Snijders, Maria Dina Johanna Theodora (1913-2010)

 
English | Nederlands

SNIJDERS, Maria Dina Johanna Theodora, vooral bekend als Zuster Cherubine Snijders (geb. Amsterdam, 19-6-1913 – gest. Heythuysen 13-1- 2010), kloosterlinge, classica en schoolrectrix. Dochter van Theodorus Petrus Johannes Snijders (1884-1963), leraar, en Maria Magdalena Wilhelmina Piël (1885-1979). Maria Snijders bleef ongehuwd.

Maria (Ria) Snijders was de oudste dochter in een katholiek gezin met dertien kinderen, van wie er twee in hun kindertijd zouden sterven. Haar vader was leraar op de katholieke kweekschool aan de Lauriergracht in Amsterdam; de enige mannelijke docent in een door vrouwelijke religieuzen bestuurde instelling. Hij kende ook van huis uit de wereld van de kloosterlingen want zijn zussen waren alle drie ingetreden. Ria ging naar de rooms-katholieke hbs voor meisjes in Amsterdam, in 1914 gesticht vanwege de Congregatie van Zusters Franciscanessen in Heythuysen.

Zuster Cherubine

Na haar eindexamen hbs-b (1930) maakte Ria kenbaar te willen intreden in het klooster, maar haar vader verplichtte haar daarover nog eens goed na te denken. Een jaar later deed zij staatsexamen gymnasium-alfa. Ze was toen achttien jaar. Op reis naar het Limburgse Heythuysen stapte zij in een voor vrouwen gereserveerde treincoupé, wierp haar overbodig geworden hoed naar haar ouders op het perron en reisde af naar het klooster, waar ze de engelachtige naam aannam van Cherubine.

Ria Snijders verplichtte zich bij haar professie op 5 februari 1933 tot naleving van de drie kloostergeloften: gehoorzaamheid, armoede en maagdelijkheid. Zij was vastberaden om in die strenge en religieuze staat haar leven te vervolgen. Haar intrede kende ook maatschappelijke voordelen. Ze was lid geworden van een intellectuele congregatie die haar voorbestemde voor een academische studie en deze dus ook betaalde: in haar geval klassieke talen. Deze studiekeuze zou niet vanzelfsprekend zijn geweest als haar ouders die hadden moeten financieren. De congregatie wenste steeds meer te kunnen voldoen aan de eisen, die de expansie van het middelbaar onderwijs voor meisjes met zich meebracht. Bovendien bood haar toekomst als religieuze haar het vooruitzicht maatschappelijk carrière te maken. Voor gehuwde vrouwen was dat immers tot 1956 in Nederland wettelijk onmogelijk. Het huwelijk bracht tot die datum een arbeidsverbod met zich mee.

Zo kreeg zuster Cherubine de opdracht aan de Universiteit van Amsterdam klassieke talen te studeren. Vanaf 1936 was ze er lerares Grieks en Latijn aan het rooms-katholieke meisjeslyceum in Amsterdam, haar vroegere en inmiddels veel grotere school. In 1938 deed zij doctoraal examen en in februari 1943 promoveerde zij op Het Latijn der Brieven van Lupus van Ferrières; een geletterde abt uit de periode van de Karolingische renaissance. Daarmee was ze de derde in de congregatie die een doctorstitel behaalde, na Hildegard van de Wijnpersse (1926) en haar medezuster Christiana Liedmeier (1935). Dr. Snijders deed in 1946 ook nog eens doctoraal examen geschiedenis.

Fons Vitae

Zuster Cherubine werd in 1951 benoemd tot rectrix van het katholieke meisjeslyceum Sancta Maria in Haarlem, een ander instituut van de congregatie. Na de dood van Christiana Liedmeier (1954) keerde ze als rectrix terug naar Amsterdam. Daar hadden de leerlingen in 1951 een verkiezing over de schoolnaam afgedwongen en in grote meerderheid gestemd voor een Latijnse benaming zonder een specifiek religieus kenmerk zoals het Heilig Hart of Sint Margaretha. Zodoende had de school de naam Fons Vitae gekregen: bron van leven.

