Repelius, Johanna Elisabeth (1848-1921)

 
English | Nederlands

REPELIUS, Johanna Elisabeth (geb. Amsterdam 31-1-1848 – gest. Amsterdam 23-1-1921), schilderes en aquarelliste. Dochter van Johan Diederik Hendrik Repelius (1800-1870), koopman, en Henriette Marie Wesseling (1807-1877). Johanna Elisabeth Repelius bleef ongehuwd.

Johanna Elisabeth (Betsy) Repelius, werd geboren als jongste van acht kinderen in een Amsterdamse patriciërsfamilie. Tegen de wil van haar vader besloot Betsy kunstschilderes te worden. Ze kreeg les van de historieschilder Petrus Franciscus Greive en na zijn dood ging ze bij de kunstenaar Carel Frans Philippeau in de leer. Van 1873 tot 1876 zette Betsy haar kunstopleiding voort aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam onder leiding van de genreschilder August Allebé. Daar raakte zij onder anderen bevriend met de Amsterdamse portretschilderes Thérèse Schwartze. Met Schwartze volgde Repelius na haar academietijd nog lessen in aquarelleren bij Nicolaas van der Waay.

Betsy Repelius legde zich toe op het schilderen en aquarelleren van genrevoorstellingen en maakte vooral interieurs met figuren. Een van haar specialiteiten was het schilderen van straatjongens, die ze in de vakantietijd van straat plukte en alleen of met meegebrachte broers of vrienden in haar atelier liet poseren. Een vakgenoot oordeelde dat de kunstenares ‘veel techniek had, alleraardigste dingen kon bedenken en een goed interieur in mekaar [kon] zetten’ (Carelsen, 5).

Tijdens haar academietijd werd Repelius in 1875 lid van het kunstenaarsgenootschap Arti et Amicitiae. Vanaf 1878 exposeerde zij haar werk, onder meer op de jaarlijkse tentoonstellingen van Levende Meesters. Daarnaast zond zij haar werk jarenlang in naar de verkooptentoonstellingen van Arti et Amicitiae en het Amsterdamse kunstenaarsgenootschap Sint Lucas. Daar bood zij haar werk te koop aan voor prijzen variërend van tachtig tot zevenhonderdvijftig gulden. Bovendien exposeerde Repelius in het buitenland, zoals Parijs, München en Sint-Petersburg. Haar werk ontving enkele goede kritieken en werd meerdere malen onderscheiden. Tot vier keer toe ontving de kunstenares zelfs een gouden medaille. Lang niet iedereen was echter positief over haar werk. In een bespreking van een groepstentoonstelling van Gerard Bal, Charles Dankmeijer en Repelius, in 1909 in het Stedelijk Museum in Amsterdam, schreef Conrad Kikkert dat hij geen van haar werken vermeldenswaard vond: ‘Mej. Repelius is om over te zwijgen’ (Kikkert 167).

Atelier-woonhuis

In 1889 gaf Betsy Repelius de architect Joseph Cuypers de opdracht een woonhuis met een ruim zolderatelier met entresol en een groot raam op het noorden te ontwerpen voor de Vondelstraat 29 in Amsterdam. Voor de topgevel van het huis ontwierp Cuypers tien tegeltableaus, waarin hij het familiewapen van Repelius en haar monogram verwerkte. Twee tableaus met personificaties van de schilderkunst en de beeldhouwkunst tonen de artistieke voorkeuren van de opdrachtgeefster. Repelius gaf de nog jonge schilder Piet Mondriaan de opdracht twee plafonds in het huis te voorzien van schilderingen met putti en allegorische voorstellingen. Slechts weinig kunstenaars hadden de financiële middelen om dergelijke atelier-woonhuizen te laten bouwen en dat maakt deze opdracht bijzonder. Het pand bestaat nog steeds, hoewel de tegeltableaus vanaf de straat niet te zien zijn.

