Ruysch, Rachel (1664-1750)

RUYSCH, Rachel (ged. Den Haag 3-6-1664 – gest. Amsterdam 12-10-1750), stillevenschilderes. Dochter van Frederik Ruysch (1638-1731), hoogleraar anatomie en plantkunde, en Maria Post (1643-1720). Rachel Ruysch trouwde op 12-8-1693  in Amsterdam met Jurriaan Pool (1666-1745), schilder. Uit dit huwelijk werden 10 kinderen geboren.

Rachel Ruysch was een kleindochter van Pieter Post, de bouwmeester die werkte voor het hof van de Oranjes in Den Haag. Familieleden van zowel haar moeder als haar vader werden in Den Haag gerecruteerd door het hof of de overheid. Sommigen deden ambtelijk werk, anderen leverden een bijdrage aan het vermaak en de ‘public relations’, door te zorgen voor bijvoorbeeld gedichten of schilderijen.

Een kunstzinnig milieu

Rachel Ruysch werd geboren in Den Haag, maar het gezin verhuisde reeds naar Amsterdam toen zij nog een klein meisje was omdat haar vader de opdracht aanvaardde om daar de chirurgijns in de anatomie te gaan onderwijzen. Haar vader groeide er uit tot een beroemde anatomicus, vooral vanwege de ontwikkeling van een methode van prepareren waarmee hij de anatomie een ook voor leken aanvaardbaar aanzien wist te geven. Hij wist kinderlijkjes zo te balsemen dat men zou zweren dat het om slapende kinderen ging. Hij verzamelde zijn preparaten en stelde die ten toon, naast verscheidene andere ‘rariteiten’, waaronder allerlei zeldzame insecten en planten. Zijn collectie werd een van de toeristische trekpleisters van Amsterdam. Bezoekers konden er composities bewonderen, waarin skeletjes van foetussen, geplaatst op een rots van nier- en blaasstenen, een allegorische scène uitbeeldden te midden van als boompjes opgespoten bloedvaten.

Rachel was het oudste kind in het gezin van Frederik Ruysch en Maria Post. Ze had al als jong meisje blijk gegeven van aanleg voor tekenen en schilderen. Ongetwijfeld had ze talent geërfd van haar moeders familie, die verscheidene kunstenaars telde. Haar grootvader, de architect Pieter Post, was het beroemdst. Hiernaast was er diens broer, de schilder Frans Post. Hij had vooral naam gemaakt doordat hij enkele jaren met Maurits van Nassau in Brazilië had doorgebracht en daar landschappen had afgebeeld. Haar ooms Jan en Maurits Post tekenden en schilderden eveneens. Maar ook haar vader was een verdienstelijk tekenaar. Om zijn wetenschappelijke publicaties te illustreren maakte hij zelf tekeningen van zijn preparaten en had hij zich bovendien gewijd aan het schilderen. Hij schilderde wat hij verzamelde: insecten en reptielen temidden van planten en bomen. Dergelijke schilderijen waren in Amsterdam geïntroduceerd door Otto Marseus van Schrieck, een schilder uit Nijmegen, die in Frankrijk en Toscane aan vorstelijke hoven had gewerkt. Hij schilderde slangen, slakken, padden en insecten in duistere hoekjes tussen planten en struiken. Sottobosco heette het genre in Italië. In Nederland sprak men van ‘bosgrondjes’.

Bloemen en bosgrondjes

Rachel Ruysch schilderde als veertienjarige ook dieren en planten, en ze deed dat met zoveel enthousiasme, ijver en vaardigheid, dat ze van haar ouders toestemming kreeg om een opleiding bij een schilder te gaan volgen. Dat was niet uniek, maar wel ongebruikelijk voor een meisje. Omdat Otto Marseus inmiddels was overleden, werd Rachel in de leer gedaan bij Willem van Aelst, die werd beschouwd als de beste stillevenschilder van Amsterdam. Van Aelst was een bekende van Otto Marseus (in zijn jonge jaren had hij in Florence samen met hem aan het hof van de Medici gewerkt) en hij behoorde tot de kringen waarin haar ouders verkeerden.

