Valkenburg, Adriana (1894-1968)

 
English | Nederlands

VALKENBURG, Adriana (geb. Schiedam 10-6-1894 – gest. Bergen op Zoom 19-2-1968), prostituee, Joden-verraadster. Dochter van Jacob Valkenburg (1866-1950), slager, en Adriana Cornelia de Ligt (1868-1942). Adriana Valkenburg trouwde (1) op 13-8-1916 in Rotterdam met Jacob (Jack) Stibbe (1884-1964), zakenman; (2) na echtscheiding (uitgesproken in 1928) op 16-11-1943 in Amsterdam met Johannes Jacobus Marinus Hendrik (Joop) Bom (1904-1958), klusjesman. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Adriana (Jeanne of Jane) Valkenburg  werd geboren als vierde in een gezin met veertien kinderen. Zij groeide op in Schiedam, waar haar strenggelovige vader aan de Singel een slagerij had. Haat, jaloezie en intriges tussen de gezinsleden waren aan de orde van de dag en haar vader was gewelddadig, terwijl moeder de kinderen verwaarloosde. Tot haar dertiende zat Jeanne op de lagere school en na een jaar huishoudschool kwam zij bij haar moeder in de huishouding. Ze kwam al jong in aanraking met de politie: in 1911 wegens ‘straatschennis’ en een jaar later omdat ze een gouden ring gestolen had. In diezelfde periode scheidden haar ouders.

Voor de oorlog

Vanaf haar achttiende werkte Jeanne Valkenburg als kostuumnaaister bij modemagazijn Gerzon in Rotterdam. In die stad ging zij ook wonen nadat ze in 1916 de gefortuneerde scheepsbouwer Jan Pot had leren kennen. Als zijn maîtresse kreeg ze een riante vergoeding en een dak boven haar hoofd. Mogelijk om aan de druk van Pots seksuele behoeften te ontkomen trouwde Valkenburg nog hetzelfde jaar, 1916, met de Joodse zakenman Jacob Stibbe, die zij kort daarvoor had leren kennen. Na enkele weken verdween Stibbe spoorloos en ze zag hem nooit terug. Twaalf jaar later werd de echtscheiding uitgesproken.Valkenburg verbleef een half jaar bij een zus in het oosten van het land, maar herstelde het contact met Jan Pot toen zij zich in 1918 vestigde in een pension aan het Frederiksplein in Amsterdam. Pot betaalde de huur en afhankelijk van haar diensten ontving Valkenburg een toelage.

Naast het contract met Pot had Jeanne Valkenburg in de jaren twintig een lucratieve praktijk als prostituee en later ‘pensionhoudster’ ( : hoerenmadam) in eigen bordelen in Amsterdam en Den Haag. Die carrière werd aangejaagd door de kelner Arnoldus (Nol) van Leersum, met wie Valkenburg sinds 1919 een relatie had. Omdat hij op haar zak teerde, wilde Valkenburg hem kwijt. Pogingen om hem wegens souteneurschap veroordeeld te krijgen mislukten, maar door het juridische gesteggel was Valkenburg in 1933 wel van Van Leersum verlost, al kostte het haar het leeuwendeel van haar vermogen.

Jeanne Valkenburg was intussen uitgegroeid tot een bekende ‘femme fatale’. Politiecommissaris Hendrik Voordewind herinnerde zich haar als ‘bepaald een schoonheid: groot, blond, een heel knap gezicht en een houding als een koningin’ (gecit. Middelburg, 45). Bij de Amsterdamse politie en in de onderwereld had zij de bijnaam Jeanne de Leugenaarster vanwege haar talent voor intriges en bedrog. In totaal kreeg Valkenburg 21 keer een proces-verbaal wegens prostitutie, dronkenschap, vechtpartijen en andere delicten. Eind december 1938 werd ze veroordeeld tot negen maanden onvoorwaardelijk wegens illegale abortus – een praktijk waarop ze zich midden jaren dertig naast haar bordeelexploitatie op de Noorder Amstellaan 52 (nu: Churchilllaan) was gaan toeleggen. Na haar vrijlating in juni 1939 zat ze financieel aan de grond: ze verloor de financiële steun van Pot en haar bordelen waren opgedoekt. Valkenburg huurde een kamertje in de Van Ostadestraat en moest aankloppen bij de Sociale Dienst. Als inmiddels 45-jarige hield ze zich enige tijd als straatprostituee staande.

Oorlog

In de Van Ostadestraat woonde Jeanne Valkenburg samen met Jacob Acohen, een Joodse marktkoopman die ze vanaf oktober 1931 kende, eerst als klant, later als geliefde. Op 2 april 1942 wilde ze met hem trouwen om hem als gemengd gehuwde Jood voor deportatie te behoeden, maar op die dag werd Acohen opgepakt – hij kwam om in Mauthausen. Hierna wierp Valkenburg zich op als Jodenhelpster. Ze regelde onderduikadressen en vluchtroutes, maar schroomde daarbij niet de in het nauw gedreven Joden financieel uit te knijpen. Met dat ‘verzetswerk’ liep Valkenburg in het voorjaar van 1943 tegen de lamp: de Sicherheitsdienst (SD) dreigde haar op te pakken. Om daaraan te ontkomen liet ze zich voor het karretje van Bureau Joodsche Zaken spannen. Gebruikmakend van het vertrouwen dat zij in Joodse kring genoot, liet zij zoveel mogelijk Joden op haar eigen en andere fictieve onderduikadressen (‘fuiken’) onderduiken om hen vervolgens uit te leveren. Ze raakte bevriend met beruchte Jodenjagers als Pieter Schaap en kreeg een kortstondige verhouding met hun Duitse chef, Otto Kempin. Kopgeld en premies van buitgemaakte Joodse bezittingen leverden haar veel geld op.