Betsy Repelius had goede connecties in de Amsterdamse kunstwereld. Zij had contact met de schilder Simon Maris en met haar oud-academiegenote en stillevenschilderes Marie Heineken. Met Thérèse Schwartze maakte zij in 1878 en 1900 studiereizen naar Parijs. Via Schwartze was Repelius bovendien goed bevriend geraakt met de kunstenaressen Lizzy Ansingh en Georgine Schwartze. Ook woonde de muzieklerares Elvira Collin en de arts Maria Dusaar een tijdlang bij haar in huis. Deze vriendschappen betekenden veel voor Repelius, die haar hele leven ongetrouwd is gebleven. Toen zij op 73-jarige leeftijd overleed, liet zij haar vrienden en ook haar oud-leraar Nicolaas van der Waay aanzienlijke bedragen na. Marie Heineken erfde haar gehele atelierinhoud inclusief schildersbenodigdheden. Ook schonk Repelius geld aan goede doelen, in het bijzonder aan blindeninstituten, en aan Arti et Amicitiae. In haar testament had zij laten vastleggen dat het Rijksmuseum een marmeren beeldengroep van de drie gratiën van de Italiaanse beeldhouwer Antonio Canova zou krijgen, maar later bleek dit een kopie te zijn. Haar schilderijen liet zij aan haar familie na onder voorwaarde dat zij de werken wel onderling mochten verdelen, maar niet mochten verkopen of weggeven. Bovendien moesten zij al haar brieven en dagboeken vernietigen.

Reputatie

Naar aanleiding van het overlijden van Repelius publiceerde het tijdschrift De Amsterdammer een korte necrologie over hun stadgenote: ‘Ofschoon zij gaandeweg tot een “oudere richting” was gaan behoren, hield zij een open oog voor nieuwere kunstuitingen, en gelijk haar hand steeds open was voor kunstinstituten, zo stond ook haar huis open voor jongere, en oudere collega’s. Velen zullen zich nog lang dat eigenaardig artistiek ingericht Vondelstraat-huis herinneren. En bij menigeen in en buiten de kunstwereld zal zij zelve in dankbaar aandenken blijven’ (Carelsen, 5). Na haar overlijden raakte Repelius echter in de vergetelheid. In 2006 bracht het tijdschrift Amstelodamum Repelius en haar bijzondere atelier-woonhuis opnieuw onder de aandacht.

Naslagwerken

Petteys; Scheen; Thieme-Becker.

Archivalia

  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: familieadvertenties Repelius.
  • Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag: Archief en collectie Thérèse Schwartze, Lizzy Ansingh en familie, inv. nr. 11 (brief van Thérèse Schwartze en Betsy Repelius aan Georgine Schwartze, 22-11-1900).

Werk

Het Frans Halsmuseum bezit enkele werken van Repelius. Haar werk is verder in particulier bezit en wordt geregeld bij kunsthandels en veilingen aangeboden.

Literatuur

  • Catalogi van tentoonstellingen van Levende Meesters, gehouden in Den Haag, Rotterdam, Groningen, Zutphen, Amsterdam, Arnhem, Maastricht in de jaren 1878-1907.
  • F.M. Lurasco, Onze moderne meesters (Amsterdam 1907).
  • C. Kikkert, ‘Gerard Bal, Ch. Dankmeyer en mej. B. Repelius, Stedelijk Museum’, Onze Kunst 8, 15 (1909) 166-167.
  • G. Carelsen, ‘Johanna Elizabeth Repelius †’, De Amsterdammer (5-2-1921) 5.
  • P. Gorter en M. Bax, ‘Vondelstraat 29. Betsy Repelius en haar opdrachten aan Joseph Cuypers en Piet Mondriaan’, Jaarboek Amstelodamum 98 (2006) 106-131.

Illustraties

  • Fotoportret, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Veiling Venduehuis, Den Haag).
  • De jonge groenteman, linksonder gesigneerd, aquarel, Veiling Venduehuis Den Haag, maart 2009, nr. 31. URL: www.venduehuis.nl [laatst geraadpleegd: maart 2010].

Auteur: Hanna Klarenbeek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 775

laatst gewijzigd: 13/01/2014