Becq, Maria (1577-na 1625)

 
English | Nederlands

BECQ, Maria, vooral bekend als Maria Strick (geb. Den Bosch 1577 – gest. Rotterdam? na 1625), schoonschrijfster en onderwijzeres. Dochter van Casper Becq (gest. 1606), schoolmeester. Maria Becq trouwde op 3-6-1598 in Delft met Jan of Hans Strick (1566-na 1639), schoenmaker. Voor zover bekend kreeg het echtpaar 2 zoons en 2 dochters.

Maria Becq werd geboren in Den Bosch, maar verhuisde op twaalfjarige leeftijd met haar familie naar Delft. Het gezin Beck woonde aan de Oude Delft (nu nummer 79). Haar vader, geboren in Antwerpen, kreeg in 1589 toestemming om in Delft een ‘Francoische en Duytsche’ school te beginnen, waar de leerlingen les kregen in lezen, (schoon)schrijven, cijferen en ‘Italiaans’ boekhouden. Ook Maria, door haar vader opgeleid, was aan deze school verbonden. Later kreeg zij les van de beroemde schrijfmeesters Felix van Sambix (ca. 1533-1642) en Jan van den Velde (1568-1623), die als ondermeester bij haar vader in dienst was geweest. In 1598 trouwde Maria Becq met Jan Strick, die volgens het trouwboek schoenmaker was. De familie Strick kwam eveneens uit Den Bosch. Na haar huwelijk bleef Maria als onderwijzeres en schoonschrijfster verbonden aan de school van haar vader. In 1601 verhuisde de school naar de Voorstraat, en na de dood van haar vader in 1606 zette Maria de school voort. Haar man, intussen tot graveur opgeleid, graveerde de vier voorbeeldboeken die Maria Strick maakte en die veel werden gebruikt bij het Nederlandse schrijfonderwijs.

Werk

In 1606 verscheen het eerste voorbeeldboek van Maria Strick, Toneel der loflijkcke schrijfpen, met voorbeelden in het Frans, Duits, Engels, Italiaans, Spaans en een enkele in het Nederlands. In dit boek, dat zij opdroeg aan de Delftse vroedschap en waarin ook zeven bladen van Van Sambix waren opgenomen, liet zij een naamdicht (acrostichon) op haar eigen naam opnemen, getiteld: ‘zoylisten’ (kwaadsprekers). Ze wil de kritiek – van mannen – op haar werk voor zijn: ‘indien gij hier iets vindt, vallende buiten mesure [: beneden de maat]/ En denkt [gij], een slechte hand door vrouwelijke besture/ Zal lichtelijk falieren [: falen] in een mannelijke kunst./ ’t geen ook waar ik naar streef, is niets dan uw gunst/ Regeert [: beheerst] daarom uw hart, uw tong, en ogen zuur./ Is het dat gij uzelf kent, de mannen hebben gebreken/ Kan niet een vrouwenhand dwalen in haar streken?/ Komt dan niet onbedacht tot een judicature [: oordeel]’.

Maria Strick moet met haar boek naam hebben gemaakt, want in 1611 gaf Hendrick Crijnsz. Volmarijn, kunsthandelaar en schilder in Rotterdam, opdracht aan Hans Strick om de platen te leveren voor het tweede exempelboek dat in 1611 in Rotterdam werd uitgegeven. In het Christelycken ABC van Maria Strick waren alle voorbeeldbladen geschreven in het ‘Hollands’. Haar derde boek, Schat oft voorbeelt ende verthooninge van verscheyden geschriften, verscheen in 1618; hierin staat ook een portret van Maria Strick, gegraveerd door Willem Jacobsz. Delff (1580-1638) naar een geschilderd portret van Michiel van Mierevelt (1567-1641). Volgens de randtekst van het medaillon is dit Maria Strick op 41-jarige leeftijd. Bovenin staat haar lijfspreuk ‘Mijn salicheyt is van d’Hemel’. Om haar schrijfmeesterschap te benadrukken waren de schrijfattributen afgebeeld. Onder het portret staat een Latijns lofdicht van de lutherse predikant Hieronymus Hirnius (1590-1648). Het vierde en laatste werk van Maria Strick, Fonteyne des levens,verscheen in 1624. Dat was vier jaar nadat zij in Den Haag mee had gedaan aan een zogenaamd ‘vedergevecht’, een wedstrijd in schoonschrijven, waarin zij tweede was geworden, na George de Carpentier. Behalve bovengenoemde exempelboeken zijn er ook prenten bekend waarvoor Maria Strick de onderschriften kalligrafeerde, onder andere ‘Justitia’ en ‘Mozes, de stenen tafelen voor zich houdende’ (Kramm, Atlas van Stolk).

Rotterdamse periode

Rond 1615 verhuisde het echtpaar Strick naar Rotterdam, waar Maria blijkens de titelpagina van Fonteyne des levens (1624) een Franse school hield. In 1615 werd een zoon, en in 1618 een dochter luthers gedoopt. In mei 1620 kochten zij van Jan van de Velde een huis aan de Delftse Vaart en vier jaar later kochten zij in Crooswijk een tuin met erf achter de woning van brouwerij ’t Lam. Als actieve leden van de lutherse gemeente van Rotterdam – Hans Strick was lid van de kerkenraad – raakten Hans en Maria Strick betrokken bij de kerkelijke conflicten die in die jaren hoog opliepen. De strijd ging hoofdzakelijk om het gebruik van ouwel dan wel brood bij de avondmaalsviering. Dominee Hirnius was een voorstander van het breken en eten van brood; de tegenpartij, waartoe Hans en Maria Strick behoorden, werd geleid door dominee Andreas Nescher (1588-1632), de eerste lutherse predikant van Rotterdam (1604-1632). Toen Hirnius op 19 juli 1625 een dienst van Nescher had bijgewoond, ontstond er na afloop een woordenwisseling, zo blijkt uit een notariële akte van 2 augustus 1625. Daarin verklaren Hans, Maria en Beatris Strick dat Hirnius diezelfde week hun huis had bezocht, maar door Maria de deur was gewezen. De opmerking in het NNBW dat Maria Strick ‘redevoeringen’ tegen haar oude vriend Hirnius had gehouden, lijkt daarom overdreven.

