Spier, Rozalie (1891-1967)

 
English | Nederlands

SPIER, Rozalie (geb. Den Haag 7-11-1891 – gest. Amsterdam 8-7-1967), harpiste en harpdocente. Dochter van Wolf Spier (1849-1912), kruidenier, en Sientje Polak (1854–1918). Rosa Spier trouwde op 26-4-1917 in Amsterdam met Jean Adrianus Albertus Beek (1891-1972), handelsagent. Dit huwelijk, dat in 1923 uitliep op een scheiding, bleef kinderloos.

Rosa Spier werd in 1891 geboren in een Haags kruideniersgezin met negen kinderen, waarvan in ieder geval een kind jong is overleden. Toen Rosa nog jong was scheidden haar ouders. Haar moeder stuurde haar als tien- of elfjarige naar het koorklasje van de muziekschool. De directeur van de school, de componist Henri Viotta, zag al snel dat Rosa talent had en adviseerde haar moeder haar een instrument te laten bespelen. Rosa’s moeder koos voor de harp. Ze had juist een concert met harp gehoord, en in de muziekschool was net een harpklasje opgezet. ‘Ze schoot daarmee raak in de roos’, aldus Rosa Spier in haar memoires (Mijn levenservaringen). De harp was toen nog een zelden bespeeld instrument; in orkesten werden de harppartijen vaak op de piano uitgevoerd.

Harpcarrière

Rosa had thuis geen harp, maar oefende voor en na schooltijd op de muziekschool. Vanaf de eerste les had Rosa haar hart aan de harp verloren. Ze werd zelfs ziek toen haar lessen na een paar maanden tijdelijk stopten. In 1904 had ze haar eerste solo-uitvoering. In datzelfde jaar ging ze naar de HBS, want haar moeder had geregeld dat ze daar gratis naar toe mocht. Al snel werd Rosa’s talent herkend, en in 1905 mocht ze – veertien jaar oud – tweede harppartijen in het Residentie Orkest spelen. Op school kreeg ze vrijstelling voor een aantal vakken, omdat ze het steeds drukker kreeg. Uiteindelijk verruilde Rosa de HBS voor het conservatorium. ’s Zomers volgde ze incidenteel lessen bij de Duitse harpist Otto Müller, die dan in Nederland was.

In 1909 studeerde Rosa Spier af aan het conservatorium met een eerste prijs en een onderscheiding voor solospel. Hierna vertrok ze naar Berlijn om bij Müller verder te studeren. In 1910 werd ze als harpiste aangenomen bij het Arnhems Orkest, twee jaar later bij het Utrechts Stedelijk Orkest. In de zomers speelde ze in Scheveningen bij operettetheater De Seinpost – de eerste zomer samen met haar broer, die hoboïst was. In 1913 werd Rosa Spier harplerares aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en eerste harpiste bij het Residentie Orkest. Sinds 1912 woonde Rosa weer bij haar moeder in Den Haag. Samen met haar twee broers was ze de kostwinner van het gezin. In 1916 ontmoette ze Jean Beek, een dienstplichtige uit Venlo, betrokken bij het organiseren van de vrijetijdsbesteding van de soldaten. In die hoedanigheid had hij Rosa Spier geboekt voor een concert. Jean vond dat Rosa niet alleen kon reizen en kreeg verlof om haar te begeleiden. Hun romance zal in de trein zijn begonnen. Het volgende jaar trouwden Rosa en Jean. Rosa’s moeder was tegen het huwelijk gekant, wat leidde tot een ruzie die kort voor de dood van de moeder, in 1918, werd bijgelegd.

In deze huwelijksjaren trad Jean op als Rosa’s agent. Hij maakte veel reclame voor haar, en Rosa Spier werd een steeds bekender harpiste. In 1923 liep het huwelijk op de klippen. Spier had het inmiddels zo druk gekregen dat ze haar functie bij het Residentie Orkest neerlegde en zich toelegde op het solospel. In binnen- en buitenland boekte ze grote successen. In Nederland wist ze componisten voor haar instrument te interesseren: Sam Dresden schreef een sonate voor fluit en harp en Leo Smit een harpconcert en kamermuziekstukken met harp.

Ondertussen werkte Rosa Spier ook als harpdocente aan het Amsterdamsch Conservatorium, waar ze vanaf 1925 lesgaf. Ook gaf ze privélessen. Met lezingen, het schrijven van artikelen en het geven van schoolconcerten probeerde ze de harp bij een breder publiek bekend te maken.

Vanaf 1932 was Rosa Spier soloharpiste bij het Concertgebouworkest. Dat duurde tot mei 1941, toen alle 56 joodse musici in symfonieorkesten werden ontslagen. Vervolgens ging ze in september 1941 spelen bij het Joodsch Symfonie-Orkest. Niet lang hierna probeerde ze onder te duiken, maar ze werd verraden. In september 1944 werd ze vanuit kamp Westerbork op transport gesteld naar het concentratiekamp Theresienstadt. Dankzij een uitwisseling kon ze in februari 1945 naar Zwitserland gaan.

Na de oorlog wenste Rosa Spier niet terug te keren bij het Concertgebouworkest. Ze koos voor het Radio Philharmonisch Orkest, een nieuw orkest; haar vriend Sam Swaap, met wie ze in het kamp had gezeten, was er concertmeester. Een van haar redenen was dat ze op de radio meer soloconcerten kon spelen. De radio gaf haar ook, zoals ze later zei, ‘grote satisfactie en werkte genezend op me’ (Mijn levenservaringen). Rosa Spier bleef tot op hoge leeftijd actief.

Herinnering

In 1963 richtte haar vriendin Henriëtte Polak-Schwarz de Rosa Spier Stichting op, met het doel een woonplek in te richten voor oudere kunstenaars. Tijdens een verblijf van zes weken in De Pauwhof, de buitenplaats in Wassenaar waar wetenschappers en kunstenaars zich tijdelijk konden terugtrekken om zich op hun werk te concentreren, had Spier verzucht dat ze het liefst permanent bevrijd wilde zijn van huishoudelijke taken: ze had behoefte aan een soort rusthuis voor kunstenaars. De opening van het Rosa Spierhuis in Laren (Noord-Holland) in 1969 heeft Spier niet meer meegemaakt: ze overleed in 1967. Aan het eind van haar carrière had de harp een vaste plaats in de Nederlandse muziekwereld verworven. Spiers leerlingen namen alle beschikbare harpplaatsen in de Nederlandse orkesten in. Na haar overlijden schreef Phia Berghout, de beroemdste leerlinge van Rosa Spier, dat ze haar ideaal bereikt had: nergens anders werd zo veel harp gespeeld als in Nederland. In 1998 maakte Deborah van der Starre een documentaire over Rosa Spier.

Naslagwerken

Persoonlijkheden; Joden in Nederland.

Archivalia

Nederlands Muziek Instituut, Den Haag: Archief Rosa Spier, inv. nr. A6 (Rosa Spier, Mijn levenservaringen in de vorm van een schets, Amsterdam 5 juli 1961), inv. nr. A12 (Herinneringen van Rosa Spier); inv. nr. A35 (Aantekeningen over Wolf Spier en Sientje Polak en hunne kinderen).

Literatuur

P. Berghout, ‘In memoriam Rosa Spier’, Mens en Melodie 22 (1967) 248-250.

Illustratie

Rosa Spier, door Jan van Eyk, 1954 (Nationaal Archief / Spaarnestad Photo).

Auteur: Annemiek de Jonge

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 872

laatst gewijzigd: 20/02/2017