Teding van Berkhout, Anna Johanna Maria (1833-1909)

 
English | Nederlands

TEDING van BERKHOUT, Anna Johanna Maria (geb. Haarlem 1-3-1833 – gest. Haarlem 26-7-1909), grondlegster van het Diaconessenhuis in Haarlem en initiatiefneemster van de zorg voor epilepsiepatiënten in Nederland. Dochter van Jan Pieter Teding van Berkhout (1786-1856), jurist, o.a. ontvanger indirecte belastingen en lid van de Raad van Haarlem, en Anna Madelaine Henriette de Bosset (1793-1869). Anna Teding van Berkhout bleef ongehuwd.  

Anna Johanna Maria Teding van Berkhout werd geboren als derde van de vijf kinderen van jonkheer Jan Pieter Teding van Berkhout en diens tweede vrouw, Anna Madelaine Henriette de Bosset. Haar oudste broer en twee zusjes na haar stierven jong. Samen met haar ouders en haar broer Hendrik (1830-1904) bracht zij haar jeugd ’s winters door in het Haarlemse stadshuis aan de Nieuwe Gracht, ’s zomers op het buiten Aelbertsberg te Bloemendaal. In november 1868 verkeerde Anna als gevolg van ernstige ziekte in levensgevaar. Hoewel zij reeds in 1850 bevestigd was als lidmaat in de Waalse kerk te Haarlem, kreeg haar geloof naar eigen zeggen toen pas echt betekenis voor haar. Geïnspireerd door Mattheüs 25:(35-)40 voelde zij zich geroepen zich voortaan aan zieken en ongelukkigen te wijden. Toen in 1869 haar moeder stierf – haar vader was al eerder overleden – onderging haar leven opnieuw een ingrijpende verandering. Ze moest zich losmaken van het ouderlijk huis en betrok een woning in Bloemendaal.

Zo kwam Freule Berkhout op eigen benen te staan en had zij haar levensdoel gevonden. Het was de tijd van de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871). Toch wilde zij niet gaan helpen op of nabij het slagveld. Daartoe achtte zij zich nog onbekwaam. Wel zetten de berichten over deze oorlog haar aan tot het volgen van een cursus ziekenverpleging en verbandleer bij het Rode Kruis. Enige tijd later deed zij – de Freule! – gedurende enige maanden praktijkervaring op in het Stedelijk Gasthuis te Den Haag. Ter verdere voorbereiding ging zij op reis om verschillende diaconesseninrichtingen in binnen- en vooral buitenland (Duitsland) te bezoeken. Overal observeerde zij scherp de gang van zaken.

Ziekenverpleging

Anna Teding van Berkhout, inmiddels lid van het Haarlemse Comité voor Ziekenverpleging, werd in 1873 benoemd tot regentes van het Haarlemse St. Elisabeths Gasthuis. Haar kritische houding werd niet gewaardeerd. Zij deed voorstellen tot verbeteringen en vernieuwingen, maar omdat deze door de andere regenten werden afgewezen, trok Freule Berkhout zich in 1876 uit dit bestuur terug. Zelf repte zij van veel strijd en ontmoedigende ondervindingen. Eveneens in 1873 kreeg ze bezoek van de maatschappelijk bewogen Réveildominee O.G. Heldring, die haar opriep haar krachten te wijden aan het trieste lot van ‘epileptischen’ in Nederland. Deze categorie patiënten werd in krankzinnigengestichten ‘weggestopt’ of helemaal naar het Westfaalse Bielefeld gebracht, waar sinds 1867 een speciale instelling voor epileptici – Bethel – bestond die onder leiding stond van ds. Friedrich Von Bodelschwingh (1831-1910), met daaraan verbonden een diaconessenopleiding. Aan deze gerichte oproep gaf ze aanvankelijk geen gehoor, want zij wilde in een eigen huis zelf zieken opnemen en verplegen, naar haar eigen inzichten en op positief-christelijke grondslag. 

In 1874 kocht Anna Berkhout op de Nieuwe Gracht te Haarlem een groot pand (nr. 90), niet ver van het voormalig ouderlijk huis waar intussen haar broer Hendrik met zijn gezin woonde, om gestalte te geven aan het levenswerk waarop zij zich al enkele jaren had voorbereid. In november van datzelfde jaar nam de eerste patiënte haar intrek in het huis op de Nieuwe Gracht. Dit particuliere initiatief wordt algemeen beschouwd als het begin van wat zou uitgroeien tot het Haarlemse Diaconessenhuis. Rond 1880 kocht jonkvrouwe Teding van Berkhout het aangrenzende huis erbij, dat door tussendeuren met het andere pand werd verbonden. De instelling begon vaster vormen aan te nemen: de zusters gingen uniformen dragen en zo ontwikkelde de Inrichting voor Ziekenverpleging zich geleidelijk tot een echt diaconessenhuis.