Onder leiding van Van Aelst legde Rachel Ruysch zich aanvankelijk toe op de bosgrondjes die Marseus ook had geschilderd. Net als haar vader werkte ze met grote precisie en subtiliteit. Als ze de basis van een compositie had geschilderd en de verf droog was, schilderde ze er met een zeer fijn penseeltje insecten, sprietjes groen en kleine bloemetjes bij. Ze probeerde haar objecten zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Voor de bosgrondjes gebruikte ze sponsjes, gedoopt in verf, om de structuur van mos aan te geven. Soms gebruikte ze (net als Marseus en Van Aelst) zelfs echt mos om afdrukken mee te maken. Op haar schilderijen bracht ze planten en dieren bijeen die in de natuur niet bij elkaar waren te vinden. Ze schilderde niet naar de levende natuur, maar naar modellen uit haar vaders collectie.

Behalve op bosgrondjes ging ze zich toeleggen op composities met bloemen, zoals die werden geschilderd door Van Aelst en door Jan Davidsz de Heem. Ook in haar bloemstukken maakte ze fictieve composities. Ze schilderde naar exemplaren uit de hortus botanicus, waar haar vader les gaf in plantkunde, en naar geprepareerde bloemen uit haar vaders collectie. Normaal gesproken werden bloemen die men wilde bewaren tussen papier gedroogd, maar Frederik Ruysch wist bloemen zo te prepareren dat ze eruit bleven zien alsof ze in bloei stonden. Een dergelijke manier van bewaren stelde Rachel Ruysch in staat om in een compositie bloemen bijeen te brengen die in verschillende seizoenen bloeiden. Ze wist ze zo natuurgetrouw weer te geven dat ze er spoedig succes mee had. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werden bloemstukken steeds meer ‘bon ton’, en Rachel Ruysch profiteerde daarvan.

Hofschilderes

In de zomer van 1695 bezocht Johann Wilhelm, de keurvorst van de Palts, het museum van Frederik Ruysch. Hij zag bij die gelegenheid ongetwijfeld ook het schilderwerk van Rachel, die inmiddels was getrouwd met de schilder Jurriaan Pool. Ze was juist bevallen van haar eerste kind, maar het moederschap belette haar niet om haar carrière als schilder voort te zetten. Haar jongere zuster Anna, ook een begaafd schilderes, had het schilderen na haar huwelijk gestaakt. Rachel was inmiddels bijzonder succesvol. Ze ontving grote bedragen voor haar bloemstillevens en in 1699 kreeg ze bij wijze van erkenning het lidmaatschap aangeboden van de ‘schildersconfrerie’ Pictura in Den Haag. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel.

Ruysch schilderde in opdracht van kapitaalkrachtige klanten en kon zich toeleggen op een beperkt aantal stukken per jaar, waaraan ze enkele maanden kon werken. Bestellingen moesten bij haar ruim van tevoren worden geplaatst. In 1708 kreeg ze zelfs een contract als hofschilderes van de keurvorst van de Palts. Omdat ze inmiddels moeder van een groot aantal kinderen was, vond ze dat ze het zich niet kon veroorloven om in Düsseldorf te gaan wonen, en kreeg daarom vrijstelling van haar Residenzpflicht. Dat was geen unieke constructie: ook Adriaan van der Werf en Jan Weenix waren tot hofschilder benoemd zonder dat ze zich in Düsseldorf hoefden te vestigen. Rachel Ruysch kreeg een jaargeld toegewezen en hoefde daarvoor alleen jaarlijks een schilderij te leveren voor de collectie van het keurvorstelijk paar.

Een paar maal ondernam ze een reis naar Düsseldorf om haar werk te brengen, maar ze bleef wonen in de Wolvenstraat in Amsterdam, met haar man en haar kinderschare. Hoewel ze al bijna dertig was toen ze trouwde, baarde ze nog tien kinderen. Het laatste kind, een jongetje, werd geboren toen ze al 47 was. Ze besloot het Jan Willem te noemen, naar haar beschermheer. De keurvorst en zijn vrouw verklaarden zich bereid om als peetouders op te treden. Toen Rachel Ruysch het kind in Düsseldorf kwam laten zien, werd het door Johann Wilhelm vereerd met een kostbare penning aan een rood lint. Zelf ontving ze van de keurvorst een toilettafel met 28 zilveren onderdelen, geplaatst in een sierlijk toiletkoffertje, en daarnaast nog zes zilveren hangblakers.

