Stroink, Nora Francina (1897-1978)

 
English | Nederlands

STROINK, Nora Francina, ook bekend als Nora Steggewentz-Stroink (geb. Amsterdam 2-2-1897 – gest. Bilthoven 31-7-1978), beeldend kunstenares en violiste. Dochter van Jurrian Stroink (1857-1935), civiel ingenieur, en Johanna Francina Adriana Olland (1863-1940). Nora Stroink trouwde op 16-6-1919 in Amsterdam met Johan Heinrich Steggewentz (1896-1945), mijnbouwkundig ingenieur en hydroloog. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Nora Stroink, middelste van drie dochters, werd geboren aan de Amsterdamse Overtoom, waar het gezin een groot huis bewoonde. Haar vader werkte bij de afdeling Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Toen Nora zes jaar oud was, verhuisde het gezin naar de Frans van Mierisstraat in Amsterdam-Zuid. Nora was een creatief kind dat veel tekende en dol was op muziek. Al jong kreeg ze pianoles en vanaf haar zevende ook viool- en balletles. Met hun ouders bezochten de kinderen geregeld het Rijksmuseum en het Concertgebouw.

Violiste en schilderes

Na de lagere school ging Nora Stroink naar de vijfjarige meisjes-hbs aan de Keizersgracht, waar ze naast haar schoolwerk veel tekende en schilderde. Tussen 1915 en 1917 haalde ze een akte lager onderwijs en een mo-akte Engels, maar haar ware liefde lag toch bij de beeldende kunst en de muziek. In juni 1919 trad ze in het huwelijk met Job Steggewentz, die ze al vanaf haar hbs-tijd kende. Steggewentz vond als ingenieur een baan in Nederlands-Indië en het paar vertrok in september 1920 naar de B.P.M.-raffinaderij in Palembang (Oost Sumatra).

Stroink kon slecht aarden in Palembang. Het klimaat deed haar geen goed en na vier jaar keerde ze ziek en verzwakt terug naar haar ouders in Nederland. Weer hersteld nam ze schilderles. Toen ook haar man in 1926 terug was uit Indië, betrokken ze een woning aan de Goudsbloemlaan in Den Haag. Twee jaar later meldde Nora Stroink zich aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Ze kreeg er, onder het mentorschap van de lithograaf en schilder Henk Meijer, vier jaar les in onder meer schilderen, aquarelleren en beeldhouwen. In diezelfde periode pakte Stroink ook de muziek weer op. Ze nam viool- en zanglessen en trad in 1930 toe tot het in Den Haag gevestigde Nederlandsch Kamerorkest onder leiding van Otto Glastra van Loon. In het orkest genoot Nora vooral van ‘de verrukking van het samenspelen’, het vormen van een eenheid tussen dirigent en musici (Dorjee 2014, 29). Daarnaast zong ze in het Haagse Palestrinakoor.

In de jaren dertig reisde Nora Stroink naar Scandinavië, waar ze veel schilderde. Haar ‘breedgeschilderde en geteekende Noorsche berglandschappen’ waren in 1936 te zien op haar eerste – en naar het zich liet aanzien voorlopig ook laatste – expositie, bij de Stichting Stroomkern in Den Haag (Haagsche Courant, 12-3-1936). In 1938 verliet ze het orkest omdat het onregelmatige leven van de beroepsmusicus haar tegen begon te staan – de viool raakte ze daarna niet meer aan. Tijdens de oorlog kwam het huwelijk van Stroink onder druk te staan toen bleek dat haar man het had aangelegd met het dienstmeisje. In 1945 besloten ze uit elkaar te gaan. Eén dag voor de officiële scheiding in mei van dat jaar overleed Job echter aan difterie.

Kunst als therapie

Om de scheiding en dood van haar echtgenoot te verwerken vond Nora Stroink, die zeer geïnteresseerd was in spiritualiteit, steun in de Soefibeweging. In 1947 nam haar leven een dramatische wending toen Stroink werd opgenomen in de psychiatrische inrichting Rozenburg in Loosduinen. Later vertelde zij dat ze daar terecht was gekomen nadat ze als getuige betrokken was geraakt bij een moord. In Rozenburg zouden niet alleen zij, maar ook anderen ten onrechte zijn opgesloten. Met de diagnose ‘paranoia’ werd ze overgeplaatst naar de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, eveneens een psychiatrische inrichting. Dreigingen bleef ze er voelen. In Den Dolder tekende ze veel en leverde ze bijdragen aan het Maandblad van de Willem Arntsz Stichting in de vorm van illustraties en teksten. Haar empathisch vermogen en haar artistieke en muzikale capaciteiten zette ze in voor anderen bij de muziek- en creatieve therapie. Ook richtte ze een ontspanningsclub en een dameskoor op, De Merels.

