Sjaarda, Swob (ca. 1435-1520)

SJAARDA, Swob, ook bekend als Swob Sjaerdema en Swob Hottinga (geb. ca. 1435 – gest. Franeker? 1520), lid van een Schieringer familie, bekend om haar ‘valse trouw’. Dochter van Douwe Tjaerts Aylva (gest. 1481/1482) en Edwert Sjaarda (ca. 1415-gest. 1510). Swob Sjaarda trouwde ca. 1455 met Jarich Epes Hottinga (ca. 1425?-gest. 1475). Uit dit huwelijk werden ten minste 2 dochters en 3 zoons geboren.

Swob Sjaarda was de enige dochter van Edwert Sjaarda en Douwe Tjaerts Aylva, hoofdeling te Witmarsum. Haar moeder was de erfdochter van een van de rijkste hoofdelingenfamilies van Friesland, reden waarom haar vader na zijn huwelijk de geslachtsnaam van zijn echtgenote aannam. Swob had nog twee broers: Tjaert en Sicke. De familie woonde op Oud-Sjaerdema, een stins met boerderij ten oosten van Franeker die in 1444 door noodweer werd verwoest. De familie bezat ook een huis in Franeker, westelijk van de Martinikerk en daarom ‘Sjaerdema bij de kerk’ genoemd. Waarschijnlijk is Swob in een van die huizen ter wereld gekomen. In 1449 lieten haar ouders in Franeker een waterburcht bouwen, het Sjaerdemaslot. Swob heeft hier naar alle waarschijnlijkheid voor haar huwelijk nog enige tijd gewoond. Haar vader werd in 1464 door de Duitse keizer tot baanderheer en baron van Franeker verheven.

Rond 1455 trad Swob in het huwelijk met Jarich Epes Hottinga, hoofdeling te Nijland (tussen Bolsward en Sneek). In 1450 wordt hij al genoemd als grietman van Hennaarderadeel. Vermoedelijk was Jarich een jaar of tien ouder. Het paar woonde aanvankelijk in Wommels, hoofdplaats van de grietenij Hennaarderadeel. Na de dood van Jarichs vader (na 1458) betrokken Jarich en Swob de Hottingastins (in Nijland).

In de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers behoorden de families Sjaarda en Hottinga tot de Schieringers. Toen Swob Sjaarda in 1475 weduwe werd, bleef ze betrokken bij de partijtwisten doordat haar vader en haar broer Sicke de Hottingastins gebruikten als uitvalsbasis voor plundertochten tegen de Vetkoperse steden Sneek en Bolsward. In 1481 belegerden de Snekers en Bolswarders drie weken lang de Hottingastins met het grote kanon van Sneek. De belegeraars schoten het oude bolwerk om de stins er bijna helemaal af, maar slaagden er niet in het huis zelf te verwoesten. Tijdens de belegering kwam Wybe Grovestins, bijgenaamd Skerne Wybe (‘geschoren’, d.w.z. kaal), de Snekers te hulp. Hij wilde Swob Hottinga spreken, maar om zeker te zijn dat hij niet gevangengenomen zou worden, vroeg hij: ‘Swob, is’t leauwe?’ (Swob, op je erewoord?). Swob gaf haar woord en verleende hem geleide. Dit bleek een valstrik. Ze deed alsof ze ziek was en niet ver kon lopen. Daarom kwam Skerne Wybe haar op de ophaalbrug tegemoet. Leunend op twee soldaten kwam Swob naderbij, maar toen ze vlakbij was, namen de soldaten Skerne Wybe plotseling gevangen, sleurden hem de brug over en gooiden hem in de kelder. Vervolgens werd er een wapenstilstand gesloten, bezegeld op Goede Vrijdag (20 april) 1481: Skerne Wybe werd geruild tegen Tjaard Grioestera, bastaardzoon van Douwe Sjaarda en dus een halfbroer van Swob, die een jaar eerder door Wybe zelf gevangen was genomen. De chroniqueur Christianus Schotanus vertelt het verhaal anders. Volgens hem liep Skerne Wybe na afloop van het onderhoud de ophaalbrug over en riep Swob hem terug. Ze liet hem pas gevangen nemen toen hij opnieuw de slotgracht overstak, zodat ze strikt genomen haar woord niet brak.

Aan het einde van haar leven woonde Swob Sjaarda weer in Franeker, bij haar moeder Edwert in het Sjaerdemahuis bij de kerk, zo blijkt uit Edwerts testament. Na haar moeders dood in 1510 – ze werd ongeveer 95 jaar oud – werd de aanzienlijke nalatenschap verdeeld tussen Swob en een dochter van Swobs overleden broer Tjaert. Swob erfde tientallen huizen en boerderijen en tweederde deel van het Sjaerdemaslot en Oud-Sjaerdema. Zelf overleed Swob Sjaarda in 1520, eveneens op hoge leeftijd. Haar dochters hadden goede huwelijken gesloten met invloedrijke hoofdelingen die onder het Saksische bewind tot de bestuurlijke elite behoorden. Twee van haar drie zoons, die zij overigens alle drie overleefde, werden benoemd tot raadsheer in het Hof van Friesland. Swob Sjaarda had een talrijk nageslacht en behoort daarom tot de voorouders van een belangrijk deel van de Friese en Groninger adel.

Swobs handelwijze in 1481 werd spreekwoordelijk voor te kwader trouw handelen: ‘Ja, Swobs leauwe’ (valse trouw) betekende in vroeger tijd dat men iemand niet op zijn woord vertrouwde.

Naslagwerken

Encyclopedie van Friesland; Stamboek Frieschen adel.

Literatuur

  • Pierius Winsemius, Chroniqve ofte historische geschiedenisse van Vrieslant beginnende vanden jaere nae des werelts scheppinghe 3635 ende loopende tot den jaere nae de gheboorte Christi 1622 (Franeker 1622) 296-297.
  • Christianus Schotanus, Beschryvinge end chronijck vande heerlickheydt van Frieslandt tussen ’t Flie en de Lauwers (Franeker 1655) 216-217.
  • Groot placaat en charter-boek van Vriesland, baron G.F. van Schwartzenberg thoe Hohenlansberg ed., deel 1 (Leeuwarden 1768) 697-698.
  • Peter Jacobsz. van Thabor, Historie van Vrieslant, H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt ed. (1824; facs. uitg. Leeuwarden 1973) 36-38.
  • W. Dykstra, Uit Frieslands volksleven van vroeger en later, deel 1 (Leeuwarden 1895) 52-54.
  • Herman Hazelhoff, Edwert Sjaerdema’s erfenis. Van prebende tot stichting (Franeker 1993).
  • Friese testamenten tot 1550, G. Verhoeven en J.A. Mol ed. (Leeuwarden 1994) 59-61, 145-150.
  • Hans Mol, ‘Zielmissen en studiegelden. Vier boekjes over Friese lenen’, Fryslân 2 (1996) nr. 1, 11-14.
  • Karel F. Gildemacher, ‘Leauwe’, Leeuwarder Courant (8 augustus 2008).
  • P.N. Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners (Hilversum 2009).

Illustratie

Sjaerdemaslot bij Franeker, door onbekende kunstenaar, 18de eeuw (Fries Museum. Leeuwarden). Dit was een van de huizen die Swob Sjaarda heeft bewoond.

Auteur: Martha Kist

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 52

laatst gewijzigd: 13/01/2014