Sandberg, Jacoba Philippina (1876-1976)

 
English | Nederlands

SANDBERG, Jacoba Philippina, vooral bekend als Jacqueline Royaards-Sandberg (geb. Pamekassan, Nederlands-Indië 27-10-1876 – gest. Amsterdam 30-3-1976), actrice. Dochter van Johan Jacob Sandberg (1838-1905), KNIL-militair, en Marianne Begemann (1843-1899). Jacoba Sandberg trouwde op 23-12-1903 in Parijs met Willem Cornelis Royaards (1867-1929) acteur, toneeldirecteur en regisseur. Uit deze relatie werden 4 zoons geboren.

Jacqueline Sandberg werd geboren als nakomertje in het gezin van jonkheer J.J. Sandberg, een hoge KNIL-militair. Ze had drie broers en één zus. In 1882 kwam het gezin terug naar Nederland en vestigde zich in een groot rijtjeshuis aan de Haarlemse Wilhelminastraat; later woonde het gezin in een villa aan het Molenpad. Jacqueline zat op een particuliere lagere school. In 1892, toen naar eigen zeggen haar belangstelling voor de jongens te groot werd, moest ze van haar ouders op kostschool in Driebergen. Na een jaar keerde ze terug naar het ouderlijk huis, waar ze privélessen viool, Frans en Italiaans kreeg. Belangrijke vrienden uit die tijd waren Hermine Schuylenburg en Emile en Frans Erens. Met de katholieke ‘Tachtiger’ Frans Erens bleef ze tot december 1935 intensief corresponderen. Ook met de schrijver Karel J.L. Alberdingk Thijm (beter bekend als Lodewijk van Deyssel) onderhield ze met onderbrekingen een uitvoerige briefwisseling (1895-1952) die door haarzelf was geïnitieerd. Door al deze brieven, en haar Herinneringen die ze te boek stelde, zijn we goed ingelicht over wat Jacqueline Sandberg bezighield en hoe ze zich door het leven sloeg.

Bij het toneel

Al vroeg droomde Jaqueline Sandberg ervan bij het toneel te gaan. ‘Pa en Ma kregen een stuip toen ik ’t hun zeide, freule Sandberg aan ’t toneel’, schreef ze als negentienjarige in een brief aan Van Deyssel (Ik heb je zoveel te vertellen, XIII). Toch zette ze door. Ze volgde lessen aan de Amsterdamse School van de Vocale en Dramatische Kunst bij André Jolles en Cateau Esser, en ontmoette zo de bekende acteur Willem Cornelis Royaards, die haar op 5 november 1897 zag debuteren in Ibsens Kleine Eyolf (onder regie van Esser). Ze kreeg een relatie met de getrouwde Royaards waaruit twee zoons werden geboren: Willem (1899-1989) en Hans (1902-1975). De omstandigheden heeft Sandberg met weinig woorden en enigszins omfloerst in haar Herinneringen beschreven. Het eerste kind kwam in Engeland ter wereld en bleef daar de eerste jaren, het tweede werd geboren in Amsterdam, met hulp van dr. Van Tussenbroek, die Sandberg ook hielp aan een adres waar ze het kon onderbrengen (Herinneringen, 64-69). In 1903 werd de echtscheiding uitgesproken tussen Royaards en zijn vrouw, de actrice Josephine Spoor, en eind 1903 trouwden Sandberg en Royaards. Er volgden nog twee zoons: Ben (1904-1966) en Kees (1906-1970).

Via Royaards kwam Sandberg bij het professionele toneel. In november 1901 trad ze voor het eerst op als beroepsactrice in Een Winteravondsprookje van Shakespeare, bij het gezelschap waaraan Royaards toen was verbonden. Van 1904 tot 1907 verbleef ze regelmatig in Duitsland, waar Royaards optrad. Tussen de toneelseizoenen door speelde ze verschillende rollen in de zogeheten Zomerspelen te Laren, georganiseerd door haar man en Eduard Verkade. Ook toen Royaards in 1908 in Rotterdam de Warenar van Hooft regisseerde, kreeg Sandberg een rol. In hetzelfde jaar kreeg haar man een relatie met de schrijfster Top Naeff. Volgens Sandberg probeerde Top Naeff (‘Mevrouw von Stein’) haar voortdurend te kleineren (Herinneringen, 116). In Naeffs biografie van Royaards wordt Sandberg ternauwernood genoemd, maar wel in de Dramatische kroniek die Naeff van 1918 tot 1923 schreef.