In het voorjaar van 1711 kreeg Ruysch bezoek van een Duitse geleerde, Zacharias Conrad von Uffenbach, die haar beschreef als een vrouw van veertig, niet zo mooi, maar wel beschaafd. Hij trof het dat ze net twee voltooide schilderijen thuis had staan, een bloemstuk en een fruitstuk. Ze waren bestemd voor Pieter de la Court van der Voort, een lakenkoopman in Leiden, die er vijftienhonderd gulden voor betaalde, een veelvoud van een modaal jaarsalaris. Von Uffenbach vond ze zeer fraai, ‘und sonderlich zart von Pinsel’. Jurriaan Pool beweerde dat zijn vrouw daarin alle huidige en vroegere meesters overtrof. Rachel Ruysch werkte aan twee kleine vierkante stukken op hout voor Cosimo de’ Medici, de groothertog van Toscane, de schoonvader van de keurvorst, waarvoor ze extra betaald kreeg. Ze was bezig met de ondergrond voor die twee stukken en ‘sie sass da wie ein Mahler’. De Duitse reiziger stelde vast dat ze ‘allerhand Vogelnester, Insecten und dergleichen um sich herum liegen hatte’.

Jurriaan Pool kreeg van de keurvorst de opdracht om een portret van Rachel te schilderen. Hij maakte er een familieportret van, en schilderde Rachel en zichzelf met Jan Willem, die de penning toonde die hij van de keurvorst had gekregen. In 1716 was het af. Het was al ingepakt om te worden verzonden, toen het bericht kwam dat de keurvorst was overleden. Ruysch verloor daardoor haar mecenas, maar ze hoefde bepaald niet te wanhopen, want ze bleef ruimschoots voldoende opdrachten krijgen. Vanaf 1723 waren er helemaal geen financiële zorgen meer. De Staten van Holland schreven van tijd tot tijd loterijen uit om aan geld te komen. Jurriaan Pool en Rachel Ruysch hadden in 1713 in een van die loterijen al eens tweehonderd gulden gewonnen. In december 1722 kochten ze samen met hun zoon George een lot van tien gulden, waarop de hoofdprijs van 75.000 gulden viel.

Zoon George kreeg niet veel tijd om van het geld te genieten. Hij stierf reeds drie jaar later, 25 jaar oud. Met hem verloren Rachel Ruysch en Jurriaan Pool in enkele jaren hun tweede volwassen zoon. In 1720 was hun 22-jarige zoon Abraham als assistent in dienst van de WIC naar Guinea vertrokken en daar korte tijd later gestorven. Eerder waren al drie kinderen jong gestorven en in 1718 overleed de 15-jarige Rachel Pool. Begin 1731 stierf hun enige overgebleven dochter, de 35-jarige Maria Margaretha, waarna er nog drie zoons overbleven.

De oudste zoon, Frederik Ruysch Pool was thuis blijven wonen en kwam in 1734 met zijn ouders overeen dat hij zijn moeders schilderijen zou mogen verkopen. Frederik en ook de jongste zoon, Jan Willem, vertoonden ‘goed en christelijk gedrag’, maar Rachel Ruysch leefde in onmin met haar tweede zoon, Isaac, die een lakenwinkel in de Gasthuissteeg had. In 1743 stelde ze ‘niet zonder hartgrondige droefheijd’ vast ‘dat haar soon Isaacq Ruysch Pool in zijn onbetamelijk en onverantwoordelijk gedrag en behandelinge jegens sijn ouders bleeff continueeren’.

