Thil, Hendrina Margaretha van (1722-1799?)

 
English | Nederlands

THIL, Hendrina Margaretha van (ged. Leiden 1-2-1722 – gest. Den Haag? ?-2-1799?), toneelspeelster. Dochter van Adriaan van Thil (1687-1730), toneelspeler, en Catharina van der Pals (gest. 1761). Hendrina van Thil trouwde op 20-8-1767 in Drumpt, bij Tiel (otr. Amsterdam 31-7-1767) met Carel Coenraad Molster (1745-voor 1792). Dit huwelijk bleef kinderloos. Hendrina van Thil kreeg eerder 2 buitenechtelijke kinderen: 1 dochter, van wie als vader Jacobus van der Pals vermeld staat, en 1 zoon, wiens vader Pieter Schrick (gest. 1763) was.

Voor zover bekend was Hendrina het eerste kind van Adriaan van Thil en Catharina van der Pal(t)s. Ze had een oudere halfzus, (Anna) Maria de Vos (1706-?), die uit een eerder huwelijk van haar moeder kwam, en twee jongere zusjes, Petronella (1724-1772) en Anna Stefanie (1727-?). Haar vader was als toneelspeler verbonden aan de – soms reizende – troep van Jacob van Rijndorp, wiens schouwburgen in Den Haag en Leiden na zijn dood in 1720 werden voortgezet door zijn weduwe, Anna de Quintana, en zijn dochter, Isabella van Rijndorp. Onbekend is of Hendrina’s moeder, die uit Alkmaar afkomstig was, ook toneel speelde. Haar familie had nauwe banden met het Alkmaarse theater. Hendrina’s halfzuster was vanaf 1733 als actrice verbonden aan de Amsterdamse Schouwburg en haar zuster Petronella zou in Leiden aan het toneel gaan.

Hendrina van Thil was acht toen haar vader overleed en vijftien toen ze als toneelspeelster bij de Amsterdamse Schouwburg kwam. Het is daarom aannemelijk dat ze al jong leerde toneelspelen en in kinderrollen optrad. In 1738 vierde de Schouwburg haar honderdjarig bestaan met opvoeringen van het Eeuwfeest, een allegorisch gelegenheidsspel van Jan de Marre. Daarin kreeg de zestienjarige Hendrina ook een rolletje: als Iris daalde zij, gezeten op een wolk, af naar het toneel om daarvandaan ook weer op te stijgen. In totaal had ze zes regels tekst. Haar halfzuster stond toen eveneens op het toneel.

Voorlopig einde aan toneelloopbaan

Wegens binnenlandse woelingen werd in mei 1747 de schouwburg voor onbepaalde tijd gesloten. Het is onduidelijk of Hendrina van Thil de schouwburg op dat moment al verlaten had, maar zeker is dat ze dat jaar het vak vaarwel zei. Wellicht nam ze deze stap omdat ze een kind kreeg: op 26 maart 1747 werd in Amsterdam een dochter, Anna Maria, gedoopt. Haar halfzuster Anna Maria de Vos en haar echtgenoot, de toneelspeler Maurits van Hattum, waren de doopgetuigen. Als vader van de dopeling staat een zekere Jacobus van der Pals genoemd. Of hij werkelijk de vader was, valt te betwijfelen. Waarschijnlijk was hij een verwant van haar moeder, die voor de gelegenheid de vaderrol op zich nam. Een huwelijk van Hendrina en Jacobus is er in ieder geval nooit geweest. Kort na de geboorte van het kind kreeg Hendrina een relatie met Pieter Schrick, commissaris van de Levantse handel in Amsterdam en conciërge van de Bank van Lening.

Bij de heropening van de Amsterdamse Schouwburg in juli 1749 keerde Hendrina van Thil er niet terug. Ze bleef wel in Amsterdam. Daar werd op 21 maart 1751 Pieter gedoopt, zoon van Hendrina van Thil en Pieter Schrick, wederom met het echtpaar Van Hattum-De Vos als getuigen. Van Thil en Schrick zijn nooit getrouwd, maar hun verhouding hield zestien jaar stand en Schrick zorgde goed voor moeder en kind. Al enkele maanden vóór de geboorte van Pieter jr. hadden de ouders hun testamenten laten opmaken, waarbij Pieter sr. Hendrina tot zijn enige erfgenaam benoemde en Hendrina hetzelfde deed voor haar toekomstige kind(eren) in de eerste plaats en voor Pieter sr. in de tweede. Haar eerste kind wordt niet genoemd: was zij misschien al overleden? Enkele weken na Pieters doop kreeg Van Thil een obligatie ter waarde van duizend gulden van Schrick. In die jaren woonde ze op de Prinsengracht bij de Vijzelstraat.

