Sanson, Dina (1868-1929)

 
English | Nederlands

SANSON, Dina (geb. Rotterdam 21-5-1868 – gest. Zeist 30-5-1929), eerste politievrouw in Nederland met opsporingsbevoegdheid. Dochter van Bernard Sanson (1841-1913), koopman, en Rebecca Maria Hijmans (1839-1895). Dina Sanson bleef ongehuwd.

Dina Sanson was het oudste kind in een welvarend en modern Joods koopmansgezin. Met haar zus Josephine en broers Willem Lodewijk en Emanuel Jacobus groeide ze op in Villa Overmaas op Katendrecht. Over haar schooljaren is niets bekend. Mogelijk ging Dina vroeg het huis uit en is zij de juffrouw D. Sanson die in 1885 op adres Wijnstraat 43 woonde (Rotterdamsch nieuwsblad, 7-12-1885). Toen haar moeder in 1895 overleed, keerde ze als oudste dochter waarschijnlijk terug naar het ouderlijk huis om de leiding van het huishouden op zich te nemen.

Armenzorg en politie

Vanaf 1896 – mogelijk al eerder – was Dina Sanson actief bij verschillende Joodse liefdadigheidsinstellingen in Rotterdam, zoals de Centrale Vereeniging tot Verbetering van de Armenzorg in de Nederlandsch Israëlitische Gemeente. Een aantal jaren later meldde ze zich aan bij de in 1899 opgerichte School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam, waar zij het diploma Armenzorg haalde. Zij kreeg daar les over hygiëne, wijkverpleging, kinderbescherming, staatsinrichting en wetgeving. Sanson werkte vervolgens een tijd lang als armenbezoekster voor de Joodsche Armenzorgvereeniging te Rotterdam en gaf leiding aan Joodse gezondheidskolonies voor kinderen. In deze jaren verbleef zij enige tijd in Duitsland, Engeland en Frankrijk, waar zij de talen leerde. Zij werkte vanaf ongeveer 1910 als districtsvoorzitter van de Rotterdamse Armenzorg en woonde toen met haar vader aan de Mathenesserlaan (nr. 220) – daarvoor, rond 1902, woonden zij aan de Coolsingel (nr. 70).

Toen de Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Th.M. Roest van Limburg in 1911 een vrouwelijke medewerker voor controle op de prostitutiewetgeving zocht, stelde de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming de inmiddels 42-jarige Dina Sanson voor. Zij kreeg op 1 mei 1911 de functie van politieassistente met een bescheiden inkomen van duizend gulden per jaar. Sanson werd daarmee de eerste politievrouw in Nederland met opsporingsbevoegdheid. Haar werk vond niet op straat plaats. Zij droeg dan ook geen uniform en hield kantoor in een huiskamerachtige setting. Sanson ontfermde zich over zedenzaken van jonge meisjes, variërend van onzedelijk geacht gedrag tot prostitutie. Zij hield toezicht, verleende hulp, behandelde klachten en stuurde de meisjes eventueel naar een opvanghuis.

Engeltjesmakerij

Op aanraden van juriste Cornelia Beaujon, die in het buitenland goede resultaten van dit werk had gezien, kreeg politievrouw Sanson tot taak de zogenaamde engeltjesmakerij in de stad aan te pakken: alleenstaande moeders besteedden hun kinderen vaak noodgedwongen uit aan kosthuizen waar de kinderen door verwaarlozing en uitbuiting regelmatig stierven een ‘engeltje’ werden. Uitbaatsters anticipeerden daar soms zelfs op door een overlijdensverzekering op de hun toevertrouwde kinderen af te sluiten – zo hadden ze profijt van hun dood. Sanson schreef in 1912 een rapport over deze wantoestanden aan de hoofdcommissaris van politie. Samen met een ongeveer tezelfdertijd verzonden verzoek van de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming was dit rapport de aanleiding voor een gemeentelijke verordening die regels stelde aan het verzorgen van kinderen in kosthuizen.

Toen het aantal ‘meisjesgevallen’ op haar afdeling de driehonderd per jaar naderde, kreeg Sanson er in 1918-1919 twee vrouwelijke collega’s bij: de verpleegsters C. Hoogendijk en J.E. Braat. Hun afdeling stond vanaf 1919 bekend als het Bureau Kinder- en Zedenpolitie.

Naast haar baan bleef Dina Sanson actief bij diverse maatschappelijke verenigingen. Van 1904 tot aan haar dood had ze zitting in het bestuur van de Centrale Vereeniging van Armenzorg in de Israëlitische gemeenten. Tevens was ze secretaris van de Joodse Kinderzorg te Rotterdam en zat ze in het bestuur van de Vereeniging ter Behartiging van de Belangen van de Vrouw. In 1918 richtte ze met hoogleraar strafrecht David Simons de Vereeniging tot Bescherming van Joodsche Meisjes op; zij was hiervan de eerste president. Deze vereniging stichtte in 1926 in Santpoort een eigen tehuis voor ‘gevallen’ Joodse meisjes.

Dina Sanson was nog werkzaam bij de Rotterdamse politie toen zij op 30 mei 1929 op 61-jarige leeftijd in het gemeentelijk ziekenhuis in Zeist overleed. Zij woonde sinds de dood van haar vader (1913) in bij haar zus Josephine en haar man. Onbekend is of zij onverwachts overleed, misschien bij een bezoek aan haar broer in Zeist, of dat zij daar haar ziekbed had. Sanson werd begraven op de Israëlitische begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam. Na haar dood werd het tehuis in Santpoort naar haar vernoemd: Huize Dina.

Betekenis

Dankzij het pionierswerk van Dina Sanson in Rotterdam groeide de kinder- en zedenpolitie landelijk uit tot een volwaardig instituut. In Den Haag werd in 1913 een vrouwelijke politiebeambte aangesteld, Utrecht en Amsterdam volgden in 1918 en 1920. In Amsterdam trad in 1923 Meta Kehrer aan, die in 1926 als eerste vrouw het diploma van politie-inspecteur behaalde. Dina Sanson zou in naam verbonden blijven aan het fenomeen van de vrouwelijke politiemedewerker: van 1985 tot 2000 verscheen tweemaandelijks Dien. Tijdschrift voor de Vrouw bij de Geuniformeerde Overheid en Den Haag kreeg in de jaren negentig Kindercentrum Dientje, een 24-uursopvang voor kinderen die het voor vrouwen aantrekkelijker moest maken om bij politie Haaglanden te komen werken.

Archivalia

Stadsarchief Rotterdam: BS en diversen.

Publicaties

  • ‘Werkkring van de politie-assistenten in Rotterdam’, Algemeen Nederlandsch Politie-Weekblad 213 (1920) 38.
  • ‘De Politieverordening op de uitbestede kinderen; zooals het was’, in: Gedenkboek Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming 1897-1922 (z.p. z.j. [1922]) 39.

Literatuur

  • Sarah-Mie Luyckx (red.), Spiegel van de tijd. 40 jaar vrouwen bij de politie (Utrecht 1993).
  • Nelleke Manneke, Vrouwen van kaliber. Politievrouwen in de twintigste eeuw (Apeldoorn 1998).

Illustratie

Dina Sanson, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Collectie PIT Veiligheidsmuseum).

Auteur: Ingrid van der Vlis

laatst gewijzigd: 01/10/2017