Specx, Sara (1616/1617-ca. 1636)

SPECX, Sara (geb. Hirado?, Japan 1616/1617 – gest. Formosa ca. 1636), middelpunt van een schandaal in Batavia. Dochter van Jacques Specx (ca. 1585-?), hoofd van de VOC-factorij in Hirado en later gouverneur-generaal in Batavia, en een Japanse vrouw. Sara Specx trouwde in mei 1632 in Batavia met Georg Candidus (1597-1647), Duits predikant van de VOC in de Molukken en op Formosa. Dit huwelijk bleef waarschijnlijk kinderloos.

Saartje Specx was de buitenechtelijke dochter van Jacques Specx en een Japanse vrouw. Zij was verwekt toen haar vader als opperkoopman van de VOC in Japan verbleef. Dit werd gezien als een lelijke misstap, want het beleid van de Compagnie was er juist op gericht ‘verbastering’ van de Nederlandse bevolking in Azië te voorkomen. Daarom ook werden kinderen uit dergelijke ongewenste verbintenissen tussen compagniedienaren en inheemse vrouwen naar Batavia gestuurd om daar onder toezicht van de VOC te worden opgevoed. Toen Saartjes vader in 1628 tijdelijk terugkeerde naar patria, werd zij toevertrouwd aan de zorg van gouverneur-generaal Jan Pietersz. Coen en diens echtgenote Eva Ment.

In het huis van Coen vormde Sara in juni 1629 het middelpunt van een schandaal. De zestienjarige Pieter Kortenhoef, een bastaard die in Batavia als vaandrig in dienst was van de Compagnie, wist uit hoofde van zijn functie toegang te verkrijgen tot de woonvertrekken van de ‘staatdochterkes’, zoals de geadopteerde meisjes in het gezin Coen werden genoemd. Hier deed hij ‘tot twee diverse malen zijn wil’ met Sara, die op de hoogte was geweest van zijn komst en op de vloer alvast een matje had uitgespreid. Pleegvader Coen, bekend om zijn strenge beleid van discipline en tucht, was woedend. De vrijpartij kwam de beide tieners dan ook duur te staan: Pieter werd veroordeeld tot de dood door onthoofding, een vonnis dat reeds de volgende dag werd voltrokken. Sara kon aanvankelijk rekenen op de doodstraf door verdrinking in een ton. Omdat zij echter nog geen veertien jaar oud was, de minimumleeftijd voor een doodvonnis, werd haar straf omgezet in een geseling in het stadhuis. De straf werd voltrokken ‘met open deuren’, zodat Saartje als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen kon dienen.

Juridische nasleep

Hiermee was het voorval weliswaar praktisch afgehandeld, maar de juridische nasleep zou nog enige tijd in beslag nemen. Coen overleed in Batavia, maar het aantreden van zijn opvolger, niemand minder dan Jacques Specx, hield de kwestie op de agenda: als waarnemend gouverneur-generaal probeerde Specx wraak te nemen op degenen die hij aansprakelijk hield voor de publieke afstraffing van zijn dochter. De rechters bleven buiten schot, maar de fiscaal Anthony van den Heuvel diende zich te verantwoorden. Dankzij de verslagen die deze zaak heeft opgeleverd, zijn wij goed geinformeerd over ‘de affaire-Specx’. Pieter Kortenhoef was onthalsd omdat hij majesteitsschennis had gepleegd door het huis van Coen binnen te dringen. Hij had Sara een huwelijksaanzoek gedaan, en dat zou normaliter een reden zijn geweest om het koppel van gerechtelijke vervolging te ontslaan, maar omdat hun daad werd opgevat als een ‘crimen maiestatis’, was er geen rekening gehouden met deze verzachtende omstandigheid.

Sara mocht dan aan de beul zijn ontsnapt, haar vader nam de zaak toch hoog op. In zijn acties werd hij gesteund door de Amsterdamse koopman Boudewijn Kortenhoef, de oom van Pieter, die hem liet weten dat de affaire ook in de Republiek veel verdriet had losgemaakt. Jacob Cats refereerde zelfs aan het incident in zijn Aenmerckinge over onteerde dochters (1637). Daarnaast ging in de Republiek het gerucht dat Jacques Specx zijn dochter had verstoten. Dit was niet het geval. Integendeel, Specx was zo boos op de leden van de Raad van Justitie in Batavia dat hij weigerde het avondmaal met hen te gebruiken. Waarschijnlijk was deze houding van Specx voor de Heeren XVII een reden om hem niet permanent te benoemen tot opvolger van Coen. In 1632 werd hij teruggeroepen naar patria. Sara trad op zestien- of zeventienjarige leeftijd in het huwelijk met de Duitse compagnie-predikant Georg Candidus. Op Formosa, waar Sara vanaf mei 1633 woonde, genoot zij dankzij een legaat van haar vader een riant leven. Zij moet er rond 1636 zijn gestorven. Daarna keerde Candidus terug naar Europa.