Pieter Schrick bleef Hendrina van Thil geschenken geven. Zo kreeg ze bijvoorbeeld in 1759 enkele juwelen ter waarde van 8300 gulden: oorbellen, armbanden (met zijn portret erin verwerkt) en een gesp, alle bezet met diamanten. In de schenkingsakte werd bepaald dat de juwelen naar Schrick terug zouden gaan als Van Thil bij zijn, Schricks, leven met een ander zou trouwen of zou overlijden. Stierf hij vóór haar, dan werden ze haar eigendom. Dat laatste gebeurde: Schrick overleed, ongehuwd, begin april 1763. Op de dag van zijn begrafenis herriep Van Thil haar in 1750 gemaakte testament en maakte uitdrukkelijk geen nieuw testament. Dat kan betekenen dat haar kinderen inmiddels allebei overleden waren. Enkele maanden later maakte ze Schricks obligatie te gelde. Kort na Schricks overlijden bleek overigens dat hij bij de Bank van Lening voor enige tonnen gefraudeerd had (Bicker Raye, 273).

Terugkeer naar het toneel; huwelijk

Na de dood van Pieter Schrick keerde Hendrina van Thil terug naar de Amsterdamse Schouwburg, waar ze met open armen werd ontvangen. Ze kreeg een goed contract dat voorzag in een jaarlijkse recognitie van 327 gulden en een douceur van 200 gulden, naast een gage van f 5,25 per optreden. Ook het schouwburgpubliek was enthousiast. Haar speciaal op het affiche aangekondigde rentree op 5 mei 1763 als Klytaemnestra in Racine’s Ifigenia in Aulis trok ‘ene ongelooflijke toevloed van aanschouwers’ die blij waren deze blijkbaar zeer gewaardeerde actrice eindelijk weer te zien spelen (Hollandsche Toneelbeschouwer, 318). In 1765 trad ze op in Leiden met het gezelschap van Marten Corver. Of dit een contractuele verbintenis dan wel gastoptredens betrof, is onduidelijk. Haar verblijf in Leiden was hoe dan ook niet van lange duur.

In juli 1767 ging Hendrina van Thil in Amsterdam in ondertrouw met de bijna 25 jaar jongere Carel Coenraad Molster, over wie weinig meer bekend is dan dat hij uit Tiel afkomstig was. Ze woonde nog altijd op de Prinsengracht en was 45 jaar oud, al staat in de Amsterdamse ondertrouwakte dat ze 40 was. Het huwelijk werd drie weken later voltrokken in Drumpt (bij Tiel). Uit de ‘specificatie van ten huwelijk aangebrachte goederen’ blijkt dat het Van Thil was die bezittingen had, met een totale geschatte waarde van 26.395 gulden. Daaronder waren de armbanden met het portret van Schrick en een huis aan de Vijzelgracht, dat zij in 1766 gekocht had. Blijkbaar is het echtpaar daar niet gaan wonen, want volgens een handschriftelijke notitie in een pamflet uit 1769 woonden ‘de eerbare actrice Hendrina van Thil’ en haar echtgenoot in de Jordaan op de Anjeliersgracht (nu: Westerstraat) (T.T., Brief van een vriend). Mogelijk was Molster daar kamerverhuurder. Volgens het Galante leeven (18) was hij kapper.

Hendrina van Thil bleef verbonden aan de Amsterdamse Schouwburg tot deze in mei 1772 afbrandde en alle spelers werkloos werden. De aangeboden compensatieuitkering wees zij af en net als veel andere collega’s ging ze in 1773 spelen op de Rotterdamse schouwburg van Jan Punt, die haar aannam als eerste actrice tegen een gage van 21 gulden per week (T.T., Brief van een heer, 6). Haar man kreeg een baantje als ‘bureaulist’ (Haverkorn van Rijsewijk, 37). In mei/juni van dat jaar speelde Hendrina, inmiddels de vijftig gepasseerd, de rol van ‘de oude keizerin’ in het treurspel Gabinia van Sybrand Feitama en van Teuntje in Het onbesturven weeuwtje, blijspel van P.A. de Huybert (Vijftig brieven, 2de en 3de brief).

In december 1774 opende Punt een nieuw theater met een voorstelling van Maria van Bourgondië, treurspel van Lucretia Wilhelmina van Merken. ‘Juffrouw Punt’ ofwel Catharina Fokke speelde daarin de titelrol en Hendrina van Thil – nu juffrouw Molster genoemd – de rol van Margreta (Schilderachtige beschryvingen, 7). Datzelfde jaar was het echtpaar Molster-van Thil getuige bij de doop van een kind van de toneelspeler Simon Rivier. In 1775 al raakte de Rotterdamse schouwburg in financiële problemen en Van Thil en haar collega’s werden flink gekort op hun salaris. Na een conflict met de commissarissen van de schouwburg – waarin ook Van Thil betrokken was – werd Jan Punt vervangen door Marten Corver (Gras, 202-205). In 1779 kwam de schouwburg onder de (kortstondige) directie van Maria Elisabeth de Bruyn en Van Thil stond toen op de loonlijst voor duizend gulden per seizoen. Ze bleef, onder weer andere directies, in Rotterdam spelen tot de zomer van 1784, toen ze ten tweede male terugkeerde naar de Amsterdamse Schouwburg. Daar kwam in 1791 een einde aan de lange carrière van Hendrina van Thil, die dat jaar, met een pensioen, het toneel verliet.