In de zomer van 1943 verhuisde Jeanne Valkenburg naar de Zuider Amstellaan 120 (nu: Rooseveltlaan), nadat een collega-verrader door het verzet was geliquideerd. Bij die verhuizing leerde ze de klusjesman Joop Bom (1904) kennen, met wie zij haar 'Jodenval’ succesvol voortzette. Op 16 november 1943 trouwden ze. Na Dolle Dinsdag vluchtten ze halsoverkop naar het zuiden, waar ze tijdelijk onderdak vonden bij een zus van Valkenburg in Bergen op Zoom. Op aanwijzing van die zus werd het echtpaar op 31 maart 1945 gearresteerd en overgebracht naar interneringskamp Meilust in Bergen op Zoom.

Na de oorlog

In totaal had Jeanne Valkenburg naar schatting vijftig Joden verraden, onder wie de familieleden van haar ex-minnaar Louis Ritmeester. Zeker 33 van Valkenburgs slachtoffers vonden de dood. Op 3 juli 1947 werd zij door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam ter dood veroordeeld, een vonnis dat in 1949 werd bekrachtigd door de Bijzondere Raad van Cassatie. Toch kreeg zij gratie: nog datzelfde jaar werd haar straf omgezet in levenslang. Tien jaar later, in 1959, werd de detentieperiode verkort tot 22 jaar, waarna Valkenburg in januari 1960 vrijkwam. Bij elkaar had ze een kleine vijftien jaar vastgezeten.

Tijdens haar detentie hield Jeanne de Leugenaarster haar reputatie in ere. Op de luchtplaats en in de naaizaal van de penitentiaire inrichting Noordsingel in Rotterdam stichtte zij veel onheil, door nieuwelingen in te palmen en op te hitsen, aldus een rapport van maatschappelijk werk in 1958. Haar laatste jaren leidde Valkenburg een teruggetrokken bestaan op verschillende adressen in Amsterdam en het grensdorp Putte (N.Br.). Contact met familie had ze niet meer, behalve met haar halfbroer Jules de Ligt, die zich om haar bekommerde. In de jaren zestig belandde ze in een rolstoel wegens extreem overgewicht. Uiteindelijk werd Valkenburg, ruim honderd kilo zwaar, opgenomen in het Algemeen Burger Gasthuis in Bergen op Zoom, waar ze op 19 februari 1968 overleed.

Reputatie

In de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog was Valkenburg lange tijd afwezig. Wel werd ze genoemd in de memoires (1949) van de voormalige politiecommissaris Voordewind, die haar typeerde als ‘het gevaarlijkste wijf dat ik tijdens mijn loopbaan heb ontmoet’ (gecit. bij Middelburg, 45). In 2009 publiceerde misdaadjournalist Bart Middelburg een goed gedocumenteerd boek over haar leven en daden. Betje Wery schreef in de jaren tachtig een soort doktersromannetje over haar, waarvan Middelburg het ongepubliceerde manuscript bezit. Rond 1980 onderzocht psychiater Jaap Hofman een forensisch-psychiatrisch rapport uit 1959 over de psyche en motieven van Valkenburg. Haar misdaden zouden vooral een gevolg zijn van de gestoorde verhoudingen binnen het gezin waarin zij was opgegroeid. Antisemitisch zal zij, getuige haar relaties met de Joodse Stibbe en Acohen, niet geweest zijn, aldus het rapport. Hierop gebaseerd noemt Hofman Valkenburg een ‘psychisch onvolgroeide geldingszuchtige vrouw’ met een dwangmatige behoefte om uiteenlopende rollen te spelen en zo haar angst voor menselijk contact te onderdrukken (Hofman, 244).

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR BRvC 838/47 inv. nr. 75818).
  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: processen-verbaal en rechtbankvonnissen, zie verwijzingen in Middelburg, 224-249.
  • Stadsarchief Amsterdam: Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun, dossiernummer 184.394.

Literatuur

  • Hendrik Voordewind, De commissaris vertelt (Den Haag 1949).
  • Bart Middelburg, Jeanne de leugenaarster. Adriana Valkenburg: hoerenmadam, verraadster, femme fatale (Amsterdam 2009).
  • Sytze van der Zee, Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker (Apeldoorn 2010).
  • Jaap Hofman, De collaborateur. Een sociaal-psychologisch onderzoek naar misdadig gedrag in dienst van de Duitse bezetter (uitgebreide heruitgave; Soesterberg 2011).

Illustratie

[in bestelling]

Auteur: Marie-Cécile van Hintum

laatst gewijzigd: 20/07/2016