Na 1625 is er geen spoor meer van Maria Strick; haar naam komt niet meer voor in officiële stukken. In het boek van de Rotterdamse weeskamer wordt op 30 september 1629 het overlijden van de zoon van Hans Strick aan de Delftse Vaart vermeld. Waarschijnlijk was Maria Strick toen dus al overleden. Dit vermoeden wordt bevestigd door de verkoop in 1630 van de tuin met erf in Crooswijk en in 1631 van het huis aan de Delftse Vaart.

Naslagwerken

Van der Aa; Bierens de Haan; Kramm; Lexicon van Noord-Nederlandse kunstenaressen; NNBW; Wurzbach.

Archivalia

Gemeentearchief Rotterdam: Toegangsnummer 33.01, Handschriftenverzameling, inv. nr. 3769, Aantekeningen over de schoonschrijfster Maria Strick en haar familie; Toegangsnummer 360, Parochie het Paradijs (Oud-Katholiek), inv. nr. 21, bijlage, hiervan nummer 26, Acte van attestatie door Hans Strick t.b.v. Willempgen Symons Couwael inzake een huis aan de Delfsvaart, 10-2-1639.

Werk

Maria Strick schreef vier exempelboeken:

  • Toneel der loflijkcke schrijfpen. Ten dienste van de const-beminnende jeucht, int licht gebracht door Maria Strick. Fransoysche School-houdende binnen de wydt vermaerde stadt Delff. Ghesneden door Hans Strick (Delft 1607) [in 1970 in facsimile uitgegeven door Miland Publishers, Nieuwkoop].
  • Christelycken ABC inhoudende vierentwintich exemplaren van verscheyden geschriften seer bequeaem ende dienstelijkck voor de joncheijdt in de constighe rijmen vervaet. Geschreven en int licht gebracht door Maria Strick Fransoysche School houdende binnen de wydt vermaerde stadt Delff. Gesneden door Hans Strick (z. p. 1611).
  • Schat oft voorbeelt ende verthooninge van verscheyden geschriften ten dienste vande liefhebbers der hooch-loflycker konste der penne. Mitsgaders de fondamenten der selve schrifte. Int licht gebracht door Marie Strick Fransoische-school houdende binnen de wijt vernaemde koopstadt Rotterdam. Gesneden door Hans Strick (z.p. 1618) [derde editie]
  • Fonteyne des levens dat is schoone troostelijcke Biblissche spreuchen voor aengevochten ende bedroefde herten na d'ordre van t' A.B.C.: mede seer nut ende bequaem voor alle beminders der pennen. Int licht gebracht door Maria Strick Francoysche schole houdende tot Rotterdam. Hans Strick sculp. (z.p. 1624).

Literatuur

  • J.C. Schultz Jacobi, Geschiedenis der Evangelisch Lutherse gemeente te Rotterdam (Rotterdam 1865) 76-117.
  • P. Haverkorn van Rijsewijk, ‘Maria Strick’, Oud Holland 23 (1905) 52-62.
  • J.W. Schulte Nordholt en J.T. Wiersma, Het onze vader (Baarn 1961) 17-19 en ill. 1 [afbeelding van door Maria Strick gekalligrafeerd Gebedt onses Heeren, met commentaar van de schrijvers].
  • H.M. Klinkenberg, ‘Maria Strick (1577- ná 1631)’, in: H.M. Bonebakker-Westermann e.a., Delftse vrouwen van vroeger door Delftse vrouwen van nu (Delft 1975) 42-59.
  • A.R.A. Croiset van Uchelen, Nederlandse schrijfmeesters uit de zeventiende eeuw. Tentoonstellingscatalogus(Den Haag 1978) 9, 20-23.
  • F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden, ‘Delft, centrum van schrijfmeesters’, in: De stad Delft, cultuur en maatschappij van 1572-1667. Tentoonstellingscatalogus (Delft 1981) 241-242.
  • A.R.A. Croiset van Uchelen, Deliciae: over de schrijfkunst van Jan van den Velde aan de hand van een inleiding op Van den Velde (Haarlem 1984) 12-14.
  • Jos Hiddes, ‘Kunstenaressen in de marge. Over knipkunst, calligrafie en roem’, in: Els Kloek, Catherine Peters Sengers en Esther Tobé red., Vrouwen en kunst in de Republiek. Een overzicht (Hilversum 1998) 107-117.
  • A.R.A. Croiset van Uchelen, Vive la plume. Schrijfmeesters en pennekunst in de Republiek. Tentoonstellingscatalogus (Amsterdam 2005) 19-35.
  • Ton Croiset van Uchelen, ‘Maria Strick. Schoolmistress and calligrapher in early seventeenth-century Holland’, Quaerendo 39 (2009) 83-132.

Illustraties

  • Gravure door W.J. Delff (1580-1638) naar portret van Maria Strick op 41-jarige leeftijd door M. van Mierevelt (1567-1641). Uit: Croiset van Uchelen, Vive la plume.
  • Kalligrafisch acrostichon van Maria Strick. Uit: Tooneel der loflijcke schrijfpen (1607).

Auteur: Marja Volbeda

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 190

laatst gewijzigd: 13/01/2014