Sticken, Salome (ca. 1369-1449)

 
English | Nederlands

STICKEN, Salome (geb. Groenlo ca. 1369 – gest. Diepenveen 17-10-1449), priorin van het klooster Diepenveen, schrijfster van de leefregel voor vrouwen van de Moderne Devotie. Dochter van Harmen Sticken, ‘haveman’ (grootgrondbezitter). Salome Sticken bleef ongehuwd.

Salome Sticken mag gelden als een van de boegbeelden van de Moderne Devotie, de in Nederland ontstane geestelijke hervormingsbeweging van de late Middeleeuwen. Recent onderzoek heeft de grote rol van vrouwen in deze beweging benadrukt: tegenover iedere mannelijke moderne devoot stonden zeker drie vrouwen. Er zijn er vele honderden geweest die zich vanuit een eigen geloofsbeleving bij deze hervormingsbeweging aansloten.

De moderne devoten hadden de gewoonte om de levensverhalen of ‘viten’ van belangrijke leden van de beweging bij wijze van vruchtbaar voorbeeld op te tekenen. Binnen de vrouwenbeweging ontstonden zo de ‘zusterboeken’, waarin de geschiedenis van een zusterhuis of klooster in de vorm van biografieën van zusters is vastgelegd. De zusterboeken van de Moderne Devotie geven op een soms onthutsende manier inzicht in de religieuze opvattingen van deze vrouwen, voor wie verootmoediging en zelfvernedering de hoogste waarden waren. Dit gold zeker ook voor Salome: haar spiritualiteit wordt kernachtig samengevat in het adagium van de devoten: ‘zwighen, wicken ende duken’ (zwijgen, wijken en toegeven).

Voor de vrouwelijke devoten heeft de levenshouding van Salome Sticken als inspirerend voorbeeld gediend. Zij bekleedde leidinggevende posities in twee van de belangrijkste stichtingen van deze beweging: het Meester-Geertshuis te Deventer en het klooster te Diepenveen. De voorbeeldige levensgeschiedenis van Salome Sticken werd op verschillende plaatsen en door verschillende personen vastgelegd. Er zijn nu nog vier versies van over, drie Middelnederlandse en een in het Latijn. Daarmee is Salome Sticken de meest beschreven vrouw uit de Moderne Devotie.

Jeugd

De viten van Salome Sticken beschrijven haar achtergrond vanuit een sterk gekleurd perspectief. Harmen Sticken, de vader van Salome, zou eens een preek hebben bijgewoond van Geert Grote, de grondlegger van de Moderne Devotie. Hij voelde zich sterk aangesproken door de woorden van Geert Grote en wilde zich bekeren. Als uiterlijk teken van zijn innerlijke ommekeer droeg hij zeven jaar lang een soort maliënkolder direct op de blote huid. Om de zondigheid uit zijn lichaam te bannen, geselde hij zichzelf regelmatig.

De jonge Salome was geregeld bij die zelfkastijdingen aanwezig, omdat haar vader hoopte dat er met dit voorbeeld nog eens iets goeds uit haar zou voortkomen (‘ende hie daer noch wat goedes van hapede’). Een enkele keer geselde de vader ook zijn – in zijn ogen – spiritueel veelbelovende dochter. Aanvankelijk leek Salome ongevoelig voor zijn aanpak, want toen ze veertien jaar oud werd, begon ze zich voor wereldse zaken te interesseren. Hoewel wat klein van stuk, was ze van een innemende schoonheid. Zoals het een meisje van haar stand betaamde, droeg ze graag mooie kleren en sieraden en verkeerde ze geregeld aan de hoven van hoge heren. Desondanks besloot ze na deze kennismaking met het wereldse leven dat ze haar leven moest beteren.

Het jaar 1390 – Salome was toen ongeveer twintig jaar – was door paus Urbanus VI tot jubeljaar uitgeroepen: iedereen die naar de heilige stad kwam, ontving een aflaat voor de zonden. Salome vond een reis naar Rome te bezwaarlijk en zocht een andere manier om penitentie te doen. Ze kwam in contact met Johan de Waal, proost en prior van het klooster Bethlehem in Zwolle, die beloofde dat hij haar ‘ene Rommsche vaert’ zou laten maken. In plaats van naar Rome bracht hij haar nog datzelfde jaar naar het Meester-Geertshuis in Deventer.

Meester-Geertshuis

In 1374 had Geert Grote zijn ouderlijk huis in Deventer beschikbaar gesteld voor vrouwen die een geestelijk leven wilden leiden. Zo werd het Meester-Geertshuis, zoals het al snel ging heten, de eerste institutie van de nieuwe geestelijke beweging. De bewoonsters werden ‘zusters van het gemene leven’ genoemd.