Historiografie en beeldvorming

Verscheidene geleerden hebben zich over de zaak van Sara Specx gebogen, vooral in verband met de reputatie van Jan Pietersz. Coen. In de negentiende eeuw zag Conrad Busken Huet Sara’s afstraffing als een bevestiging van Coens reputatie als wreedaard. Hij noemde het incident daarom in één adem met het bloedbad dat de gouverneur-generaal in 1621 aanrichtte op de Banda-eilanden. Deze lezing werd overgenomen door onder meer Charles Boxer in Zeevarend Nederland en zijn wereldrijk 1600-1800 (1967). In een poging Coens blazoen op te poetsen legde de Utrechtse historicus Frederik Carel Gerretson in 1944 de getuigenis van fiscaal Van den Heuvel nog eens onder de loep. Hij betoogt dat Coen niets anders kon doen dan Sara en Pieter straffen. Coen, aldus Gerretson, volgde van begin tot eind de wettelijke voorschriften van het VOC-bestuur. Dat dit voor Pieter de doodstraf betekende, valt de gouverneur-generaal daarom niet aan te rekenen. Om de kritiek voor te zijn dat hij zijn pleegdochter had ontzien, verzwaarde Coen de straf van Sara tot een publieke geseling, in plaats van een bestraffing achter gesloten deuren.

Het zedendrama is in de negentiende en twintigste eeuw enkele keren geromantiseerd. De Indische schrijver/journalist W. L. Ritter voorzag in 1845 de historische feiten van gefingeerde dialogen tussen de hoofdrolspelers in zijn bundel Nieuwe Indische verhalen en herinneringen uit vroegeren en lateren tijden. Slauerhoff behandelde de affaire in het toneelstuk Jan Pietersz. Coen (1930), waarin hij de gouverneur-generaal van zijn heldenstatus ontdeed en als zeer gewelddadig voorstelde. De opvoering van het stuk werd zowel voor als na de oorlog in enkele Nederlandse steden, waaronder Amsterdam en Utrecht, verboden.

Archivalia

Voor relevante archiefstukken, zie de hieronder vermelde bronnenuitgaven, alsmede de publicatie van Gerretson (1944).

Literatuur

  • F. Valentijn, Oud en Nieuw Oost-Indiën 4-5 (Dordrecht/Amsterdam 1726) 285-286, 289-292.
  • W.L. Ritter, Nieuwe Indische verhalen en herinneringen uit vroegeren en lateren tijden, deel 1 (Batavia 1845) 3-51.
  • V.I. van de Wall, Vrouwen uit den Compagnie’s tijd (Amersfoort 1923) 49-60.
  • Jan Pietersz. Coen: bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië, H.T. Colenbrander ed., deel 5 (Den Haag 1933) 751.
  • C. Gerretson, Coens eerherstel (Amsterdam 1944) 58-98.
  • Generale missiven van gouverneurs-generaal en raden aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie, W.Ph. Coolhaas e.a. ed., deel 1 (Den Haag 1960) 465 [Rijks Geschiedkundige Publicatiën 104].
  • W.Ph. Coolhaas, Het huis ‘De dubbele Arend’: het huis Keizersgracht 141, thans Van Riebeeckhuis genaamd, nu daar een halve eeuw gearbeid is voor de culturele en economische betrekkingen met Zuid-Afrika (1973).
  • J. Slauerhoff, Jan Pietersz. Coen. Drama in elf taferelen (4de druk; Amsterdam 1986 [oorspr.1932] ) [met een inleiding door Ronald Brouwer].
  • L. P. van Putten, Gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië, deel 1 (Rotterdam 2002) 54-59.
  • Adrienne Zuiderweg, 'Sara en Pieter, een Bataviase liefdesaffaire', ndische Letteren 22 (2007) 2-15.
  • Jur van Goor, 'Sara Specx en de reputatie van Jan Pieterszoon Coen', in:

    Marieke Bloembergen en Remco Raben red., Het koloniale beschavingsoffensief. Wegen naar het nieuwe Indië 1890-1950 (Leiden 2009) 143-169.

Auteur: Michiel van Groesen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 266

laatst gewijzigd: 13/01/2014