Tongeren, Adriana van (1691?-1764)

TONGEREN, Adriana van (ged. Amsterdam? 1691? – begr. Amsterdam 13-4-1764), toneelspeelster. Zij trouwde op 3-10-1714 in Delfshaven met Jan Hendrik Jordaan (ca. 1683-1749), toneelspeler. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 6 zoons geboren, van wie 3 zoons jong overleden.

Wie de ouders waren van Adriana van Tongeren is vooralsnog onbekend. Toen zij trouwde gaf zij op uit Amsterdam afkomstig te zijn. Dat biedt in principe twee mogelijkheden: ze was een dochter Hendrik Matthijsz. van Tongeren en Sara Weijer die op 15 juni 1691 een Adriana lieten dopen, of ze was een dochter van Wouter van Tongeren en Catrina Mercx, die op 23 september 1691 eveneens een dochter van die naam lieten dopen. Volgens Adriana zelf speelde ze al sinds haar veertiende (Corver, Iets voor oom, 38) en volgens de historicus E.F. Kossmann kwam ze omstreeks 1710 bij de troep van Jacob van Rijndorp in Den Haag (Kossmann, 23), wat bij elkaar een geboortedatum rond 1696 impliceert.

Hoe dat ook zij, Adriana van Tongeren trouwde in oktober 1714 in Delfshaven – waar Van Rijndorps troep vaak optrad – met Jan Hendrik Jordaan, geboren in Wismar (Duitsland). Of deze toneelspeler ook aan de troep verbonden was, staat niet vast, maar is wel waarschijnlijk. Hij had op dat moment al een mislukt huwelijk, met twee kinderen, en een paar geruchtmakende verhoudingen achter de rug. Uit zijn verhouding met de toneelspeelster Isabella Rigo was een jaar voordat Adriana met hem trouwde nog een kind geboren, wat hem op ontslag bij de Amsterdamse Schouwburg was komen te staan. Hij kan daarna in dienst getreden zijn van Van Rijndorp. In 1715 werd in Leiden, waar Van Rijndorp een schouwburg had, het eerste kind van Adriana en Jan Hendrik gedoopt, Johanna. Hun tweede kind, Jacob, werd in 1716 in Den Haag geboren; Jacob van Rijndorp was peetvader. Deze beide kinderen gingen later ook aan het toneel.

In 1717 kreeg Adriana van Tongeren een contract bij de Amsterdamse schouwburg, maar Jan Hendrik Jordaan mocht (of wilde) er pas drie jaar later terugkeren. Hij bleef waarschijnlijk bij Van Rijndorps troep. In 1718 nog waren twee leden van die troep, Anna van Rijndorp en Gillis Nozeman, doopgetuigen voor Adriana’s derde kind, dat echter binnen een jaar stierf. Tussen 1719 en 1725 werden nog vijf kinderen geboren, van wie twee zoons eveneens binnen een jaar overleden. Bij de Amsterdamse Schouwburg raakte het echtpaar Jordaan-van Tongeren bevriend met hun collega’s Maria van der Duyn en haar echtgenoot Cornelis Troost. Deze traden tussen 1721 en 1725 op als doopgetuigen voor drie kinderen Jordaan. Adriana en Jan Hendrik op hun beurt waren in die jaren doopgetuigen voor twee kinderen Troost. Alle kinderen van beide echtparen, uitgezonderd hun eerstgeborenen, werden thuis remonstrants gedoopt, maar pas op 27 februari 1726 werden Adriana van Tongeren en het echtpaar Troost-van der Duyn tegelijk lidmaat van de remonstrantse gemeente (Dudok van Heel, 95).

Begin jaren twintig had Adriana van Tongeren een naaister aan huis, door wie ze zich ook haar rollen liet overhoren. Deze Adriana Maas, zo ontdekte ze, had talent voor toneel. Ze leidde het meisje op, dat vervolgens succesvol carrière maakte aan de Schouwburg. Rond 1730 was Adriana van Tongeren eerste actrice bij de Schouwburg, maar ze werd in de loop van die jaren overvleugeld door haar leerlinge. In 1735 partageerde ze de titelrol in Jacoba van Beieren van Jan de Marre met Adriana Maas en Anna Maria de Bruyn. Met de eerste partageerde ze ook de rol van Badeloch in de jaarlijkse opvoeringen van Vondels Gijsbrecht. In De Marres Eeuwgetyde, in 1738 gespeeld ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Schouwburg, trad Adriana van Tongeren op in de rol van Deugd, terwijl Adriana Maas als Minerve de vrouwelijke hoofdrol vervulde. Op latere leeftijd speelde Adriana van Tongeren vooral koningin-moeders in treurspelen en uiteindelijk voornamelijk ‘ouderwetse moeders’ in kluchten (Corver, Tooneel-aantekeningen, 102-103).

