Smit Duyzentkunst, Frida (1929-2013)

 
English | Nederlands

SMIT DUYZENTKUNST, Frida, vooral bekend als Frida Balk-Smit Duyzentkunst (geb. Amsterdam 12-4-1929 – gest. Haarlem 7-2-2013), hoogleraar taalkunde. Dochter van Johannes Cornelis Smit Duyzentkunst (1883-1967), violist, later meubelmaker en houthandelaar, en Sophia Henriette Maria van der Nulft (1891-1970). Frida Smit Duyzentkunst trouwde op 10-9-1954 in Amsterdam met Antoine Balk (geb. 1927), econoom. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Frida Smit Duyzentkunst groeide op als enig kind aan de Amsterdamse Olympiakade. Haar vader was vrijdenker, haar moeder doopsgezind. Toen ze vier was, kreeg ze voor Sinterklaas haar naam in chocoladeletters. ‘Ik was totaal betoverd door die vijf letters’, vertelde ze in 1995 in een radio-interview. Kort na de bevrijding leerde ze bij de Vrijzinnig Christelijke Jeugdcentrale (VCJC) Ton Balk kennen. Na haar eindexamen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in 1947 ging ze op advies van haar lerares Nederlands met een beurs Nederlands studeren aan de Gemeentelijke Universiteit. Ze werkte als student-assistent en na haar afstuderen in 1953 als wetenschappelijk assistent bij de hoogleraar Nederlandse taalkunde Wytze Hellinga. In 1954 trouwde ze met Ton Balk.

Vorm en betekenis

Via Hellinga kwam Frida Balk in aanraking met de klinische toepassingen van de taalkunde. Samen met Hellinga en de Groninger neuroloog Jan Droogleever Fortuyn – de man van de dichteres M. Vasalis – zocht ze uit wat haar vak kon bijdragen aan de behandeling van afasie. Haar promotieonderzoek verrichtte ze bij de Amsterdamse filosoof Evert Beth, die de verschillen bestudeerde tussen natuur- en geesteswetenschappelijke verklaringen van menselijk gedrag. In 1963 verdedigde Balk haar proefschrift De grammatische functie, methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. Ze was toen al moeder van twee kinderen: dochter Marleen en zoon Roelof. In 1965 werd zoon Jan geboren.

In de inleiding van haar proefschrift noemt Frida Balk het de taak van de taalkunde om ‘het begrip betekenis te verhelderen, in plaats van het te negeren’. Hiermee nam ze stelling tegen de taalfilosoof Noam Chomsky, een voorvechter van de natuurwetenschappelijke verklaring van (taal)gedrag. Balk was het met hem eens dat het merendeel van onze kennis van taal intuïtief is, maar ze verzette zich tegen zijn stelling dat betekeniskwesties niet van belang zijn voor de taalkunde. Taal was volgens hem grotendeels aangeboren en het leren van grammaticaregels onzinnig.

Ook in latere publicaties betwistte Frida Balk Chomsky’s theorieën, vooral aan de hand van eenvoudige voorbeeldzinnen. Ze bracht ook haar kennis van de klinische taalkunde in stelling en wist bovendien haar conclusies voor leken glashelder samen te vatten. Zo vertelde ze in 1983 in een vraaggesprek met NRC Handelsblad dat de manier waarop Chomsky zinnen weergaf in ‘boomdiagrammen’ evenveel met een echte zin te maken had als een babypop met een baby.

Maatschappij en moederschap

In 1971 werd Frieda Balk lector aan de Universiteit van Amsterdam. In deze tijd van studentenprotesten en democratisering werd een subfaculteitsraad ingesteld – twee jaar lang was Balk er voorzitter van. Haar eigen maatschappelijke engagement lag op een ander gebied. Toen de uitgever van Van Dale’s Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal in 1971 van de rechter toestemming kreeg om in het lemma ‘jood’ de (oneigenlijke) betekenissen ‘woekeraar, afzetter, bedrieger’ te handhaven, schreef ze een vlammend – maar zoals altijd zorgvuldig beargumenteerd – protest in De Gids. Ook voor holocaustontkenners had ze geen goed woord over. Toen ze uit een stuk van Rudy Kousbroek opmaakte dat Chomsky het in naam van de ‘wetenschappelijke integriteit’ voor een van hen had opgenomen – wat niet geheel klopte – maakte ze hem uit voor ‘kolonel’, een verwijzing naar de kolonelsdictatuur in Griekenland die toen actueel was (gecit. Levensbericht, 35).

Het grootste maatschappelijke probleem waartegen Frida Balk haar werkzame leven lang streed, was de teloorgang van het moedertaalonderwijs en de marginalisering van het grammaticaonderricht. In een radio-interview (1995) en een vraaggesprek met Opzij (1997) luchtte ze hierover haar hart – en meteen ook over het gemak waarmee de rol van de moeder tijdens de eerste levensjaren van het kind werd afgedaan. Ze had zelf ‘ontzettend veel moeite gehad met het werkende moeder te zijn’. In 1980 werd ze benoemd tot gewoon hoogleraar in de taalkunde van het hedendaagse Nederlands aan de UvA.