In 1952 kon Nora Stroink de Arntsz Hoeve verlaten. Ze huurde korte tijd een kamer in Bilthoven. In 1953 vestigde Stroink, die een weduwepensioen had, zich in Bosch en Duin (bij Zeist), waar ze het schilderen weer oppakte. Wel bleef ze zich als vrijwilliger inzetten voor de Arntsz Stichting.

Succes als schilderes

Vanaf 1953 maakte Stroink veel reizen naar landen rond de Middellandse Zee en vooral naar Corsica, waaraan ze haar hart verpand had. Ze schilderde en aquarelleerde haar figuratieve werk - vooral kleurige landschappen, portretten en stillevens – soms met brede toets, soms met een wat fijnere. Ook maakte ze grafiek en tekeningen. Veel van haar portretten ontstonden in opdracht. Haar productiviteit was groot en langzamerhand nam haar bekendheid toe. Stroink werd lid van de Nederlandse Federatie van Beeldende Kunstenaars en van kunstenaarsvereniging Arti & Industriae. Regelmatig exposeerde ze haar werk, onder andere in Nederlandse galeries en Slot Zeist en enkele malen in het buitenland. Naar aanleiding van een tentoonstelling in Galerie Barbizon in Parijs roemde de recensent haar zonnige, zeer verfijnde pallet; volgens hem waren haar kleurvermogen en gevoel voor het ruimtelijke haar sterkste kanten (De Tijd, 28-11-1963).

Met een schenking van een bevriend echtpaar kon Stroink in 1962 naast haar huis een atelier laten bouwen. Bij de opening van haar Bosatelier, in oktober, hield zij een expositie van haar werk. Zij was toen 65 en stopte dat jaar als dirigente van De Merels – met haar andere activiteiten voor de Arntsz Hoeve was zij al een jaar of vijf eerder opgehouden. Als beeldend kunstenares bleef zij actief, niet alleen in haar atelier – in 1965/66 schilderde zij er een portret van prinses Beatrix –, maar ook daarbuiten. Haar laatste grote reis maakte zij in 1966 naar Israël, waar zij de mensen en het landschap in haar werk vastlegde.

Nora Stroink maakte aan het eind van haar leven kennis met de meditatietechnieken van Maharishi Mahesh Yogi. Ze overleed op 31 juli 1978, 81 jaar oud, in een ziekenhuis in Bilthoven. Eind 1994 werd in Zwolle haar ‘compl[ete] atelier’ geveild (De Telegraaf, 19-11-1994).

Betekenis

Nora Stroink begon als violiste, maar was in hart en ziel beeldend kunstenares. Haar doel was, zoals ze zelf zei, ‘om niet alleen natuur, architectuur en pittoreske typen vast te leggen, maar ook de ziel van het land en volk te ontdekken en de sfeer en het karakter uit te beelden’ (Dorjée 2014, Inleiding). Haar werk, meer dan zeshonderd olieverfdoeken en talloze aquarellen, gravures en tekeningen, bevindt zich in openbare en privécollecties. In 2014 verscheen een monografie over Stroinks leven en werk.

Naslagwerken

Jacobs; Jacobs (2000); Scheen (1970).

Werk

  • Werk van Nora Stroink is o.a. te vinden in Drents Museum, Assen; Thonet Museum, Frankenberg (D.); de kunsthandel en privébezit.
  • Zie ook URL http://norastroink.com/ [geraadpleegd 2-3-2017].

Literatuur

  • Christina Dorjee, Nora Stroink. Beeld van een Nederlands kunstenares (z.p. [Lelystad] 2014) [met overzicht van tentoonstellingen].
  • Piet Ransijn, ‘Liefde voor het mooie in medemensen en de natuur’, in: Civis Mundi Digitaal 27 (okt./nov. 2014) [URL; geraadpleegd 2-3-2017].
  • Christina Dorjee, Nora Stroink, Portret van een bevlogen kunstenares (z.p. [Soest] 2017).
  • Piet Ransijn, [boekbespreking n.a.v. Dorjee, Nora Stroink], Civis Mundi Digitaal (z.j.) nr. 44 [URL geraadpleegd 6-4-2017 ].  

Illustraties

  • Nora Stroink in haar bosatelier, door onbekende fotograaf, ca. 1970 (Archief Nora Stroink).

  • Zelfportret door Nora Stroink, ongedateerd (Archief Nora Stroink).

Auteur: Pauline Micheels

laatst gewijzigd: 13/04/2017