In de jaren 1908-1924 speelde Sandberg altijd onder regie van haar echtgenoot. In de openingsvoorstellingen van zijn gezelschap Het Tooneel vervulde zij vele malen de rol van Eva in Adam in ballingschap van Vondel. Hoogtepunten bereikte zij als Rafaël in Lucifer (1910), Badeloch in Gijsbreght van Aemstel, Greetje in Faust (1917/1918) en Olivia in Driekoningenavond (1916/1917). In 1929, na de dood van haar man, richtte Sandberg met anderen een eigen gezelschap op: het Nieuwe Schouwtooneel. Later speelde ze achtereenvolgens bij Het Masker, het Amsterdams Toneelgezelschap, de Nederlandse Comedie, Theater, Ensemble en het Amsterdams Toneel. In de oorlog weigerde ze zich aan te melden bij de Kultuurkamer, na de oorlog pakte ze haar werk weer op. In 1955 richtte ze samen met Kees van Iersel en Amy van Marken toneelgroep Test op: een gezelschap dat na de reguliere voorstellingen experimenteel toneel opvoerde. Op haar tachtigste speelde Sandberg nog in Home, sweet home van John Osborne en tien jaar later in Het huis van Bernarda Alba van Garcia Lorca.

Sandberg ontving in 1967 de zilveren medaille van de stad Amsterdam. Na een ongelukkige val in 1969 schreef ze haar memoires, maar in 1972 95 jaar oud – stond ze toch weer op de planken: in De liefdes van Cass McGuire van Brian Friel. In 1976 overleed Jacqueline Royaards-Sandberg thuis aan de Prinsengracht, bijna honderd jaar oud en na een weduwschap van 47 jaar. Drie van haar vier zoons had ze overleefd. Ze is begraven op Westerveld.

Reputatie

De betekenis van Jacqueline Royaards-Sandberg is door sommigen vooral gezocht in haar omgang met belangrijke mannen uit de wereld van de kunst. Illustratief hiervoor is de wijze waarop Harry Prick haar briefwisseling heeft uitgegeven: aan het leven van Sandberg zelf besteedt hij geen aandacht. Zo lijkt haar leven in dienst te hebben gestaan van anderen. Anton Koolhaas heeft de loopbaan van Sandberg treffend omschreven als een leven ‘in dienst van het toneel, in haar privéomstandigheden geteisterd door drama, kreeg in die kleine rol iets zeer verhevens. Het alles van het leven weten, de berusting en het van die berusting uit dierbaren dienend, kreeg in een oogwenk gestalte en werd bovendien op slag onvergetelijk’. Koolhaas memoreert hoe het onder regie van Royaards ontwikkelde maniërisme in haar spel na diens dood verdween: ‘Niet alleen doordat haar spel aan eenvoud won, maar vooral doordat haar hele stijl van spelen zich in zodanige mate verinnerlijkte, dat haar “aanwezigheid” reeds een uitstraling had die nog maar heel weinig aanvulling behoefde van “spel” en typering’. Kees Fens schreef in 1981 dat haar postuum uitgegeven brieven ‘het geestelijk klimaat in de tweede helft van de [jaren 1890] binnen de gesloten kring der kunstminnenden [...] onovertrefbaar weergeven’.

Naslagwerken

BWN; Coffeng; Honig; Onze tooneelspelers.

Rollen

  • Lijst van haar rollen in Herinneringen (1979) 252-255. Zie ook het overzicht op theaterencyclopedie.
  • Enkele fragmenten zijn te zien op de site van Eye.

Publicaties

  • Herinneringen, Harry G.M. Prick ed., met inleiding van H.H.J. de Leeuwe (Baarn 1979).
  • Ik heb je zoveel te vertellen. Brieven van en aan Lodewijk van Deyssel, Emile en Frans Erens en Isaac Israels, Harry G.M. Prick ed. (Baarn 1981). 

Literatuur

  • A.M. Buis, ‘Het zilveren tooneel-jubileum van mevr. Jacqueline Royaards-Sandberg’, Het Tooneel 18 (1933) 120-122.
  • R. van Ruyver, ‘Van uit de stalles’, Morks Magazijn 35 (1933) 35-36.
  • Top Naeff, Willem Royaards. De tooneelkunstenaar in zijn tijd (Den Haag 1947).
  • Anton Koolhaas, ‘Jacqueline Royaards zocht het drama en het heeft haar gevonden’, Vrij Nederland (10 april 1976).
  • Kees Fens, recensie van Ik heb je zoveel te vertellen, De Volkskrant (5 oktober 1981).
  • Nederland’s Adelsboek 92 (2007) 166-168.

Illustratie

Jacqueline Royaards-Sandberg als Elektra. Collectie Het Leven, ongedateerd (Nationaal Archief / Spaarnestad Photo).

 

Auteur: Redactie (dit lemma is o.a. gebaseerd op het BWN-lemma van Harry G.M. Prick)

laatst gewijzigd: 24/02/2017