Tammes, Jantina (1871-1947)

 
English | Nederlands

TAMMES, Jantina (geb. Groningen 23-6-1871 – gest. Groningen 20-9-1947), plantkundige en genetica. Dochter van Beerend Tammes (1834-1907), banketbakkersknecht, later cacao-fabrikant, en Swaantje Pot (1836-1907). Jantina Tammes bleef ongehuwd.

Tine Tammes werd geboren in de Groningse Peperstraat en groeide met vier broers en een zuster op in een pas tot welstand gekomen middenklassengezin. Ze ging naar de gemeentelijke mms en kreeg na haar eindexamen privélessen wis-, natuur- en scheikunde om zo als toehoorder toegang te krijgen tot colleges aan de universiteit – ze was een van de zeer weinige vrouwen onder de studenten. De colleges volgde zij ter voorbereiding op MO-aktes: in 1892 haalde zij de MO-akte natuur- en scheikunde en kosmografie en in 1897 de akte plant-, dier-, delfstof- en aardkunde.

Genetica en statistiek

In 1894 begon Tammes als lerares natuur- en schei-, plant- en dierkunde op haar vroegere school, in 1897 werd ze assistente bij de hoogleraar botanie J.W. Moll. Door diens bemiddeling kon zij vanaf eind 1898 een aantal maanden onderzoek doen in het laboratorium van de Amsterdamse hoogleraar plantkunde Hugo de Vries. Bij hem kwam zij in aanraking met de genetica, een nieuwe wetenschapsrichting die appelleerde aan haar wiskundige aanleg en waarover zij als een van de eersten in Nederland publiceerde. Haar bij De Vries begonnen onderzoek naar ‘Die Periodicität morphologischer Erscheinungen bei den Pflanzen’ verscheen in maart 1903 in de Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. De facto gold dit onderzoek als haar wetenschappelijke ‘blijk van kunnen’, maar een formeel proefschrift was het niet.

Een benoeming van Tammes aan het Phytopathologisch Laboratorium in Amsterdam in 1900 ging niet door omdat de directeur-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken zich tegen de benoeming van vrouwen verzette – pas in 1906 maakten personele wisselingen in het bestuur daar de weg vrij voor de benoeming van een vrouw: Johanna Westerdijk. Ook een benoeming in Wageningen ging niet door, dit keer omdat Tammes de stap niet durfde te zetten: als ongetrouwde dochter voelde ze zich verantwoordelijk voor de zorg voor haar ouders. En zo begon ze in 1900 als lerares plant- en dierkunde aan de rijks-hbs in Groningen. Ze had echter last van faalangst en drempelvrees en nam daarom binnen een jaar alweer ontslag. Moll bood haar daarop een onbezoldigde onderzoeksplaats aan op zijn laboratorium. Bijna twaalf jaar zou zij daar werken. In deze periode schreef zij haar belangrijkste artikelen. In 1901 kreeg ze een beurs voor onderzoek op Java toegewezen. Tammes was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel, wat des te opmerkelijker was omdat alleen gepromoveerden de beurs ontvingen. Hoe eervol ook, Tammes ging niet, want artsen ontraadden haar een Indisch verblijf en zijzelf kon haar verantwoordelijkheidsgevoel jegens haar ouders niet loslaten.

In 1904 kreeg Tine Tammes van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem de opdracht voor een onderzoek naar de vlasstengel. Haar ‘Der Flachsstengel. Eine statistisch-anatomische Monographie’ verscheen in 1907 en werd alom geprezen. Tammes had voor dit onderzoek gebruikgemaakt van statistiek en waarschijnlijkheidsrekening, daarbij geholpen door de Groningse astronoom prof. J.C. Kapteyn, die net als zij een grote belangstelling had voor wiskunde en statistiek. Ook in latere publicaties maakte Tammes gebruik van statistiek en waarschijnlijkheidsrekening. Naast deze onderzoeksactiviteiten verzorgde ze vanaf 1908 praktische oefeningen en colleges aan studenten en landbouwers voor de Vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs in Groningen. 

Een promotie was voor Jantina Tammes niet mogelijk, omdat zij geen academische studie had afgerond, maar de Groningse senaat verleende haar op 5 juli 1911 een eredoctoraat in de plant- en dierkunde. Met ingang van april 1912 nam zij van Moll, wiens gezichtsvermogen sterk achteruit ging, de dagelijkse leiding over van de praktische oefeningen in de microscopie, aanvankelijk als ‘tijdelijke hulp’ en vanaf april 1914 in de rang van conservator. Al in april 1911 waren er in Groningen plannen om Tammes te benoemen tot buitengewoon hoogleraar in de leer der variabiliteit en erfelijkheidsleer, maar het duurde acht jaar voordat het ministerie daarmee instemde. Zij was de eerste leerstoelhouder in dit vak in Nederland.

Hoogleraarschap

In haar oratie (20-9-1919) over De leer der erffactoren en hare toepassing op den mensch liet Tine Tammes zich sceptisch uit over de eugenetica, de beweging die door toepassing van erfelijkheidswetten het mensenras wilde verbeteren. Zij was ook tegenstander van de wetten die in sommige staten van Amerika de overheid het recht gaven zwakzinnigen, misdadigers en dronkaards te steriliseren. Over de erfelijke aanleg van de mens was volgens haar nog veel te weinig bekend om tot zulke maatregelen te besluiten. Uit het slot van haar oratie spraken ook een duidelijk sociaal engagement en instemming met de argumenten van vooruitstrevende artsen, die meenden dat de staat zich primair moest richten op verbetering van economische omstandigheden. Tammes pleitte voor zelfontplooiing van de mens. Een betere arbeidsverdeling, waardering voor elke soort van arbeid en verbetering van milieufactoren waren daartoe noodzakelijk.