Laatste jaren

Hendrina van Thil was een goede actrice. Van ‘het mooiste en bevalligste meisje’ onder de toneelspeelsters dat de ‘jeunes premières’ speelde, werd ze, met haar gave ‘te kunnen schreien, wanneer ze wilde’ (Corver, 98), de vrouw die rond 1763 de ‘tedere’ koningin-moeders speelde en later de oude vorstinnen. ‘Haar oordeel’, schreef Simon Stijl in 1781, ‘was altoos onberispelijk, haar vuur was hemels; maar hare manier had veel overeenkomst met die van sommige beeldhouwers’ (Stijl, 65). Daarmee bedoelde hij dat Van Thil soms al te overdreven dramatische poses kon aannemen. Corver bestrijdt dit evenals Stijls bewering dat zij leerlingen zou hebben. Volgens de auteur van 't Galante leeven (13) echter zou de danseres Johanna Susanna van der Stel bij haar in de leer zijn geweest. Zelf gold Van Thil niet als leerling, maar wel als volgeling van Corver en zijn acteeropvattingen, die moderner waren dan die van Punt (en Stijl).

Waar Hendrina van Thil na haar afscheid van het toneel is gaan wonen, is niet met zekerheid te zeggen. In mei 1792 liet ze in Den Haag een testament opstellen. Daaruit blijkt dat ze eigenlijk in Amsterdam woonde en ook dat Molster overleden was. Verder staat ze als ‘beneden de f 2000 gegoed’ geregistreerd, wat erop kan duiden dat ze er financieel minder goed voorstond dan in vroeger jaren. Aan een ‘nicht’ – een schoondochter van Marten Corver – vermaakte ze vijf familieportretten ‘geschilderd door de konstschilder Richters’, waarmee waarschijnlijk Tibaut Regters is bedoeld. De rest liet ze na aan diegeen of diegenen bij wie ze inwoonde bij haar overlijden, ‘’t zij alhier in Den Haag [’t zij in] Amsterdam ofte in wat plaatse hetzelve mocht voorvallen’. Waar en wanneer haar dood is ‘voorgevallen’ is onbekend: volgens Coffeng stierf Hendrina Margaretha van Thil omstreeks 1795. In de begraafregisters van Amsterdam, Rotterdam en Leiden is zij niet te vinden. Wellicht was zij de Hendrina van Til wier overlijden op 27 februari 1799 in Den Haag pro deo werd aangegeven.

Naslagwerken

Coffeng; NNBW; Worp.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 25, 40r [kind Van Thil en Van der Palts]; 25, 174r [kind Van Thil en Schrick]. DTB, Trouwen 613, p. 83 [otr. Van Thil en Molster]. Toegang 5075 (Notarieel Archief), not. Everard Haverkamp: inv. nr. 11580, akten nrs. 501, 502 [testamenten Schrick en Van Thil]; inv. nr. 11606, akte nr. 333 [schenking juwelen]; inv. nr. 11617, akte nr. 164 [revocatie testament, d.d. 5-4-1763]; inv. nr. 11618, akte nr. 417 [verkoop obligatie]; inv. nr. 11631, akte nr. 516 [specificatie goederen Van Thil, d.d. 22-9-1767, met extract huwelijkse voorwaarden, d.d. 25-8-1767, Tiel]. Kwijtscheldingen, inv. nr. 140, 335v-336 [aankoop huis].
  • Regionaal Archief Leiden: DTB, Dopen Hooglandse kerk, 1-2-1722 [Hendrina Margarita van Thil]; Marekerk, 31-12-1724 [Petronella van Thil]. DTB, Impostregisters op het begraven, Pro deo, 26-6-1730 [Adriaan van Tilt, ‘timmermeester’]; Derde klasse, 11-6-1761 [Catarina van der Pals].
  • Haags Gemeentearchief: DTB, Dopen d.d. 26-2-1727 [Anna Stefanie van Thil]. DTB, Begraven 2, 52r [Hendrina van Til, aangifte pro deo 27-2-1799]. Notarieel Archief, inv. nr. 4508, p. 435-437 [testament Van Thil, d.d. 24-5-1792].
  • Regionaal Archief Alkmaar: DTB, Trouwen 29, akte nr. 15403, d.d. 28-4-1715 [Adriaan van Thil en Catharina van der Pals].
  • Regionaal Archief Rivierenland, Tiel: RBS 1444, Doopboek Tiel 1726-1759 (Coenraad Carel Molster, 3-12-1745). RBS 1451, Trouwboek Tiel 1738-1768, p. 159 (Van Thil en Molster).

