Scheltema, Maria Petronella Cornelia (1834-1911)

 
English | Nederlands

SCHELTEMA, Maria Petronella Cornelia, vooral bekend onder het pseudoniem Constantijn (geb. Semarang, Indonesië 3-5-1834 – gest. Den Bosch 23-10-1911), schrijfster. Dochter van Cornelis Jacobus Scheltema (1790-1834), financieel toezichthouder namens de Nederlandse regering in Semarang, en Catharina Margaretha Dibbetz (1810-1870). Maria Petronella Cornelia Scheltema trouwde op 12-5-1863 in Roermond met Petrus Cornelis van der Does (1826-1906), commies, rijksontvanger. Het huwelijk bleef kinderloos.

Maria Petronella Cornelia Scheltema werd geboren in Semarang in een gezin met vijf kinderen (waarvan twee uit het eerste huwelijk van haar vader). Haar grootvader was de bekende letterkundige Jacobus Scheltema (1767-1835). Enkele maanden na Maria Petronella’s geboorte overleed haar vader op 44-jarige leeftijd in Semarang. Haar moeder keerde daarna met haar gezin terug naar Nederland en vestigde zich in Gendringen, Gelderland.

Op 12 mei 1863 trouwde de inmiddels 29-jarige Maria Petronella Scheltema in Roermond met Petrus Cornelis van der Does, rijksontvanger te Gendringen. In 1865 woonde het paar in Groningen, waar Maria Petronella Scheltema-van der Does op 15 juni een doodgeboren zoontje kreeg. In de periode daarna begon zij te schrijven.

Maria Petronella Scheltema-van der Does publiceerde van 1871 tot 1879 novellen en recensies in De Gids, De Vrije Gedachte en Nederland, onder het pseudoniem Constantijn, de naam die zij aan haar zoontje had willen geven. Haar eerste novelle ‘Hilda’ – in 1872 in boekvorm verschenen – werd gunstig ontvangen, als een specimen van de nieuwe Nederlandse romankunst. Zij beschreef de liefde van een volwassen vrouw voor een getrouwde man en stelde daarbij godsdienstige en morele discussies van haar tijd aan de orde. Busken Huet vond het een poëtisch en verheven verhaal over een ‘thema zo oud als de weg van Jakarta’ en vond de schildering van Hilda’s karakter geslaagd (Busken Huet, Literarische Fantasiën, 15, 201-202). Letterkundig Nederland vroeg zich af wie er schuilging achter het peseudoniem. Huet veronderstelde dat het een man was, maar Bosboom-Toussaint was het daar niet mee eens: ‘.. die Konstantijn [sic] zal zeker ene Constancia moeten zijn, want zij geeft dunkt mij voor een Heer het vrouwelijk gevoel te fijn en te intiem’ (brief Bosboom Toussaint aan Potgieter, 19-12-1871). De recensent van Ons Streven stelde dat alleen een man een dergelijk boek kon schrijven, want ‘deze roman zal een vernederend gevoel in het hart van ieder meisje achterlaten (Ons Streven 1871, 206). Uit een brief van Bosboom-Toussaint aan Jacoba Jolles-Singels van 17 februari 1879 blijkt dat zij via Busken Huet eindelijk had ontdekt wie de auteur was met de naam Constantijn. De schrijfster zelf had haar een brief met foto gestuurd: ‘daarnaar te oordelen ziet zij er allerliefst en vrolijk uit – dat laatste zou men uit haar werk niet het eerst opmaken’, aldus Bosboom-Toussaint, die had beloofd haar ‘incognito’ te eerbiedigen (gecit. Reeser, 397).

Maria Petronella Scheltema-van der Does schreef ook recensies onder haar pseudoniem. Over Lidewijde van Busken Huet oordeelde zij dat het geen roman was, maar een zinnebeeld, een ‘schilderij voor oningewijden, voor onschuldigen’, het ‘shibboleth der zelfkennis’ (De Vrije Gedachte 1872, 237, 240). Ondanks deze kritische bespreking waardeerde Huet haar recenseerkunst en beval haar aan als recensent voor Nederland. In een brief van Huet van 14-3-1878 aan J.C. Loman: ‘Persoonlijk ken ik haar niet, houd ik Mevr. Van der Does voor ene scherpzinnige, onafhankelijk denkende vrouw, zeer geschikt, ook wegens haar pseudoniem (die strikt geëerbiedigd moet blijven), als beoordelaarster op te treden’.

