Recklinghausen, Hanna van (voor 1332-na 1349)

RECKLINGHAUSEN, Hanna van (geb. voor 1332 – gest. na 27-5-1349), zakenvrouw. Dochter van Godschalk de Jood (gest. na 1349). Een huwelijk van Hanna van Recklinghausen is niet bekend.

Hanna van Recklinghausen, gelet op haar naam vermoedelijk afkomstig uit het Duitse Recklinghausen, staat te boek als de vroegst bekende zakenvrouw van Nederland. Zij is in de jaren van 1347 tot 1349 actief geweest in Lochem. De eerste berichten over de activiteiten van Godschalk de Jood en zijn dochter Hanna dateren uit 1332-1333. Godschalk trad toen onder eigen naam op als financier van meest Overstichtse edellieden en hun vazallen. Vanaf 1347 trad ook Hanna op als zakenpartner in een soort maatschap van joodse financiers, waarvan naast haar vader onder anderen Godschalk van Werden, diens zuster Hanna en ene Roos van Bergh deel uitmaakten. Waarschijnlijk gaat het om een familienetwerk. Van de drie vrouwen wordt Hanna van Recklinghausen het eerst in de bronnen vermeld. Dat was in 1332. Haar vaders naam Godschalk (‘dienaar Gods’) is mogelijk vertaald uit het Hebreeuws (Abdiël, Jeremia 36:26, of wellicht Eljakiem (Luria 23v; vr. med. dr. J. Schellekens, Jeruzalem). Het gebruik van deze westerse naam duidt op een zekere assimilatie, maar niet per se op bekering tot het christendom. Van de boekhouding van deze groep zijn vijftig pandbrieven bewaard gebleven in het archief van het Utrechtse Domkapittel. Achterop staan aantekeningen in Hebreeuws schrift. Hanna’s naam komt voor het laatst voor in een Latijnse pandbrief van 27 mei 1349. De schuldenaar is de Sallandse edelman Laurens van Buchorst.

Het is opmerkelijk, maar niet uitzonderlijk dat joodse vrouwen in de Europese Middeleeuwen mondig genoeg werden geacht om zelf als onderneemster op te treden. In de joodse exempelliteratuur, met name in het dertiende-eeuwse Boek der vromen (Sefer chassidiem), werd dit niet ontmoedigd, mits de joodse wetten werden nageleefd. Vaders werd aangeraden zelf hun dochters te leren schrijven, opdat zij voor het opstellen van pandbrieven niet een secretaris nodig zouden hebben in wiens gezelschap zij dan zouden moeten verkeren. Het was echter geen zonde voor joodse vrouwen om zelfstandig geld en kostbaarheden van cliënten in bewaring te nemen (Borchers, 29-30, 102-108).

Vermoedelijk heeft de pestepidemie van 1348-1349 een einde gemaakt aan het optreden van Hanna van Recklinghausen. In veel steden werden de joden beschuldigd van het vergiftigen van waterputten. In Zwolle, Deventer en mogelijk Kampen werden de joodse gemeenschappen uitgemoord (Poppers, 33-34). Deze steden lagen in het rechtsgebied van de bisschop van Utrecht. Lochem viel onder het hertogdom Gelre. De hertog van Gelre, sinds 1339 officieel beschermheer van de joden in zijn gebied, nam in 1350 een groep niet met name genoemde joden en hun goederen in verzekerde bewaring (Speet, 357-358). Onduidelijk is of dit als straf was bedoeld of voor hun eigen veiligheid – of om over hun tegoeden te kunnen beschikken. Onbekend is ook of Hanna en haar vennoten zich onder deze groep bevonden. Dat hun boekhouding in het Utrechtse Domarchief is beland, doet anders vermoeden. De historicus Jacob Zwarts meent dat Hanna en de haren slachtoffer zijn geworden van een bende die de geroofde pandbrieven aan het bisdom hebben verkocht (NNBW).

De zakenvrouw Hanna van Recklinghausen is sindsdien volledig in de vergetelheid geraakt. Van joods Recklinghausen is ook geen middeleeuwse martelaarslijst (‘memorboek’) bekend die haar naam in ere had kunnen houden. Toen Sir Walter Scott echter in 1820 zijn roman Ivanhoe publiceerde, met het personage van de joodse Rebecca als heldin, werd het beeld van de geëmancipeerde middeleeuwse joodse vrouw populair. Dat verklaart waarschijnlijk ook de opname van Hanna van Recklinghausen in het NNBW (1930). In 2008 zond Teleac een televisiedocumentaire over Hanna’s familie uit onder de titel ‘De moord op een joodse handelaar’.

Naslagwerken

NNBW.

Archivalia

  • Het Utrechts Archief: toegang 216, inv. nrs. 4234-1 t/m 4234-50 [obligaties van verschillende personen in Overijssel (Salland) ten behoeve van Godschalk van Recklinghausen, alleen of met anderen (1332-1349)].
  • Gelders Archief, Arnhem: toegang 1, inv. nr. 1375, fol. 10ab, 11, 37 [ontvangsten van schuldbrieven van joden (1350)].
  • Brieven van Rebecca Gratz over haar middeleeuwse naamgenote (1820, 1829): zie www.jwa.org/exhibits/wov/gratz.

Literatuur

  • S. ben Jehiel Luria, Jam Schel Schelomoh, Gietien (Stettin 1861-1862).
  • C.J. Snuif, ‘Der Jude Godscalc von Recklinghausen zu Lochem’, in: M. Snuif red., Verzamelde bijdragen tot de geschiedenis van Twenthe (Amsterdam 1930) 405-408 [eerder in Vestische Zeitschrift 35 (1925) 304-309].
  • H. Poppers, De Joden in Overijsel van hunne vestiging tot 1814 (Utrecht 1926).
  • S. Borchers, Jüdische Frauenleben im Mittelalter: die Text des ‘Sefer Chasidim’ (Frankfurt am Main/New York 1998).
  • B.M.J. Speet, ‘Joden in het hertogdom Gelre’, in: I.D. Jacobs e.a. red., Het hertogdom Gelre. Geschiedenis, kunst en cultuur tussen Maas, Rijn en IJssel (Utrecht 2003) 356-361.
  • C. Tallan, Medieval jewish women in history, literature, law and art: a bibliography (Waltham MA 2000); bijgewerkte versie (maart 2006) op www.brandeis.edu/hbi/pubs/MEDWOM_2006_bib.doc.

Auteur: Kees Kuiken (met dank aan prof. dr. W.J. van Bekkum).

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 29

laatst gewijzigd: 13/01/2014