Snoek, Johanna Rosine (1910-2001)

 
English | Nederlands

SNOEK, Johanna Rosine, vooral bekend als Hans Snoek (geb. Geertruidenberg 29-12-1910 – gest. Amsterdam 27-9-2001), danseres, danspedagoge en oprichtster van het Scapino Ballet. Dochter van Leonard Salomon Snoek (1880-1971), legerofficier, en Henderika Gerarda Trina Johanna ten Bruggencate (1880-1952). Hans Snoek trouwde (1) op 6-5-1939 in Amersfoort met Jan Werdmölder (1912 -?), danser; (2) na echtscheiding (4-5-1950) op 15-9-1951 in Amsterdam met Erik Klaas de Vries (1912-2004), televisieregisseur. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Hans Snoek werd geboren in Geertruidenberg, maar groeide op in Amersfoort. Ze was de oudste van drie – ze had een broer en een zus. Muziek en theater vormden een vanzelfsprekend onderdeel in huize Snoek. Hans’ vader, een beroepsmilitair uit een van oorsprong joodse familie, was amateurzanger en regisseerde theateroptredens en operavoorstellingen. De jonge Hans – aanvankelijk werd ze Jo genoemd, maar ze vond Hans beter bij zichzelf passen – was muzikaal. Ze speelde piano en altviool, en dacht erover dirigent te worden. Ze zat een paar jaar op het Stedelijk Gymnasium in Amersfoort en stapte toen over naar de hbs voor meisjes in Utrecht. Hierna koos ze voor de dans, daartoe geïnspireerd door foto’s van de Duitse expressionistische danser Kurt Jooss, die samen met Rudolf von Laban de Folkwangschule in Essen (Duitsland) leidde. Omdat Nederland in die tijd geen professionele dansopleidingen kende, schreef ze zich daar in voor de driejarige cursus. In 1930 danste ze met de groep van Jooss in Bayreuth in de opera Tannhaüser.

Scapino Ballet

Na haar examen in 1933 keerde Snoek terug naar Amersfoort, waar ze haar eigen dansschool begon. Ze reisde regelmatig naar Amsterdam om zelf lessen te volgen bij de Duitse danseres *Yvonne Georgi en de uit Rusland gevluchte danser Igor Schwezoff. Af en toe trad ze op met het gezelschap van Georgi. In mei 1939 trouwde Hans Snoek met de danser Jan Werdmölder (ook bekend als John Werdmüller), met wie ze een bovenwoning aan de Amsterdamse P.C. Hooftstraat betrok. Omdat ze weigerde lid te worden van de Kultuurkamer zette Snoek haar danswerkzaamheden tijdens de oorlog clandestien voort. Haar bovenwoning diende als balletschool en podium waar zij en haar collega’s illegale dansoptredens verzorgden. De opbrengsten kwamen ten goede aan het kunstenaarsverzet waarvan Snoek inmiddels lid was, en aan de Joodse onderduikers die bij haar op zolder verbleven: een danseres en haar broer.

In mei 1945 was Snoek betrokken bij een dansoptreden voor kinderen ter opluistering van de bevrijdingsfeesten in Amsterdam. Bij het maken van de voorstelling had ze een vorm van totaaltheater voor ogen: de dans vormde een harmonieuze eenheid met de muziek, de kostuums, het decor en het verhaal. Het idee voor een dergelijk op de ‘ballets Russes’ van Diaghilev geïnspireerd initiatief ontwikkelde Snoek samen met haar collega’s van kunstenaarsgroep De Vijf Kunsten. Lid waren behalve Snoek onder meer beeldend kunstenaars Hans van Norden en Nicolaas Wijnberg, schrijver W.F. Hermans, danser Aart Verstegen en componist Lex van Delden.

Het bevrijdingsoptreden was een succes en vormde zo het begin van het Scapino Ballet – refererend aan de gelijknamige verteller in de balletten van de Italiaanse commedia dell’arte. Na een half jaar mocht Snoek met haar nieuwe gezelschap optreden in Carré, waar ze de producties De Toverfluit en De Gouden Zwaan voor het voetlicht bracht. Ondanks de primitieve middelen waarmee ze tot stand waren gekomen, kregen ook deze voorstellingen goede kritieken. In 1950 scheidde Hans Snoek van haar eerste man. Een jaar later trouwde ze met televisieregisseur Erik de Vries, die ze in 1948 had leren kennen in de Amsterdamse sociëteit De Kring.

Maatschappelijk betrokken

Hans Snoek danste in de beginjaren van het Scapino Ballet regelmatig zelf mee. Ook choreografeerde ze diverse balletten en gaf ze les. Later gingen het leiden van het gezelschap en allerlei andere activiteiten steeds meer van haar tijd eisen. Omdat het in contact brengen van kinderen met kunst haar voornaamste drijfveer was, begon het Scapino Ballet onder haar leiding in 1951 met balletlessen voor kinderen: de Scapino-dansschool voor kinderen. In deze periode gaf Snoek ook enkele jaren balletles aan de vier prinsessen op paleis Soestdijk. In 1954 werd het gezelschap van Snoek getroffen door een brand die grote schade toebracht aan de kostuums, decors en muziekinstrumenten. Dankzij een grootscheepse hulpactie vanuit Amsterdam en een subsidie van de overheid kwam het ballet er snel weer boven op. In 1959 kwam de Scapino-dansacademie van de grond. Hiermee leverde het gezelschap een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de Nederlandse dans. In 1962 nam Snoek het initiatief tot de IVKO-school in Amsterdam (Individueel Voortgezet Kunstzinnig Onderwijs).