Rollen

Cleopatra in Rodogune en Klytaemnestra in Ifigenia in Aulis waren waarschijnlijk Van Thils glansrollen. Verder o.a.: Badeloch in de Gijsbrecht; Chimena in De Cid; Helionora in De dood van Johan en Garcias; Hercilia in Romulus; Octavia in De dodelijke minnenijd; Zenobia in Rhadamistus en Zenobia; titelrol in De standvastige Genoveva en Scilla. Voor andere rollen zie bijv. toneeltijdschriften als Hollandsche toneel-beschouwer (1762/63), Schouwburg Nieuws (1762-1765), Compleete verzameling (1773-1774).

Literatuur

  • T.T., Brief van een vriend te Amsterdam aan zynen vriend tot Bennebroek buiten Haerlem, over een zilvere harts-vanger, welke is gebruikt in het treurspel Sigismundus [...]: op de Amsterdamsche Schouwburg [...] den 27 november Ao 1769 (Thiel [= Amsterdam], z.j. [1769]) [ex. Universiteitsbibliotheek Amsterdam, met handschriftelijke aantekeningen].
  • Openhart, Brief over het vertoonen van den Vader des huisgezins, door de Haagsche tooneelisten. Het aannemen der Speelers en Speelsters, voor den Amsterdamschen Schouwburg. En het vertoonen van Don Quichot op het Rotterdamsche tooneel (z.p. [Amsterdam?] z.j.).
  • T.T., Brief van een heer te Rotterdam aan zyn’ vriend te Amsteldam, vervattende een nauwkeurig en echt bericht weegens het engageeren, van de meeste acteurs en actrices der gewezene schouwburg te Amsteldam; voor den tyd van 10 jaaren te Rotterdam (z.p. z.j. [1773]).
  • Compleete verzameling van vyftig brieven van een Rotterdamsch heer, over het spelen van de aldaar zynde acteurs en actrices (z.p. 1773-1774).
  • Schilderachtige beschryvingen van den nieuwgebouwde Rotterdamsche Schouwburg, en het nieuwe treurspel Maria van Bourgondiën (z.p. z.j. [1774]).
  • Simon Stijl, Het leven van Jan Punt = Levens van eenige voornaame meest Nederlandsche mannen en vrouwen, dl. 9 (1781) 65-66.
  • M[arten] Corver, Tooneel-aantekeningen vervat in een omstandigen brief aan den schrijver van het Leven van Jan Punt (Leiden 1786) 48, 97-100, 104, 110, 133, 146, 165-166, 172.
  • ‘Het leeven der gewezene actrice T.., of M......, of de gelukkige’, in: ’t Galante leeven der Nederlandsche actrices (z.p. z.j. [ca. 1784]) 16-19.
  • P. Haverkorn van Rijsewijk, De oude Rotterdamsche Schouwburg (Rotterdam 1882) 37, 45-46, 109, 153, 219, 260.
  • J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg, 1496-1772, uitg. met aanvulling tot 1872 door J.F.M. Sterck (Amsterdam 1920) 201, 219.
  • Jakob Bicker Raye, Notitie van het merkwaardigste meyn bekent, 1732-1772, Fr. Beijerinck en M.G. de Boer ed. (Amsterdam 1935) 273.
  • Ben Albach, Jan Punt en Marten Corver. Nederlandsch tooneelleven in de 18e eeuw (Amsterdam 1946).
  • L. Belonje, ‘Een Amsterdamse marionettenspeler’, Maandblad Amstelodamum 59 (1972) 237-238 [i.v.m. fam. Van der Pals].
  • R.J.H. Veltkamp, Het eeuwgetijde van den Amsteldamschen Schouwburg. Een schouwburgfeest in 1738 naar zijn bronnen beschreven en geanalyseerd (doct. scriptie Universiteit van Amsterdam, 1984; ex. Universiteitsbibliotheek Amsterdam) 42a, 74, 76.
  • Henk Gras, ‘Punt en Corver tussen Heeren, of nieuw licht op de eerste jaren van de schouwburg in Rotterdam, 1773-1778. Oorspronkelijk vaderlandsch klugtspel’, Rotterdams Jaarboekje (1999) 183-210, aldaar 190, 193, 202-205.

Auteur: Anna de Haas (met dank aan Ton Jongenelen)

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 492

laatst gewijzigd: 13/01/2014