Vanaf 1392 werden de zusters geestelijk begeleid door de bevlogen Johannes Brinckerinck. Hij richtte in Deventer nog vijf andere zusterhuizen van het gemene leven op en stichtte het befaamde vrouwenklooster Sint-Maria en Sint-Agnes in Diepenveen. Brinckerinck was bovendien de eerste die het grote bestuurlijke talent van Salome Sticken onderkende.

Salome woonde nog maar enkele jaren in het Meester-Geertshuis toen besloten werd dat ze het ambt van rectrix zou gaan bekleden. Het nieuws zou haar tot wanhoop hebben gebracht. Ze vreesde de grote verantwoordelijkheid die haar wachtte en schrok ook terug voor de wereldlijke beslommeringen waarmee deze taak haar ongetwijfeld zou confronteren. Toch zou Sticken het Meester-Geertshuis uiteindelijk zeventien jaar leiden, ook al bleef ze proberen onder haar ambt uit te komen. In 1408 zag ze haar kans schoon. Ze kreeg toestemming om naar Kampen te gaan en keerde niet meer terug van die reis. Zo verbeurde ze haar plaats in het Meester-Geertshuis, maar ze was nu ook van het rectoraat verlost.

Diepenveen

Johannes Brinckerinck gebood Salome om vanuit Kampen naar Diepenveen te komen, waar hij in 1400 een dependance van het Meester-Geertshuis was begonnen. Hier konden statutair ook getrouwde vrouwen en weduwen worden toegelaten. Begin 1408 werd Diepenveen een vrouwenklooster, levend volgens de Regel van Augustinus. Het jonge klooster vond aansluiting bij het in 1395 opgerichte Kapittel van Windesheim, de kloostertak van de Moderne Devotie.

Salome kwam kort na de inkleding van de eerste zusters aan en werd onmiddellijk als novice ingekleed. Zelf was ze trouwens liever lekenzuster, ‘conversin’, geworden, zodat zij nooit weer een leidend ambt kon krijgen, maar men misleidde haar door haar het nonnenhabijt aan te trekken, met als gevolg dat ze toch koorzuster (non) werd. Kort na haar professie in 1409 werd Sticken al subpriorin en in 1412 werd ze tot priorin gekozen door de kloostergemeenschap. Ze zou dit ambt blijven uitoefenen tot in 1446. Drie jaar later overleed ze.

Stickens lange prioraat markeert de grootste bloeiperiode van Diepenveen. De stichting trok postulantes (nieuwe zusters) uit alle windstreken en kreeg dankzij haar uitstekende naam donaties van vele gulle gevers. Zo groeide Diepenveen uit tot het modelklooster van de vrouwenbeweging van de Moderne Devotie. Veel van de aanwezige zusters waren afkomstige uit rijke families, zoals Elsebe Hasebroecks, Jutte van AhausZwedera van Rechteren, vrouwe van Ruinen, en de zusters Aleid, Geertruid en Swene ter Poerten. Minstens zeventien keer reisden afgevaardigde zusters van Diepenveen naar vrouwenkloosters van Friesland tot Brabant en van Holland tot Saksen om de zusters daar te leren leven vanuit de inspiratie van Geert Grote.

Diepenveen was een besloten klooster: binnen het zogeheten slot hadden alleen koor- en lekenzusters toegang. Binnen de kloostermuren was het priorin Sticken die de zusters inspireerde en hen op het spirituele vlak tot het uiterste dreef. Tijdens de wekelijkse schuldkapittels, waar de gebreken van de zusters openlijk werden besproken, wist de strenge priorin altijd punten te vinden waarop de zusters hun leven konden beteren. En als een zuster eens geen punten had, dan schrok Sticken er niet voor terug om haar iets voor de voeten te werpen wat ze helemaal niet had gedaan. De ten onrechte beschuldigde zuster onderging dan immers de heilzame werking van een publieke vernedering, waardoor zij voor even aan Christus gelijk was.

Salome’s vroomheid neigde sterk naar het mystieke. Het gebeurde vaak dat zij gedurende het getijdengebed zo door goddelijke genade werd geraakt dat ze haar aandoening niet meer verbergen kon. Sticken raakte dan door tranen overmand of verloor de controle over haar ledematen, tekenen van Gods instemming met haar leefwijze. Salome Sticken was zo het perfecte rolmodel voor de vrouwelijke moderne devoot: aan de ene kant streng en tot iedere zelfvernedering bereid, aan de andere kant ontvankelijk voor de aanwezigheid van God. De anekdotes en exempelen over haar optreden moesten haar geestverwanten inspireren.

Bij het uitdragen van de idealen van de Moderne Devotie en het opzetten van zusterhuizen van het gemene leven in Westfalen achtte men het zinvol om instructies op te stellen die afkomstig waren van een vrouw. Salome Sticken was de aangewezen figuur om daarin te voorzien en zo ontstond de Vivendi formula, een leefregel voor vrouwen. Aan de hand van anekdotes uit de praktijk van het Meester-Geertshuis en Diepenveen toonde Salome hoe het ideaal van de Moderne Devotie moest worden vormgegeven.