In februari 1749 overleed Adriana’s echtgenoot Jan Hendrik Jordaan. Na zijn dood verhuisde ze uit het huis waar ze sinds 1729 met man en kinderen had gewoond: een van de zogeheten ‘wevershuisjes’ aan de Vijzelgracht (nr. 26), dat ze huurden van het Burgerweeshuis, exploitant van de Schouwburg (Dudok van Heel, 87, 92). Ze bleef wel op de Vijzelgracht wonen, in een ander huis.

Misschien had Adriana van Tongeren liever een ander beroep gehad. Daar wijst ten minste haar opmerking tegen Jan Punt op, toen deze in 1744 het toneel verliet om fulltime graveur te worden: ‘gij zijt gelukkig, dat gij buiten hetzelve [nl. het toneel] bestaan kunt’ en mocht ze hem ooit terugzien op het toneel, dan ‘zal het met het uiterste leedwezen zijn’ (Corver, Tooneel-aantekeningen, 34). Aan de andere kant moet Adriana een actrice in hart en nieren zijn geweest. Ze heeft haar hele leven op de planken gestaan, maar dat ze in haar latere jaren nog maar weinig speelde heeft haar kennelijk ontregeld. Ze raadpleegde een arts, aan wie ze vertelde dat ‘ze zich zeer dikwijls verbeeldde, binnen in haar lichaam ene stem te horen, die van ene zucht vergezeld, och Heer! riep’. De arts stelde haar gerust: ‘het zijn uwe werktuigen [: lichaam en geest], die zulk ene lange reeks van jaren gewoon zijnde geweest gedurig te werken, hunne rust nog niet volkomen hernomen hebben, het zal vanzelf wel overgaan’ (Corver, Iets voor oom, 38).

Een van haar laatst bekende optredens was in november 1762 in de klucht De mansmoer van P.W. van Haps (Hollandsche toneelbeschouwer, 69). In april 1764 overleed Adriana van Tongeren en op de dertiende van die maand werd zij vanaf de Vijzelgracht begraven in de Zuiderkerk.

Naslagwerken

Coffeng; NNBW; Worp.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 78, p. 113, of 13, p. 33 [Adriana van Tongeren?]; 301, p. 333, 339, 349, 354, 361, 366 [6 kinderen Jordaan]. DTB, Begraven 1096, 187r [Adriana van Tongeren].
  • Gemeentearchief Rotterdam: DTB Delfshaven, Trouwen, index nrs. 0 en 8 [resp. otr. en huwelijk].
  • Regionaal Archief Leiden: DTB, Dopen Pieterskerk, d.d. 23-10-1715 [Johanna Jordaan].

Literatuur

  • De Hollandsche Toneelbeschouwer (1762) nr. 5, 69.
  • M[arten] Corver, Tooneel-aantekeningen vervat in een omstandigen brief aan den schrijver van het Leven van Jan Punt [= Simon Stijl] (Leiden 1786) 17, 34, 102-103, 104, 176.
  • Marten Corver, Iets voor oom en neef, wegens hunne geëerde zamenspraaken (z.p. z.j. [ca. 1786]) 38.
  • E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw (Den Haag 1915) 21, 23.
  • Ben Albach, Drie eeuwen Gijsbrecht van Aemstel (Amsterdam 1937) 46, 144.
  • Ben Albach, Jan Punt en Marten Corver. Nederlandsch tooneelleven in de 18e eeuw (Amsterdam 1946) 44, 63, 76.
  • S.A.C. Dudok van Heel, ‘De affaire van “Beslikte Swaantje” of de toneelverwanten van Cornelis Troost’, Jaarboek Amstelodamum 65 (1973) 84-108, aldaar 84-95, 107.
  • R.J.H. Veltkamp, Het eeuwgetyde van den Amsteldamschen Schouwburg. Een schouwburgfeest in 1738 naar zijn bronnen beschreven en geanalyseerd (ongepubl. doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, 1984) 42a, 74 [ex. Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), Bijzondere Collectecties].

Auteur: Anna de Haas

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 440

laatst gewijzigd: 13/01/2014