In 1970 stopte Snoek met haar werkzaamheden voor het Scapino Ballet. Ze kreeg bij die gelegenheid een geldbedrag mee als afscheidscadeau, waarmee ze de Stichting Jeugdtheater Amsterdam begon. Dit initiatief mondde in 1978 uit in jeugdtheater De Krakeling, waar kinderen eens per week terecht konden voor een theatervoorstelling. Snoek was in de loop der jaren betrokken bij talloze (inter)nationale organisaties voor jeugdtheater. Ook op andere gebieden toonde ze haar maatschappelijke betrokkenheid. Zo zette ze zich jarenlang in voor Amnesty International en werd ze penningmeester bij de groep Steun Aan Argentijnse Moeders (SAAM). Met de oprichting van Stichting Operatie Onmisbare Kunst (OOK) kwam ze op voor kunstenaars die als niet vernieuwend werden beoordeeld en als gevolg daarvan moeilijk aan subsidie kwamen. In 1996 stond ze aan de wieg van Stichting de Toverbal, die kinderen van vluchtelingen in Nederland in contact wilde brengen met kunst.

Enkele malen was Snoek in haar laatste levensjaren nog op het podium te zien. Zo danste ze tijdens het Holland Dance Festival van 1998 – 88 jaar oud – mee in Through Nana’s Eyes van Itzik Galili en een jaar daarna had ze een rol in het muziektheaterstuk María de Buenos Aires. Op 27 september 2001 stierf Hans Snoek op negentigjarige leeftijd in haar woning te Amsterdam. Ze werd begraven op Zorgvlied. De stad Amsterdam ontving na haar dood een legaat, bestemd voor de hernieuwing van de fontein op het Leidseplein: op 12 juni 2006 werd de Hans Snoek fontein feestelijk in gebruik genomen.

Erkenning

Hans Snoek geldt als een van de belangrijke grondleggers van de Nederlandse dans en kreeg voor haar werk de nodige erkenning. Twee keer ontving ze een Koninklijke onderscheiding: in 1960 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau en in 1970, bij haar afscheid van het Scapino Ballet, werd ze bevorderd tot Officier. Van 1977 tot en met 2000 werd jaarlijks de Hans Snoekprijs voor de beste Nederlandse jeugdtheatervoorstelling uitgereikt. In 1990 kreeg Snoek de Zilveren medaille van de gemeente Amsterdam. In 1996 werd ze twee maal onderscheiden: met een Zilveren Anjer en met de Yad Vashem-penning, die ze ontving voor haar hulp aan de Joodse onderduikers.

Naslagwerken

Digitale Theaterencyclopedie.

Archivalia

Nationaal Archief, Den Haag, Archief E.K. de Vries, toegang 2.21.327, C, Archief van Johanna Rosine Snoek (onder meer correspondentie, dagboeken en reisjournaals).

Balletten

Selectie van Snoeks choreografieën (zie voor een volledige lijst Van Schaik 1981, Aanhangsel II, 214-218):

  • De pasja en de beer (1946/1947).
  • Het papiernoodballet (1946/1947).
  • De krekel en de mier (1948/1948).
  • Dorp zonder mannen (1950) [eerste Nederlandse tv-ballet].
  • De tijgerprinses (1950/1951).
  • Vadertje tijd neemt even rust (1958/1959).

Publicatie

Hans Snoek e.a. red., Dans en ballet (Amsterdam 1959).

Literatuur

  • Eva van Schaik, Op gespannen voet. Geschiedenis van de Nederlandse theaterdans vanaf 1900 (Haarlem 1981) 70-74.
  • Gesprek met Hans Snoek, Een leven lang (NOS-radio, 30-5-1983) [te beluisteren via http://www.npo.nl/een-leven-lang/30-05-1983/IMX_NOS_722485].
  • Marijn van der Jagt en Max Arian, ‘Televisieballethuwelijk’, De Groene Amsterdammer, 6-3-1996.
  • Pieter Kottma, ‘Hans Snoek’, NRC Handelsblad, 13-2-1998.
  • Agnes Grond, ‘Danseres Hans Snoek. “De wereld heeft behoefte aan kunst”’, De Bazuin, 13-7-2001.
  • Jessica Voeten, ‘Het toeval grijpen. Hans Snoek, een fontein van ideeën’, Ons Amsterdam 58 (2006) 196-198.

Illustratie

Portret door Jac de Nijs in Limburgs Dagblad, 2-5-1968 (Nationaal Archief)

Auteur: Marieke Smulders

laatst gewijzigd: 22/11/2017