Swart, Hendrika (1923-2008)

 
English | Nederlands

SWART, Hendrika (geb. Georgetown, Malakka 8-1-1923 – gest. Amsterdam 27-9-2008), galeriehoudster. Dochter van Karel Swart (1891-1965), scheepskapitein, en Anna Barbara Drabbe (1891-1986), verpleegster. Riekje Swart bleef ongehuwd.

Riekje Swart werd geboren in het destijds Britse Malakka (Maleisië). Ze had een oudere broer en een jongere zus. Haar moeder was voor haar huwelijk verpleegster, haar vader stamde uit een familie van officieren en zeelieden – een oudoom was generaal en gouverneur van Atjeh geweest – en was zelf kapitein bij de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM). Het gezin verhuisde veel en dan werden telkens alle meubelen bij opbod verkocht. In 1934, Riekje was toen elf, repatrieerde de familie definitief vanuit Batavia en vestigde zich in Rotterdam. Daar zag Riekje voor het eerst schilderijen en ging ze naar het gymnasium. Na het bombardement op Rotterdam, 14 mei 1940, verhuisde het gezin naar Laren.

Pas na de oorlog kon Riekje in Amsterdam rechten gaan studeren. Ze las veel en ging naar toneel. Eind 1949 bezocht ze de Cobra-tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Felle kritieken op deze expositie hadden haar nieuwsgierigheid gewekt. ‘Ik was verbijsterd,’ zei ze later, ‘ik herkende het protest [van de kunstenaars]’ (Ribbens 2000). Ze haalde haar kandidaats, maar zakte voor haar doctoraalexamen. Daarna werkte ze jarenlang als personeelschef bij een bank. Ze vond het leuk werk, droeg keurige mantelpakjes en had een goed inkomen. In haar vrije tijd bezocht ze prikkelende tentoonstellingen, onder andere van De Stijl, Cobra en Zero.

Carrièreswitch

Begin jaren zestig zocht Riekje Swart een nieuwe uitdaging. Ze ging als assistente in een galerie werken, maar besloot al snel dat ze haar eigen keus wilde tonen. ‘Ik ben wel iemand om iets te beginnen wat ik helemaal niet kan’, zei ze hier later over (Algemeen Handelsblad, 15-6-1968). Ze had twintigduizend gulden gespaard en gebruikte de helft daarvan om een expositieruimte aan de Keizersgracht op te knappen en in te richten. De andere helft was haar werkkapitaal. Daarmee begon ze in november 1964 als een van de eersten in Amsterdam haar eigen galerie – er waren op dat moment maar vier of vijf galeries in de stad.

In navolging van Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk Museum, vond Swart dat kunst eigentijds en grensverleggend moest zijn. Ook vond ze, net als hij, dat men zich altijd moest afvragen: wat is kunst, en waarom? Ze begon met de abstract-geometrische kunst van jonge kunstenaars als Ad Dekkers, Bob Bonies, Hans Koetsier en Peter Struycken, aangevuld met conceptualisten als Ger van Elk en Jan Dibbets en verwante buitenlandse kunstenaars. Iedereen verklaarde haar voor gek met deze tegendraadse en avant-gardistische kunst, maar Swart voelde zich daar gelukkig bij: ‘Als er iets is dat weerstand wekt, dan komt er een kracht in me los’ (Wijers).

In 1968 verhuisde ze met haar galerie naar de Van Breestraat 23, een kleine kale ruimte om de hoek bij het Stedelijk Museum. Anders dan de meeste galeries was Galerie Swart niet gericht op financieel succes. Veel meer was de galerie een trefpunt waar nieuwe ideeën konden uitkristalliseren en waar mensen tot diep in de nacht, rokend en drinkend, zaten te discussiëren over kunst. Maar er moest ook brood op de plank komen en Swart was voortdurend bezig verzamelaars ‘te maken’ en het verhaal van ‘de kunstenaar’ over te brengen (Ribbens 2000).

Kunstpausin van Nederland

In de loop van de jaren zeventig veranderde Riekje Swart radicaal van koers. Omdat haar belangrijkste kunstenaars Dekkers en Struycken navolgers kregen die haar verveelden, maakte hun minimalistische kunst plaats voor rauwe, stripachtige schilderijen van jonge kunstenaars. Galerie Swart, vernieuwend, aanstootgevend en internationaal, haalde Italianen binnen, Duitsers en Franse kunstenaars van de Figuration Libre, met wie Swart naar de disco ging om hun cultuur beter te begrijpen. De Haagse Post noemde haar ‘de kunstpausin van Nederland’ (13-8-1988). Maar een paar jaar later was ze door extreme prijsstijgingen gedwongen weer afscheid te nemen van haar ‘wilde’ schilders en met een nieuwe generatie in zee te gaan. In de jaren negentig bracht zij weer veel jonge Nederlanders, kunstenaars die balanceerden op de grens van reclame en fotografie, van design en beeldende kunst, zoals Bert Boogaard, Cécile van der Heijden en Joost van den Toorn.