Leiding geven in het onderwijs was Cherubine toevertrouwd. In Haarlem en ook in Amsterdam gold zij als ‘streng doch rechtvaardig’. Haar religieuze houding liet zich omschrijven in haar uitspraak – gedaan in huiselijk verband –, dat zij ‘maagd was maar niet martelares’. Daarmee gaf ze aan de spiritualiteit en de regels van haar religieuze staat nuchter te aanvaarden, zonder scrupules of verstarring. Toen ze begon als rectrix, vierde de verzuiling nog hoogtij: er was nog sprake van een directe verbinding tussen levensbeschouwing en maatschappelijke instellingen. In de jaren zestig kreeg Cherubine te maken met het snelle proces van ontzuiling.

Allereerst werd het religieuze karakter van de school vrijblijvender. Als rectrix moest Cherubine de leerlingen (en hun ouders) wijzen op het voorschrift van een wekelijks misbezoek in de school, iets wat steeds minder vanzelf sprak. In 1965 stelde ze een docentenraad in om daarmee de verantwoordelijkheid in een ‘verwarde tijd’ te kunnen delen. Een jaar later ontstond er een conflict over de jezuïet Jos Vrijburg, wiens godsdienstlessen en omgang met leerlingen zeer modern waren. Collega’s tekenden bezwaar aan – Jo Kramer, lerares klassieke talen, nam uit protest ontslag. Ten tweede kwam de formule van het sekse-gesegregeerd onderwijs onder druk te staan. Op 1 april 1966 organiseerden leerlingen bij wijze van grap een uitwisseling met het Ignatius-college, een jezuïetencollege in de buurt: de jongens kwamen massaal naar het schoolplein van Fons Vitae. Een collega van Cherubine, de classicus Ben van Gessel, slaagde er met stentorstem in de ‘indringers’ weg te krijgen. Slechts vier jaar later werd het lyceum een gemengde school. Cherubine had toen al het rectoraat aan de niet-religieuze collega Van Gessel overgedragen – dat was in 1968. Een jaar eerder was ze geridderd als Officier in de Orde van Oranje Nassau.

Cherubine bleef tot 1978 als lerares aan Fons Vitae verbonden. De rooms-katholieke signatuur bepaalde niet meer de identiteit van de school. Zo werd de godsdienstles verbreed naar alle wereldgodsdiensten en de schoolkapel werd in 1972 verbouwd tot bibliotheek en aula. Cherubine en haar medezusters verlieten het kloosterdeel van het schoolgebouw en vestigden zich in een villa op de nabijgelegen Apollolaan. Daar bleken ze te wonen naast een chic bordeel – dat ging in goed nabuurschap, want de tijden waren veranderd.

Na haar pensionering kon Zuster Cherubine haar bestuurlijke ervaring inzetten in de leiding van de congregatie. Ze kwam uiteindelijk ook in het moederhuis in Heythuysen te wonen. Op 13 januari 2010 overleed ze daar, 97 jaar oud.

Betekenis

De Amsterdamse Ria Snijders, beter bekend als Zuster Cherubine, was een ‘schoolvoorbeeld’ van een kloosterbestaan dat vrouwen de mogelijkheid gaf om religieuze geloften van gehoorzaamheid en maagdelijkheid te combineren met een intellectuele en maatschappelijke emancipatie. In feite heeft deze moderne variant op het traditionele kloosterleven van vrouwen slechts een halve eeuw geduurd.

Publicatie

Cherubine Snijders (Franciscanes van Heythuysen), Het Latijn der Brieven van Lupus van Ferrières. Dissertatie (Amsterdam 1943).

Literatuur en bronnen

  • Fred Bredschneyder, Henk van Gessel en Jan Stekelenburg red., Geschiedboek Fons Vitae 1914-1980 (Amsterdam 1980).
  • Annelies van Heijst, Marjet Derks en Marit Monteiro, Ex Caritate. Kloosterleven, apostolaat en nieuwe spirit van actieve vrouwelijke religieuzen in Nederland in de 19de en 20ste eeuw (Hilversum 2010).
  • Aad Streefland (met medewerking van Henk van Gessel), Bronnen van Leven. Fons Vitae Lyceum 1914-2014 (Bussum 2015).
  • Vraaggesprekken van de auteur met mevr. Th. Heeremans-Snijders, dr W.Th.J.M. Kuiper en drs H.L. van Gessel (2016).

Illustratie

Zuster Cherubine Snijders, door onbekende fotograaf, ongedateerd (via Ons Amsterdam).

Auteur: Jan Bank

laatst gewijzigd: 01/11/2017