Laatste jaren

In oktober 1745 stierf Jurriaan Pool, 79 jaar oud. Rachel bleef in onmin leven met haar zoon Isaac tot vlak voor haar dood. Pas in 1749 kon ze zeggen dat ‘de vrienschap tusschen haar en haar gezamentlijke kinderen nu volkomentlijk hersteld’ was. Intussen schilderde ze nog altijd. Net als haar vader, die 92 was geworden, bleef ze werken zolang het ging. Ze was al in de tachtig toen haar een bloemstuk van Jan van Huysum werd getoond, waarin hij de bloemen had afgebeeld tegen een heldere achtergrond. Tot dan toe was op bloemstukken een donkere achtergrond gebruikt om diepte te suggereren, maar door kleuriger te schilderen kon Van Huysum ook met een lichtere achtergrond werken. Rachel liet weten ‘dat deze schikking haar zoo goed behaagde, dat zij er insgelijks de proef van nam'.

De schildersbiograaf Johan van Gool ontmoette Ruysch in 1748, toen ze 84 was. Ze had ‘haer oordeel en gezicht voor een vrou van dien hogen ouderdom noch wonderwel’, vond hij. Ze ontving hem zeer beleefd en vriendelijk, vertelde over haar carrière en liet hem enkele werken zien. Het meeste werk bevond zich in het buitenland, maar ze kon hem wel een schilderij tonen waaraan ze het vorige jaar was begonnen en dat ze nog wilde afmaken.

In 1750 werd ze vereerd met een bundel Dichtlovers voor de uitmuntende schilderessen Mejufvrouwe Rachel Ruisch, waarin de gedichten waren bijeengebracht die in de loop der jaren op haar werk waren gemaakt. Het was een uniek gebaar: nooit eerder was op die manier eer bewezen aan een Nederlandse kunstenaar. Rachel Ruysch stierf dat jaar op 12 oktober.

Naslagwerken

Van der Aa; DWA; Elck zijn waerom; Van Gool; Houbraken; Kramm; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; NNBW; Scheen; Thieme; Willigen/Meijer; Wurzbach; Van Eijnden en Van der Willigen.

Archivalia

Gemeentearchief Amsterdam: Notariële archieven, acten voor notaris L. van Gangel (5777, 2-6-1723, 26-8-1723), notaris A. Tzeeuwen (7648, 21-8-1730; 7677, 8-11-1737; 7685, 7-10-1739; 7688, 16-3-1741; 7691, 18-3-1743), notaris Jan Ardinois (9131,14-3-1737). Zie ook Abraham Bredius, Künstler Inventare 4 (Den Haag 1915-1922) 1203-1209.

Werken

Voor een overzicht, zie de publicatie van Berardi (1998).

Literatuur

  • Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlandtsche konst-schilders en schilderessen (Den Haag 1718-1721).
  • Dichtlovers voor de uitmuntende schilderesse mejufvrouwe Rachel Ruisch (1750).
  • Johan van Gool, De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen (Den Haag 1750).
  • Zacharias Conrad von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engeland 3 (Frankfurt 1753).
  • M.H. Grant, Rachel Ruysch (Leigh-on-Sea 1956).
  • Werner Timm, ‘Bemerkungen zu einem Stilleben von Rachel Ruysch’, Oud Holland … (1962) 137-138.
  • Jaromir Sip, ‘Notities bij het stilleven van Rachel Ruysch’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 19 (1968) 157-170.
  • Eddy de Jongh, Still-Life in the age of Rembrandt (Auckland 1982).
  • Erika Gemar-Költzsch, Holländische Stillebenmaler im 17. Jahrhundert (Lingen 1995).
  • Paul Taylor, Dutch flower painting 1600-1720 (New Haven 1995).
  • Marianne Berardi, Science into Art. Rachel Ruysch’s early development as a still-life painter (Pittsburgh 1998).
  • Kunstschrift (2000) [themanummer over Rachel Ruysch].
  • Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch (Amsterdam 2004).

Illustraties

  • Portret, door A. Schouman naar J. Houbraken, 1750 (Universiteit van Amsterdam; Bijzondere Collecties).
  • Rachel Ruysch, Boomstronk met bloemen. Olieverf op doek 98,8 x 82,5 cm. Gesigneerd en gedateerd, 1685 (Museum Boijmans-van Beuningen, Rotterdam). Uit: Elck zijn waerom. Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950, Katlijne van der Stighelen en Mirjam Westen ed. (Amsterdam 1999).

Auteur: Luuc Kooijmans

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 403

laatst gewijzigd: 13/01/2014