In 2000 sloot Riekje Swart haar galerie, na 36 jaar ‘kunst verkopen’ en bijna driehonderd, vaak spraakmakende exposities. De passie was er nog wel, maar het lijf werd broos. In een afscheidsinterview zei ze over haar loopbaan als galeriehoudster: ‘Je moet natuurlijk wel een beetje geluk hebben. Veel kunstenaars uit mijn galerie kwamen eind jaren zestig in grote musea en op de Documenta te hangen’ (Ribbens 2000). In 2002 ontving zij voor haar werk de Benno Premselaprijs van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (Fonds BKVB). Tegelijkertijd werd in Galerie Tanya Rumpff in Haarlem een tentoonstelling ingericht met werk van tien kunstenaars uit Swarts voormalige ‘stal’.

De laatste jaren van haar leven ging Riekje Swart steeds slechter zien. Levend in een zelf gekozen isolement overleed ze op 27 september 2008 in de ouderdom van 85 jaar. Op haar nadrukkelijke wens waren er geen bloemen bij de crematie. Swart werd herdacht als een kleurrijke en eigenzinnige vrouw. Al jong besloot ze nooit te trouwen: ze had een negatieve kijk op het huwelijk, dat ze zag als een reeks van plichten. ‘Gezag heeft me altijd ontzettend benauwd’, zei ze (Wijers).

Betekenis

Riekje Swart richtte in 1964 een avant-garde galerie op die legendarisch werd als broedplaats van talent. Ze toonde werk dat haar intrigeerde en dat ze in eerste instantie nog niet begreep, maar waarvan ze het eigentijdse intuïtief aanvoelde. Tot haar kerntaak rekende zij het zoeken naar waardeverleggende kunst. Het juryrapport van de Benno Premselaprijs onderstreept het historisch belang van het werk van Riekje Swart en noemt haar een van de pioniers van de Nederlandse moderne kunstwereld, die decennialang jonge kunstenaars kansen bood en met haar uitgesproken programma nauw betrokken was bij de wereld van de beeldende kunst.

Archivalia

  • Gemeentearchief, Den Haag, Bevolkingsregister 1913-1939 (kaart A.B. Drabbe; gezinskaart).
  • Stadsarchief, Rotterdam, Bevolkingsregister (gezinskaart).

Literatuur

  • Louwrien Wijers, ‘De kunst van het risico. Riekje Swart galeriehoudster’, Algemeen Handelsblad, 15-6-1968.
  • Bart Lootsma en Cees Dam, Cees Dam, architect (Rotterdam 1989) 14.
  • Arjen Ribbens, ‘Ik moest het goed vinden’, NRC Handelsblad, 14-4-2000.
  • Hans den Hartog Jager, ‘Riekjes oude helden’, NRC Handelsblad, 6-12-2002.
  • Jos Houweling en Mirjam Beerman e.a., Juryrapporten oeuvreprijzen en Benno Premselaprijs Fonds BKVB 2002 [URL https://www.mondriaanfonds.nl/wp-content/uploads/2012/.../juryrapporten-2002.pdf; geraadpleegd 28-5-2017].
  • Arjen Ribbens, ‘Promotor van een dwarse kunstmentaliteit’, NRC Handelsblad, 30-9-2008.
  • Marina de Vries, ‘Riekje Swart: Onvermoeibare fan van avant-gardekunst’, de Volkskrant, 30-9-2008.
  • Franck Gribling, ‘Klare taal’, City Thoughts, januari 2012 [URL www.citythoughts.org/locussolus/index9.htm; geraadpleegd 28-5-2017].
  • Jan van Adrichem, ‘Riekje Swart (1923-2008): Van pre-postmoderne kunst naar postmoderne kunst’, De Witte Raaf, maart-april 2012 [URL www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/3747; geraadpleegd 28-5-2017].

Illustratie

Opening tentoonstelling in Galerie Swart in 1968, v.l.n.r. Ad Dekkers, Hans Koetsier, Riekje Swart, Bob Bonies en Peter Struycken (Studio AP, Amsterdam).

Auteur: Pauline Micheels

laatst gewijzigd: 28/05/2017