Sablairolles, Suzanna Nanette (1829-1867)

SABLAIROLLES, Suzanna Nannette (geb. Middelburg 13-1-1829 – gest. Amsterdam 13-1-1867), toneelspeelster. Dochter van Jacob Hendrik Sablairolles (1793-1833), toneelspeler, en Johanna Scholten (1793-1842), costumière. Vanaf ca. 1850 had Suze Sablairolles een verhouding met Pierre August Morin (1819-1895), toneelspeler. Uit deze relatie werden 4 kinderen geboren, van wie in elk geval 1 zoon en 1 dochter de volwassen leeftijd bereikten.

Suzanna Nannette (Suze) Sablairolles werd geboren als zevende kind in een protestants gezin. De familie reisde veel door het land vanwege het werk van vader Sablairolles bij het toneel en dat verklaart waarom Suze werd geboren en gedoopt in Middelburg. Ze groeide op in Den Haag. Op vierjarige leeftijd verloor ze haar vader aan de cholera, twee dagen nadat haar moeder was bevallen van een tweeling. Zo bleef Johanna Scholten alleen achter met de zorg voor zeven kinderen – van haar vijf zoons en vijf dochters waren drie kinderen op jonge leeftijd overleden. Na het overlijden van Jacob Sablairolles verslechterde ook de financiële situatie van het gezin. Deze nood was waarschijnlijk de reden voor Johanna Scholten en twee van haar dochters, Theodora Sophia (Sophie) (1817-1859) en Wilhelmina Gerritje (Mina) Sablairolles (1818-1891), om te gaan werken bij de Zuid-Hollandsche Tooneelisten, een in Den Haag gevestigd theatergezelschap. Op tienjarige leeftijd begon Suze ook op te treden bij dit gezelschap. Zij was dertien toen haar moeder overleed.

Aanvankelijk trad Suze voornamelijk op in kinderrollen. In 1845 werd ze gekozen om Amalia te spelen in Desnoyer’s De debutant, haar eerste grote rol. Een jaar later verklaarde de toneelspeelster Jacoba Naret Koning-Majofski door Suze te willen worden gesecondeerd. Suze ging voornamelijk spelen in vaudevilles, komedies en kluchten – genres die haar specialisme zouden worden. Op 26 juli 1847 debuteerde ze bij de Zuid-Hollandsche Tooneelisten onder de directie van Anton Peters als Maritana in Don Cesar de Bazan van Dumanoir en d’Ennery. Een andere belangrijke kans kreeg ze op 26 december van datzelfde jaar, toen ze inviel voor haar zuster Mina, die wegens ziekte niet kon spelen. In de eerste jaren van haar toneelcarrière heeft Suze vaak samen met haar zusters opgetreden, maar hun relatie verslechterde. Aan het eind van Suzes carrière durfden schouwburgdirecteuren Suze en Mina niet meer samen in één gezelschap te engageren.

Suze Sablairolles raakte in 1851, op 22-jarige leeftijd, in verwachting van de toneelspeler Pierre August Morin, die sinds 1848 verbonden was aan de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Gedurende Sablairolles’ verdere toneelcarrière zouden zij en Morin altijd tezamen geëngageerd zijn bij een gezelschap. Op 14 augustus 1852 beviel Sablairolles in Rotterdam van een dochter; Suzanne Augusta Jeannette Sablairolles. Alhoewel er geen vader vermeld staat op de geboorteakte was het algemeen bekend dat Sablairolles en Morin een relatie hadden, op en buiten het toneel. Ze speelden op het toneel vaak elkaars partner en werden naar alle waarschijnlijkheid in het dagelijks leven ook gezien als partners. Ze zijn echter nooit getrouwd. In Amsterdam kregen Sablairolles en Morin hun tweede en derde kind: Catherina Maria Sablairolles (geb. 1855) en Jaques Henri August Sablairolles (1861-1887).

In 1853 stopte Sablairolles bij de Zuid-Hollandsche Tooneelisten en scheidde zij zich af van haar drie zussen, die wel aan het gezelschap verbonden bleven (de jongste, Henriëtte Jacqueline, speelde er sinds 1840). Samen met Morin verbond zij zich aan de Amsterdamse Schouwburg onder de directie van J.Ed. de Vries. Zij was een van de eerste toneelspeelsters die door de belangrijkste actrice van dit gezelschap, Maria Francisca (Mimi) Bia, werd geaccepteerd als mede-actrice, maar in eerste instantie ook alleen als gast. Vier jaar later vertrok Sablairolles met Morin en Anton Peters naar Rotterdam. Laatstgenoemde werd de nieuwe directeur van de Rotterdamse Schouwburg en bood Sablairolles en Morin goede posities aan bij zijn nieuwe gezelschap.

Na twee jaar keerden Sablairolles en Morin terug naar Amsterdam om daar bij de Salon des Variétés van Boas en Judels te spelen. Ze werd aangenomen als eerste actrice en speelde voor haar debuut de rol van Marie Jeanne in het gelijknamige drama van d’Ennery en Mallian. Een recensent schreef over dit optreden: ‘De indruk, die haar spel van het begin tot het einde op de toeschouwers wist voort te brengen, was zo diep en levendig, dat zij veelvuldige malen daverend toegejuicht en herhaaldelijk teruggeroepen werd. Welk een toon van waarheid wist zij aan haar gevoel te geven, hetzij dat zij de gelukkige bruid, de rampzalige gade, de tedere moeder in al derzelver fasen vertoonde; en hoe treffend beantwoordde de uitdrukking van het gelaat, houding en al hare bewegingen aan die toon!’ (Algemeen Handelsblad, 27 september 1858).

