok het gezin naar Groningen.

Amsterdam

Vermoedelijk in 1848 kochten Jurjentje en Benjamin een aantal panden op de Pijpenmarkt in Amsterdam, die ze later samenvoegden tot een bordeel: het Maison Weinthal. Ze woonden daar met de kinderen Jacoba, Willem en Bernard; Jurjentje noemde zich tapster, Benjamin koopman. In 1853 verhuisde Benjamin naar de Franschelaan in de Plantage (op de plaats van het huidige Artis), waar hij een tuin met opstal had gekocht, getooid met de naam Vredenwensch. Jurjentje en de kinderen bleven wonen op de Pijpenmarkt. Op dat moment verbleven er vijftien meisjes in het huis, afkomstig uit Nederland, Duitsland en Frankrijk.

Benjamin overleed in 1855. Eerder dat jaar had hij zijn testament opgemaakt, waarin hij Jurjentjes kinderen Jacoba en Willem (die soms de achternaam Weinthal dragen, en dan weer de naam Rauwerda) ieder 2500 gulden naliet. Jurjentje en Bernard werden universeel erfgenaam. Enkele weken later liet Jurjentje bij de notaris vastleggen dat zij Jacoba Frederica en Willem als haar natuurlijke kinderen erkende. Begin januari 1856 werd de boedelinventaris opgemaakt. Een opvallende post is de ijzeren brandkast. De aanwezigheid ervan is niet overdreven: bij het opmaken van de inventaris is er bijna 4600 gulden aan contanten aanwezig, met daarnaast een behoorlijke hoeveelheid gouden en zilveren sieraden. Na het opmaken van de inventaris en de verkoop van de grond en opstal op de Franschelaan kreeg Jurjentje onplezierig nieuws: er meldde zich een dochter van Benjamin, Lisette Weinthal, in 1826 geboren in Nijmegen. Zij maakte aanspraak op haar kindsdeel uit de erfenis. Op 31 juli werd de boedelscheiding opgemaakt, en diezelfde dag liet Jurjentje haar testament opstellen, waarin zij haar bezittingen naliet aan haar kinderen.

In 1852 werd Jurjentje Rauwerda in een overzicht van Amsterdamse bordelen vermeld als bordeelhoudster. Maison Weinthal had op dat moment officieel zes meisjes in dienst – officieus zullen het er meer zijn geweest. De reputatie van Maison Weinthal blijkt uit een bericht in het Amsterdamse satirische blad Asmodée van januari 1867, waarin een uitje van ‘de meisjes’ van Maison Weinthal werd beschreven: ‘Neen, dan beviel mij de sleevaart beter, die een paar uren later door mad. Weinthal werd aangericht, daarbij ontbrak het tenminste niet aan dames en heel aardige dames, die elkaar beurtelings in de arrenslede vervingen en mij veel beter bevielen dan hare zusters, die ik in Klaasje Zevenster ten tooneele zag’ (Klaasje Zevenster is een gevallen meisje uit de gelijknamige roman van Jacob van Lennep, uit 1865). De zaken gingen dan ook goed: tussen 1864 en 1875 werkten er 225 meisjes in het bordeel. In Klaasje Zevenster komt ook een Coosje W. voor als dochter van een hoerenmadam. Dit is waarschijnlijk Jacoba Rauwerda (Weinthal), die haar moeder kennelijk bijstond in in de exploitatie van het bordeel.

In 1860 overleed Bernard, in het huis van zijn tante Anna Rauwerda in Franeker. Jurjentje Rauwerda, of ‘de weduwe Weinthal’, overleed in 1877. De vaders van haar twee oudste kinderen zijn onbekend. Er ging een gerucht dat Jurjentjes zoon Willem een kind was van koning Willem III, die ervoor zorgde dat moeder een toelage kreeg en die beiden bedeelde met land, paarden en juwelen. Een ander verhaal wil dat Jacoba de dochter was van een Parijse porseleinfabrikant, monsieur Lejeune.

Het einde van Maison Weinthal

In 1897 stelde de Amsterdamse gemeenteraad een commissie in die tot taak kreeg de ‘aard en omvang’ van de prostitutie in de hoofdstad in kaart te brengen. De commissie bracht ook een bezoek aan Maison Weinthal, dat onder de opvolgers van Jurjentje de naam van de stichter was blijven voeren. De voorzitter van de commissie, de arts A.Voûte, gaf in zijn rapport een bijna wervende omschrijving van Maison Weinthal: ‘Het bordeel bevat een wintertuin, een groote salon en verschillende kleinere met een reeks min of meer weelderig gemeubileerde ‘werkkamers’, een badkamer en ‘bazaar’ (slaapzaal). Het huis is den ganschen nacht open en wordt ook zoowel ’s morgens en ’s middags vrij druk bezocht: er komen ook veel vreemdelingen'.

In 1902 werd een politieverordening aangenomen die het houden van huizen van ontucht verbood. Dat betekende het einde van Maison Weinthal. Asmodée wijdde er een gedichtje aan: ‘O Weinthal etablissement/Gij staat thans droef en ledig:/Geen Prins, geen Graaf, zelfs geen Baron/Zal meer in u verblijven’.

Archivalia

  • Tresoar, Leeuwarden: Bevolkingsregister 1843; Burgerlijke Stand Tietjerksteradeel; Burgerlijke Stand Leeuwarden.
  • Gemeentearchief Amsterdam: Bevolkingsregister 1851, toegangsnr. 5000, inv.nr. 320; Notarieel archief Gerrit Schimmel toeg.nr. 5075, inv.nr. 21631-21633; Kadaster, toeg.nr. 5358, inv.nrs. 174, 175, 192, 312, 320, 321, 322; Bank van Mees & Hope, toegangsnr. 735, inv.nr. 688.

Literatuur

  • An Huitzing, Betaalde liefde. Prostituées in Nederland 1850-1900 (Bergen 1983).
  • Martin Bossenbroek en Jan Kompagnie, Het mysterie van de verdwenen bordelen (Amsterdam 1998).
  • Annemarie de Wildt, ‘De bewogen geschiedenis van Maison Weinthal’, Ons Amsterdam 54 (2002) 94-97.
  • Annemarie de Wildt en Paul Arnoldussen, Liefde te koop. Vier eeuwen prostitutie in Amsterdam (Amsterdam 2002).

Illustratie

Foto, door onbekende fotograaf, ongedateerd (privé-collectie, met dank aan de auteur).

Auteur: Marijke Valkenburg

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 695

laatst gewijzigd: 13/01/2014