Anderen over Salome Sticken

Salome Sticken behoorde tot het selecte groepje van vrouwelijke moderne devoten dat rechtstreeks lof kreeg toegezwaaid van hun mannelijke tegenhangers. In een van de levensbeschrijvingen wordt gezegd dat Sticken zich altijd nederig onderwierp aan de paters en rectoren die boven haar gesteld waren – ze was tot gehoorzaamheid verplicht – maar dat zij anderzijds ook ‘plach hen hoer goetduncken wal toe segghen’ (hun wel placht te zeggen wat zij ervan vond). Pater Joost Claesz, rector van Diepenveen in 1419-1423, zei over haar dat men tussen hier en Rome ‘sulken wisen, verlichten vrouwenpersoen’ niet zou vinden.

Stickens levensbeschrijvingen zijn doorspekt met anekdotes waaruit haar grote heiligheid moet blijken. De anekdotes zijn niet vrij van legendarische trekken, maar ze bewijzen hoe groot het respect was dat Salome Sticken bij haar ondergeschikten genoot. In de trant van de heiligenlegende zijn in Stickens levensbeschrijvingen ook enkele wonderbaarlijke gebeurtenissen opgenomen die na haar dood plaatsvonden. Het waren niet zozeer bijzondere werken of uitvoerige geschriften die Stickens invloed bepaalden, maar haar voorbeeldige levenshouding, die haar maakten tot een geestelijke ideaal.

Naslagwerken

NNBW.

Handschriften

  • Koninklijke Bibliotheek, Brussel, Handschriften: 8849-59, fol. 149r-164v [handschrift van omstreeks 1500 dat als het ware de geschiedenis van de Moderne Devotie tot dan toe samenvat, met een korte Latijnse vita van Salome Sticken].
  • Stads- en Athenaeumbibliotheek, Deventer, Handschriften: Suppl. 198 (101 E 26), fol. 190r-225v [geen ed., vert. in Scheepsma (1993) 22-56]. Het Handschrift DV uit 1524 hoorde in de bibliotheek van Diepenveen zelf thuis, het bevat de meest uitvoerige versie van Stickens vita (de citaten in dit artikel zijn daaruit genomen); Suppl. 208 (101 F 25), fol. 119r-120v [ed. De Man 1919, 210-213]. In het zusterboek van het Meester-Geertshuis is een korte vita van Salome Sticken opgenomen.
  • Historisch Centrum Overijssel, Zwolle, Handschriften: Collectie van Rhemen, inv. nr. 1, fol. 1r-21r [ed. Brinkerink 1904, 3-36]. Dit zogenaamde Handschrift D uit 1534 berustte in het Meester-Geertshuis en het levensverhaal van Sticken neemt een prominente plaats in.

Werk

Vivendi formula, overgeleverd in hs. Brussel, KB, 8849-59, fol. 169r-176v [uitgegeven in Kühler (1914) 360-380, Eng. vertaling in Devotio Moderna (1988) 176-186].

Literatuur en bronnenuitgaven

  • Van den doechden der vuriger ende stichti­ger susteren van Diepen Veen (‘Handschrift D’). Eerste gedeelte - De tekst van het handschrift, D.A. Brinkerink ed. (Leiden 1904).
  • W.J. Kühler, Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen (2de druk; Leiden 1914 [oorspr. 1908]) [biografie Salome Sticken op 202-228; editie Vivendi formula 360-380].
  • Hier beginnen sommige stichtige punten van onsen oelden zusteren. Naar het te Arnhem berustende hand­schrift met inleiding en aanteekeningen uitgegeven, D. de Man ed. (Den Haag 1919).
  • D. de Man, ‘Een vermeend tractaat van Salome Sticken’, Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis 20 (1927) 275-280.
  • L.A.M. Goossens, De meditatie in de eerste tijd van de Moderne Devotie (Haarlem/Antwerpen 1952) [dissertatie Universiteit Nijmegen, benut Vivendi formula als bron].
  • J. Andriessen, P. Bange en A.G. Weiler red., Geert Grote & Moderne Devotie (Nijmegen 1985).
  • Devotio Moderna. Basic writings, John Van Engen ed. (New York/Mahwah z.j. [1988]) [Eng. vert. Vivendi formula 176-186].
  • W. Scheepsma, Hemels verlangen (Amsterdam 1993) [vert. vita 22-56].
  • W. Scheepsma, Deemoed en devotie. De koorvrouwen van Windesheim en hun geschriften (Amsterdam 1997) [103-108 en 234-235 over Vivendi formula].
  • W. Scheepsma red., Het ootmoedig fundament van Diepenveen. Zeshonderd jaar Maria en Sint-Agnesklooster 1400-2000 (z.p. 2002). 

Illustratie

Pagina uit het Zusterboek van Diepenveen, handschrift D.

Auteur: Wybren Scheepsma

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 33

laatst gewijzigd: 13/01/2014