Ook later bleef Tine Tammes zich verzetten tegen een eugenetische bevolkingspolitiek, zoals in 1927 in de Commissie van de Nationale Vrouwenraad die het bevolkingsvraagstuk bestudeerde. Ondanks haar reserves was Tammes bestuurslid van enkele eugenetische organisaties, die in 1924 werden gebundeld tot het Centraal Comité, vanaf 1930 de Nederlandsche Eugenetische Federatie geheten. Het orgaan van de Federatie, Afkomst en toekomst, gaf in 1941 xTammes’ oratie opnieuw uit, als een impliciet protest tegen de rassentheorieën van de Duitse bezetter.

Voor Tammes betekende het hoogleraarschap een keerpunt in haar leven: de erkenning van haar wetenschappelijke kwaliteiten gaf haar zelfvertrouwen. Met haar studenten ondernam zij buitenlandse excursies, ze bezocht internationale congressen, was actief in Nederlandse en buitenlandse organisaties en maakte deel uit van redacties van wetenschappelijke tijdschriften, zoals Genetica (1932-1943). Deze activiteiten en haar onderwijstaken vroegen echter zoveel van haar tijd dat zij weinig meer publiceerde. Wel begeleidde zij acht promovendi en was ze betrokken bij enkele promoties van medici.

Tine Tammes zette zich in voor organisaties van studentes of gestudeerde vrouwen. Tijdens haar studie had ze met enkele medestudentes in 1896 een Wandel- en Debatingclub opgericht, die twee jaar later zou uitgroeien tot de Groningsche Vrouwelijke Studentenclub. Ook was ze betrokken bij de in 1918 opgerichte Nederlandsche Vereeniging van Vrouwen met Academische Opleiding (VVAO) – in 1934 richtte ze met andere academicae een Groningse afdeling op, bezorgd als zij waren over de geringe arbeidskansen voor pas afgestudeerde vrouwen. Ook vervulde ze een bestuursfunctie in het Catharina van Tussenbroek Fonds.

Bibliotheek en portret

In 1937 legde Tine Tammes haar buitengewoon hoogleraarschap neer om zich weer aan onderzoek te kunnen wijden. Een huldigingscomité van 35 personen bood haar een geldbedrag aan, dat zij bestemde voor verdere genetische onderzoekingen. Plannen om haar bij haar zeventigste verjaardag een feestbundel aan te bieden, gingen vanwege de Tweede Wereldoorlog niet door. Tine Tammes stierf op 20 september 1947 en werd begraven op Esserveld. Na haar dood kreeg het Genetisch Instituut van de Groningse universiteit de beschikking over haar bibliotheek. Haar geschilderd portret, dat door haar familie in 1948 aan de universiteit werd geschonken, vond een plaats in de Senaatskamer.

Naslagwerken

BWN.

Archivalia

UB Groningen (RUG), Bijzondere Collecties: Brieven van Jantina Tammes aan Elisabeth Schiemann 1921-1932 en I. de Wilde, onderzoeksarchief  J. Tammes (1907-2002) .

Staatsbibliothek zu Berlin, Preussischer Kulturbesitz: Brieven van Jantina Tammes aan Elisabeth Schiemann 1933-1934 en E. Baur 1909-1911.

Publicaties

Bibliografie van de wetenschappelijke publicaties van Jantina Tammes, in Genetica 22 (1941) 1-180. In deze aflevering werden de zeven belangrijkste artikelen van J. Tammes herdrukt. Verder o.a.: ‘Meisjesstudentenleven in Groningen in het laatst van de vorige eeuw’, in Lustrum-Almanak 1898-1928 [Uitgegeven door de Vrouwelijke Studentenclub ‘Magna Pete’] (Z.pl. 1929) 50-53.

Literatuur

Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. door E.W. Wijnaendts Francken-Dyserinck, in NRC, 22-6-1941, door J. Westerdijk, in Mededeelingen VVAO 8 (juli 1937) 12-13, ibidem 14 (maart 1948) 2-3, door S., in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1948 (Groningen [etc.] 1948) 62-63, door E. Schiemann, in Der Züchter 19 (1949) Heft 7, 181-184.

  • Jan Noordman, Om de kwaliteit van het nageslacht. Eugenetica in Nederland, 1900-1950 (Nijmegen 1989).
  • I.H. Stamhuis, ‘Statistiek en waarschijnlijkheidsrekening in het werk van Tine Tammes (1871-1947)’, Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 15 (1992) 195-207.
  • Idem, ‘A female contribution to early genetics. Tine Tammes and Mendel’s laws for continuous characters’,  Journal of the History of Biology 28 (1995) 495-531.
  • Inge de Wilde, ‘Nieuwe deelgenoten in de wetenschap’. Vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen, 1871-1919 (Assen 1998) 198-224.
  • Marga Coesèl en Erik Zevenhuizen, ‘Op heterdaad betrapt? Hugo de Vries en zijn houding tegenover vrouwen in de wetenschap’,  Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 23 (2000) 266-284.
  • Liebes Fräulein Schiemann. Brieven van Jantina Tammes aan Elisabeth Schiemann 1921-1934, Inde de Wilde ed.(Groningen 2002) [met inleiding].

Illustratie

Jantina Tammes, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Universiteitsmuseum Groningen).

Auteur: Inge de Wilde

 

 

laatst gewijzigd: 02/10/2017