Eind jaren zeventig staakte Maria Petronella Scheltema-van der Does het schrijven. Haar laatste novelle Frederic Marrens kwam – zo blijkt uit haar correspondentie met J.C. Loman – moeizaam tot stand. Het werd minder goed ontvangen dan haar eerdere werken. Het echtpaar Van der Does verhuisde naar Amsterdam – waar haar man in 1906 overleed – en zelf stierf Maria Petronella Scheltema-van der Does in 1911 in Den Bosch, 77 jaar oud.

Waardering

Potgieter, Busken Huet, Bosboom-Toussaint verwelkomden het werk van Maria Petronella Scheltema-van der Does, alias Constantijn, als een goed voorbeeld van moderne romankunst. Behalve haar karaktertekening, verhaal en stijl kreeg zij vooral veel waardering voor het feit dat zij haar verhalen plaatste tegen de achtergrond van ‘de strijd der geesten op wijsgeerig en kerkelijk gebied in Nederland’. Volgens Ten Brink worden in Hilda ‘grote, zeer gewichtige wijsgerige vraagstukken’ behandeld, terwijl in Victor d'Avlyn en in Frederic Marrens de ‘bange strijd van hartstochten en plichten’ het thema is en het drama der liefde op de voorgrond treedt. Ten Brink classificeert haar onder de auteurs die het leven in de Nederlandse maatschappij van 1830-1880 als stof voor haar romans en novellen kozen (Ten Brink 3, 397).

Naslagwerken

Basse; Frederiks/Van den Branden; Ter Laan; Ten Brink.

Archivalia

  • CBG, Den Haag: Familieadvertenties, overlijden Cornelis Scheltema, 21-11-1834.
  • DBNL: Brieven van Busken Huet en Jan ten Brink aan de uitgever van het tijdschrift Nederland, 10-3-1878, 14-3-1878.
  • Genealogie Familie Scheltema: http://www.genealogieonline.nl/database-bergman/I7729.php
  • Letterkundig Museum, Den Haag: 16 Brieven van M.P. Scheltema-van der Does aan Jan Christiaan Loman jr., 20-3-1878 – ?-8-1879.

Publicaties

Novellen onder het pseudoniem Constantijn:

  • Hilda (Amsterdam 1872) [oorspronkelijk als novelle in De Gids 9 (1871) 4, 379-491].
  • ‘Victor d'Avlyn’, De Gids 11 (1873) 4, 421-523.
  • Constantijn, ‘De vloek der halfheid’, Landjuweel (1878) 1, 1-54.
  • Frederic Marrens (Amsterdam 1879) [oorspronkelijk in Nederland (1879) 1].

Boekbesprekingen onder het pseudoniem Constantijn:

  • [Busken Huet, Lidewijde] in De Vrije Gedachte (1872) 1, 232-252; [Van Limburg Brouwer, Akbar] (1873) 4, 274-301; [Elise van Calcar, Kinderen der eeuw] (1874) 4, 499-567.

Literatuur

  • Conrad Busken Huet [over ‘Hilda’], ‘Constantijn’, Litterarische Fantasieën en Kritieken 15 (Haarlem 1812) 201-204 [Oorspronkelijk in de Javabode 1872].
  • Bespreking van ‘Hilda’, Ons Streven (1871) 52, 206.
  • H. Reeser, De huwelijksjaren van A.L.G. Bosboom-Toussaint 1851-1886 (Groningen 1985) 241, 397.
  • H. Reeser, Repertorium op de briefwisseling van A.L.G. Bosboom-Toussaint (Amsterdam 1990) 114.
  • Olf Praamstra, Gezond verstand en goede smaak (Amstelveen 1991) 271, 417-418.
  • Erica van Boven, ‘Het pseudoniem als strategie. Pseudoniemen van vrouwelijke auteurs 1850-1900’, Nederlandse letterkunde (1998) (4), 309-326.

Auteur: Els Naaijkens

laatst gewijzigd: 13/01/2014