In deze jaren verwierf Sablairolles steeds meer roem met haar spel: ze was ‘het sieraad van het toneelgezelschap’ en de lieveling van het publiek. In 1866 kwam dan ook de wens van vele Amsterdammers uit toen zij werd aangenomen bij de Amsterdamse Schouwburg, waar ze onder meer met Marie Kleine-Gartman speelde. Vanwege haar natuurlijke spel en vakbekwaamheid werd Sablairolles vooral bekend om haar emotionele rollen, zoals Tisbe in Victor Hugo’s Angelo, tiran van Padua en Julia in Shakespeare’s Romeo en Julia. Een van haar bekendste vertolkingen was de titelrol in het toneelstuk Margot de bloemenverkoopster van Bourgeois en Dugué: ‘In welke mate de zo hoogst verdienstelijke kunstenares Mw. S. Sablairolles de sympathie van het publiek bezit, bewees de voorstelling [...] die ter haren voordele plaats had; een even talrijk als gedistingeerd publiek woonde de opvoering bij van het drama [...] waarin de beneficiante in twee karakters optreedt: in dat van Margot en als Leonora Galigai, ene hoogst zware taak, daar beide personen in het stuk elkander onafgebroken afwisselen, zodat Mw. Sablairolles op een enkel tafereel na, zich bijna voortdurend ten tonele bevindt’ (Algemeen Handelsblad 17 december 1866). Sablairolles moet over een flink doorzettingsvermogen hebben beschikt, want wat de recensent niet vermeldt, is dat zij op dat moment hoogzwanger was.

Na slechts enkele maanden bij de Amsterdamse Schouwburg gewerkt te hebben kwam er een abrupt einde aan de toneelcarrière van Suze Sablairolles. Op 13 januari 1867, haar 38ste verjaardag, overleed zij in het kraambed. Haar dochter werd levenloos geboren. Sablairolles had vier dagen daarvoor nog opgetreden als Marion Delorme in De Markiezin de Senneterre van Mélesville-Duveyrier.

Vele kranten berichtten over Sablairolles’ overlijden en de begrafenis. Ze werd met grote plechtigheid op 18 januari in Amsterdam begraven in aanwezigheid van vele toneelspelers en andere belangstellenden, wier namen vermeld staan in de krantenverslagen. Daaronder bevonden zich echter niet die van haar naaste familieleden of kinderen. In de negentiende-eeuwse bronnen over Sablairolles wordt haar professionele leven uitvoerig besproken, maar over haar privéleven zwijgt men. Niets werd er geschreven over haar zwangerschap of haar doodgeboren dochter, die waarschijnlijk mét haar begraven is. Waar en bij wie haar andere, nog jonge kinderen na haar dood terecht zijn gekomen, is onbekend. Jaques Henri zou musicus worden en Catharina Maria heeft later enkele keren in België als toneelspeelster opgetreden.

Kort na Sablairolles’ overlijden werd er door een speciaal opgerichte commissie geld ingezameld voor een gedenksteen op haar graf. Op 31 mei 1867 werd de steen – in de vorm van een gebroken zuil ontworpen door J.D.J. Teixeira de Mattos – geplaatst op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Het was de eerste gedenksteen in Nederland die op het graf van een toneelspeelster werd opgericht. Op 24 mei 1901 werd het grafmonument overgebracht naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar het nog altijd staat.

Naslagwerken

Coffeng.

Archivalia

  • Gemeentearchief Amsterdam: DTB.
  • Haags Gemeentearchief: Bevolkingsregister 1840.
  • Gemeentearchief Rotterdam: DTB.
  • Theater Instituut Nederland, Amsterdam: personaliamap S. Sablairolles.

Gespeelde rollen

Voor andere dan de hierboven genoemde rollen, zie Coffeng.

Literatuur

  • Tooneel-almanak voor het jaar 1843 (Amsterdam 1843).
  • Algemeen Handelsblad (27-9-1858) [recensie].
  • Algemeen Handelsblad (17-12-1866) [recensie].
  • Amsterdamsche Courant (19-1-1867) [necrologie].
  • Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage (21-1-1867) [necrologie].
  • Suzanna Sablairolles. Schets n.a.v. haar overlijden (1867) [TIN, knipsel personaliamap].
  • L. le Bêgues, Suzanna Sablairolles, een Nederlandsche tooneelkunstenaresse herdacht (1867).
  • S.J.T. van den Berg, Ter herinnering aan de onvergetelijke kunstenares wijlen S.N. Sablairolles (Amsterdam 1870).
  • M.B. Mendes da Costa, Tooneel-herinneringen 1 (Leiden 1900).
  • G.A. Gillhoff, The Royal Dutch Theatre at the Hague 1804-1876 (Den Haag 1938).
  • M. de Roever en J. Bierenbroodspot, De begraafplaatsen van Amsterdam (Amsterdam 2004) 142.

Illustratie

  • Portret, door H.A.C. Dekker, 1847 (Gemeentearchief Amsterdam).
  • Grafmonument voor Suze Sablairolles, steendruk door G. Wouters jr. ca. 1867 (Gemeentearchief Amsterdam).

Auteur: Inge-Marlies Sanders

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 733

laatst gewijzigd: 13/01/2014