Taalkunde en letterkunde

Voor Frida Balk was letterkunde uiteindelijk taalkunde (gecit. Levensbericht, 33). Zelf schreef ze graag over dichters, romanciers en hun taal. ‘Ik vind het helemaal geen heiligschennis als iemand Welk Groot Kunstwerk Of Welke Menselijke Uiting Dan Ook, systematisch, zakelijk, technisch, wetenschappelijk, benadert’, begon ze haar beschouwing over J.H. Leopold in De Revisor van 1975 (nr. 5, 62). Met Gerrit Krol debatteerde ze in 1979 in De Revisor over het gedicht ‘Tijd’ van Vasalis. In De Revisor van 1980 haalde ze met instemming de klassieke Griekse auteur Apollonius aan: ‘De grammatica dient om de dichters beter te kunnen begrijpen’ (nr. 3, 46) . In 1983 schreef ze bevlogen over de grammatica en de poëtica van Judith Herzberg en in 1986 over de taal van de romanschrijfster Josepha Mendels.

Wars van hokjesdenken doorbrak Balk de scheiding tussen taal- en letterkunde ook in omgekeerde richting. Ze zag in Hedendaagsch fetisjisme (1925), de nogal verguisde taalfilosofische opstellen van de romanschrijfster Carry van Bruggen, een ‘nieuwe weg voor de taalwetenschap’ en een vroege poging om de verwarring tussen vorm en betekenis op te lossen – iets waarvoor ze zich ook zelf inzette. Haar rehabilitatie van Van Bruggens Fetisjisme verscheen in 1981 in Forum der Letteren.

Als bestuurslid – later voorzitster – van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek bracht Balk vanaf 1982 regelmatig bezoeken aan universiteiten in het buitenland. Daarnaast diende ze de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde jarenlang van taalkundig advies.

Emeritaat en reputatie

In 1992, kort voor haar 63ste verjaardag, ging Frida Balk met vervroegd emeritaat, naar eigen zeggen omdat ze zichzelf te weinig een manager vond (gecit. Levensberichten, 36). In haar afscheidscollege stelde zij het thema dat als rode draad door haar grammaticaonderzoek liep nog eens aan de orde: de spanning tussen vorm en betekenis. In hetzelfde jaar werd ze lid van een commissie die culturele bijeenkomsten organiseerde in het Paleis op de Dam en in 1993 voorzitster van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Een jaar later verscheen haar grammaticaboek De woorden en hun zin, waarin ze de ‘nieuwe vaagheid’ en de ‘waanideeën van modieuze onderwijshervormers’ aan de kaak stelde. Het idee dat grammatica te moeilijk zou zijn voor basisscholieren, deed ze af als ergerlijk en belachelijk. Balk bleef daarnaast publiceren over haar lievelingsdichteressen Fritzi ten Harmsen van der Beek (1996), Vasalis (2003) en Ida Gerhardt (2009), maar ook over het onnavolgbare taalgebruik van Marten Toonder (2009).

Frida Balk-Smit Duyzentkunst overleed in 2013, twee maanden voor haar 84ste verjaardag. NRC Handelsblad herdacht haar als ‘een van Nederlands meest vooraanstaande taalkundigen’ die ‘ijverde voor een begrijpelijke grammatica-uitleg’ en ‘tegen antisemitische insluipsels in de dikke Van Dale’. In haar levensbericht voor de Maatschappij noemde oud-collega Wim Klooster haar ‘a rebel with a cause’. Ze zag taalkunde als zuivere wetenschap, niet als literaire vakschool. ‘Als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren’, zei ze in het revolutiejaar 1968 tegen een eerstejaarsstudent (gecit. Loonen).

Frida Balk leeft ook voort in het werk van J.J. Voskuil en Simon Carmiggelt. De studente Hetty Bakker in Voskuils Bij nader inzien (1963) is naar haar gemodelleerd. Carmiggelt kreeg in 1963 een presentexemplaar van ‘het proefschrift waarmee Frida Balk-Smit Duyzentkunst dingt naar de doctorshoed’ omdat daarin zijn zin: ‘He, ik heb zo’n trek in meeuw’ wordt geanalyseerd. Hij was ontroerd dat ‘zo’n achteloos neergepend regeltje’ leidde tot ‘zulk een solide brok wetenschap’ (Carmiggelt, 82-83). Haar grammaticahandboek is driemaal herdrukt en nog altijd leverbaar.

Naslagwerken

Levensberichten.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam, persoonskaarten.

Publicaties

Overzicht in DBNL.

Literatuur

  • S. Carmiggelt, ‘Schrijven heeft gevolgen’, in: Idem, Oude mensen (Amsterdam 1963) 79-86.
  • Duco van Weerlee, ‘Te bewijzen valt er in de taalkunde niets’, NRC-Handelsblad, 20-10-1983.
  • [Radio-interview], Een leven lang, 23-11-1995.
  • Opzij 25 (1997)
  • ‘Voorvechter van begrijpelijke grammatica’, NRC-Handelsblad, 12-2-2013.
  • Henk Walvoort en Piet van Sterkenburg, ‘Prof. dr. Frida Balk-Smit Duyzentkunst (1929-2013)’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 8-3-2013.
  • Bernard Loonen, ‘Frida Balk-Smit Duyzentkunst’ [URL http://nardloonen.nl/2013/03/05/frida-balk-smit-duyzentkunst; geraadpleegd 10-4-2017].

Illustratie

[in bestelling]

Auteur: Kees Kuiken (met dank aan Marleen en Ton Balk).

laatst gewijzigd: 10/04/2017