In 1879 bereikte de freule het verzoek een meisje ‘lijdende aan vallende ziekte’ op te nemen. Na herhaald aandringen stemde zij daarin toe, maar het ging niet goed omdat de andere patiënten hinder haar ondervonden. Ten slotte moest Freule Anna de patiënte wegbrengen naar Bielefeld. Naar aanleiding van deze gebeurtenis raakte ze ervan overtuigd dat het inderdaad op haar weg lag een begin te maken met de verzorging van juist déze patiënten – zoals Heldring haar zes jaar eerder nadrukkelijk had gevraagd. Menigeen ontried het haar, maar zij antwoordde met de haar bekende uitspraak ‘en ik doe het tòch’. Achter in de tuin op de Nieuwe Gracht liet zij een bescheiden huisje bouwen: ‘Zoar’, naar Genesis 19:20-23, waar plaats was voor acht vrouwelijke epileptici. In 1881 begon het verpleegwerk. Ook nu overtrof het aantal aanvragen voor opname al spoedig de beschikbare plaatsen. Daarom nam Berkhout eind december 1881 het initiatief tot de oprichting van de Christelijke Vereniging voor Verpleging van Lijders aan Vallende Ziekte, die in 1882 een rechtspersoonlijkheid verkreeg.

Diaconessenhuis

In 1884 kocht de Vereniging een terrein aan de Meesterlottelaan in Haarlem waar Bethesda en Sarepta verrezen als eerste gebouwen voor opvang van epileptische patiënten in Nederland. Ook de buitenplaats Meer en Bosch te Heemstede werd in eigendom verkregen. Intussen voldeed het huis voor de Ziekenverpleging op de Nieuwe Gracht niet meer aan de toenemende eisen met betrekking tot hygiëne en chirurgische behandeling. Daarom kocht Anna Teding van Berkhout begin 1887 een terrein aan de Haarlemse Hazepaterslaan – bij de Meesterlottelaan waar zij een ziekenhuis liet bouwen dat tevens als opleidingsinstituut voor diaconessen dienst kon doen. In augustus 1887 werden de eerste zieken opgenomen. Nog datzelfde jaar droeg ze het Diaconessenhuis over aan het zich inmiddels gevormde bestuur. In 1891 nam de freule ontslag als bestuurslid van de Vereniging ten behoeve van de zorg voor epileptici. Men benoemde haar tot erelid en zij bleef ook lid van het bestuur van het Diaconessenhuis. Over de redenen voor haar terugtreden uit het bestuur van de Vereniging heeft zij zich nooit uitgelaten.

Laatste jaren en reputatie

In de jaren na 1891 was freule Berkhout veel op reis. Zij bleef echter betrokken bij haar beide ‘kinderen’, zij het op de achtergrond. In de laatste periode van haar leven was zij veel ziek. Daarom mocht zij haar intrek te nemen in een paar kamers in het complex aan de Hazepaterslaan. In 1907 woonde zij nog de viering van het 25-jarig bestaan van de Vereniging bij. Een groot blijk van waardering was haar reeds in 1899 bij de herdenking van het zilveren jubileum van de door haar begonnen ziekenverpleging op de Nieuwe Gracht ten deel gevallen toen zij koninklijk werd onderscheiden (Ridder in de Orde van Oranje-Nassau). In 1909 overleed Jonkvrouwe Teding van Berkhout, 76 jaar oud. Haar begrafenis was – volgens haar wens – sober en eenvoudig.

Anna Teding van Berkhout had de naam uiterst bescheiden te zijn: iemand die zich bewust was van haar achtergrond, maar zich daar niet op liet voorstaan. Haar vermogen liet zij grotendeels na aan haar stichtingen en aan het daar werkzame personeel. Het jaar 1882 wordt nog steeds beschouwd als het officiële begin van de zorg voor epileptici in Nederland, die tegenwoordig wordt voortgezet door de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, onder de naam SEIN.

Archivalia

Nationaal Archief Den Haag: Archief Familie Teding van Berkhout, toegangsnr. 32059, inv. nrs. 621-633, 1645, 1647, 1664 en 1897, beschreven in de door O. Schutte in 1974 opgestelde inventaris Het Archief van de Familie Teding van Berkhout. [Nr. 624 betreft een korte handgeschreven autobiografie].

Literatuur

  • A. van Hoogstraten-Schoch, ‘En ik doe het tòch’, in: H. Th. De Booy e.a., Menschen in de Schaduw (’s-Gravenhage z.j. [1938]) 175-198.
  • J.A. Hoekendijk, Lief en Leed in dienst der Christelijke Barmhartigheid. 1882-1907 (Amsterdam z.j. [1907]).
  • J.A. van Leeuwen e.a., Licht en Schaduw gedurende vijftig jaar onder onze kranken, 1882-1932. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Christelijke Vereeniging van Lijders aan Vallende Ziekte te Haarlem en Heemstede (Heemstede z.j. [1932]).
  • M. Elisabeth Kluit, Het Protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865 (Amsterdam 1970).
  • C. Schmidt, Om de eer van de Familie. Het geslacht Teding van Berkhout 1500-1950 (Amsterdam 1986) 170-172.
  • Nederland’s Adelsboek 79 (1988) 504-507, 512.
  • www.sein.nl, s.v. ‘Geschiedenis’, samengesteld door Bep J. Hulshof (2007).

Illustratie

Portretfoto door Jkvr. A.J.M. Teding van Berkhout, ongedateerd (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag).

Auteur: J.C.M. Teding van Berkhout-Fabius

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 745

laatst gewijzigd: 13/01/2014