Stavoren, het Vrouwtje van

STAVOREN, het Vrouwtje van, legendarische koopmansvrouw.

Volgens de legende stuurde een rijke en hoogmoedige koopmansvrouw uit Stavoren (Staveren) haar schipper eropuit om het kostbaarste te halen dat er op aarde te vinden was. Hij nam na een lange speurtocht graan mee uit Danzig (Gdansk). De vrouw werd woedend en beval hem het graan overboord te gooien. De armen van de stad smeekten haar dit niet te doen en het graan aan hen te geven, maar zij weigerde. Daarop deed een grijsaard haar de voorspelling dat ze door deze daad aan de bedelstaf zou raken. De koopmansvrouw gooide haar ring in het water en zei dat dát net zo min zou gebeuren als dat de ring bij haar zou terugkeren. Enkele dagen later trof ze de ring aan in de vis die zojuist was gevangen en die zij bij haar maaltijd kreeg. Hierna vergingen al haar schepen. De haven verzandde, en op de zandbank groeide het ontkiemende graan, dat het Vrouwtje van Stavoren zo boos in het water had laten gooien, uit tot loze aren. Met de glorie van de stad was het gedaan en het Vrouwtje raakte aan de bedelstaf.

Het gaat hier om een zogenaamde naamsverklarende sage, van het soort dat in de Middeleeuwen veel voorkomt. De naam van de zandplaat voor Stavoren was ‘Vrouwenzand, of ‘Us leaffrouwe’, genoemd naar Maria, de patrones van het klooster Sint Odulfus bij Starum. Toen de oorsprong van de naam uit de herinnering was verdwenen ontstond het verhaal van het Vrouwtje. Overigens is de strekking van het verhaal – het rijke Stavoren raakt door het dichtslibben van de haven zijn handelspositie kwijt – historisch juist. Een andere oorzaak voor het verlies van de economische positie van dit rijke handelsstadje was te wijten aan de verschuiving van het zwaartepunt van de handel naar het westen, met name Amsterdam.

Het verhaal over het Vrouwtje van Stavoren is in minstens 27 varianten overgeleverd. Voorafgaand aan de oudste versie wordt in het boek Origine situ, Qualitate et Quantitate Frisiae van de Friese geschiedschrijver Cornelius Kempius, geschreven in 1588, verhaald hoe de kooplieden van het rijke Stavoren opdracht gaven om uit alle landen het beste te halen dat er bestond. Toen één van de schepen tarwe meenam, moest dat echter overboord worden gezet. Waar het graan was gezonken, begon zand op te borrelen dat de haven ontoegankelijk maakte. De rijkdom van de stad was ten einde. In de Croniike ende Warachtige beschrijvinghe van Vrieslandt, van Ocko Scarlensis (1597) maakt het Vrouwtje voor het eerst haar entree in dit verhaal.

Oorspronkelijk was het hele verhaal nog vrij sober; gaandeweg is het steeds verder ‘aangekleed’. Zo verschijnt de toevoeging dat op de zandbank nog slechts loze aren zullen groeien in de achttiende eeuw, en het motief van de weggegooide ring die wordt teruggevonden in een vis, duikt voor het eerst op rond 1810.

Er zijn verschillende straatliederen over het Vrouwtje in omloop geweest. Het oudste daarvan is ‘Komt vrienden hoort een lied’, dat tussen 1833 en 1850 werd uitgegeven in Amsterdam.

Literatuur

  • Jaap Kunst, Noord-Nederlandsche volksliederen en -dansen (Groningen 1916).
  • Theun de Vries, Friesche sagen (Amsterdam z.j. [1925]).
  • Tj.W.R. de Haan, ‘Grimm, Wolf en het Staversche weeuwtje’, Historia 9 (1943) 167-168.
  • Marijke Reesink, Het vrouwtje van Stavoren (Rotterdam 1968).
  • Mies Bouhuys, Het vrouwtje van Stavoren (Utrecht/Antwerpen 1976).
  • Agave Kruijssen, Het vrouwtje van Stavoren (Baarn 2000).
  • Grytsje Schipper-Veenstra, Het vrouwtje van Stavoren (Amsterdam 2002) [Ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam; een uitgebreid onderzoek naar de herkomst en overlevering van de legende en de verschillende vormen waarin deze bekend is].
  • Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen red., Zeemeerminnen, zeeschuimers en schuimkoppen (Rotterdam 2002).

Illustratie

Bronzen beeld in Staveren, door Pier Arjen de Groot (1969).

Redactie

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 175

laatst gewijzigd: 13/01/2014