Vermaat, Willemina (1873-1967)

 
English | Nederlands

VERMAAT, Willemina, ook bekend onder de schrijfstersnaam Wilma (geb. Zetten 14-5-1873 – gest. Blaricum 20-3-1967), schrijfster. Dochter van Johannes Vermaat (1841-1915), leraar, en Geertruida Hubers (1844-1884). Willemina Vermaat bleef ongehuwd.

Willemina (Wilma) Vermaat was het tweede kind in een gezin van zes meisjes en twee jongens. In hun woonplaats Zetten bloeide het Réveil en ook het gezin Vermaat ademde die sfeer van vroomheid. Lager onderwijs kreeg Wilma van een gouvernante en vervolgens op het schooltje dat verbonden was aan de door Heldring gestichte Christelijke Normaalschool voor Meisjes. In 1884 stierf haar moeder aan tuberculose – een verlies dat Wilma moeilijk kon verwerken. Ze wilde boerin worden omdat ze van de natuur hield, maar moest op haar dertiende naar de normaalschool (voorloper van kweekschool), waar ze haar diploma en een akte Frans haalde.

Sinds de dood van haar moeder worstelde Wilma Vermaat met een zwakke gezondheid: ze had last van incontinentie en gold als iemand met een ‘tuberculoze aanleg’. In 1893 werd ze echt ziek. Ze ontwikkelde een eetstoornis en werd op haar 23ste opgenomen in het Diaconessenhuis in Arnhem. Na zes weken keerde ze, voor het oog hersteld, huiswaarts.

‘Vrijwillig dragen’

In 1900 verhuisde Wilma Vermaat met haar vader en de nog thuiswonende zussen Hanna en Truus naar Apeldoorn (Looscheweg 55), waar ze werk vond in een batikkerij. Al snel raakte ze opnieuw in een crisis, zowel fysiek als geestelijk. Ze worstelde met de calvinistische uitverkiezingsleer en voelde zich door God verlaten. Haar neef, predikant J.H. Gerritsen, speelde een grote rol in haar genezing, onder meer door haar in contact te brengen met de Möttlinger beweging, een opwekkingsbeweging uit Duitsland die predikte dat geloof in Gods liefde via Christus genezing van lichaam en geest bracht. Pas rond haar 33ste verbeterde haar gezondheid.

Nadat een vriendin haar had gewezen op haar schrijftalent debuteerde Wilma Vermaat – inmiddels 34 jaar – onder de naam W. Vermaat met het verhaal ‘Oude vrijster’ in Ons Tijdschrift (1907). De bundel novellen die hierop volgde, De profundis (1908), publiceerde ze als Wilma, de schrijversnaam die ze voortaan zou gebruiken. Voor haar werk putte ze uit haar eigen levenservaringen. Zo verwerkte ze haar eigen ziekte en strijd in haar romandebuut Elze (1910) en de laatste levensdagen van haar vader, die stierf in 1915, in Die vrijwillig dragen (1921). Leed in eigen leven diende volgens Wilma te worden omgezet in ‘vrijwilligerschap’, het meedragen van andermans lijden in navolging van Christus. Nadat ze via de Centrale Groep, een christelijk-pacifistische hulpverleningsorganisatie van Kees Boeke, de homoseksueel Anthon C. Kraak had leren kennen, thematiseerde ze de homofiele geaardheid in Gods gevangene (1923): in zijn strijd tegen het bevredigen van zijn verlangens vond de hoofdpersoon rust in God.

Intussen tobde Vermaat met haar ogen. Vanaf ongeveer 1923 werkte ze in een schrijvershut, voor dat doel gebouwd op een heuveltop in Beekbergen. Na een verblijf van zeven maanden in 1924 bij een van haar zussen in Pretoria liet Vermaat bij haar werkhut een huis bouwen, de Neumshutte (tegenwoordig Wilmalaan 5, Lieren). Hier woonde ze vanaf 1925 met haar zusters Hanna en Truus. Ze werkte er aan De lichte nacht (1928), een roman over een blind wordende hoofdpersoon die zijn lijden door geloof overwint.

Later werk

In 1931 verscheen een beknopte monografie over het werk van Vermaat: Over Wilma en haar werk. Zelf sprak Vermaat in de jaren dertig regelmatig op Pinksterconferenties van de Bond van Letterkundigen en hield ze lezingen voor NCRV-radio. Na een bezoek aan Möttlingen schreef ze het boek Opstanding (1934), over een predikant die sterke gelijkenissen vertoonde met haar neef Gerritsen. In deze jaren begon ze ook met vertaalwerk. Zo publiceerde ze delen van het werk van de Silezische ex-priester Joseph Wittig in Leven en werk van Joseph Wittig. Een wonder van God (1939). Ze was en bleef lid van de Nederlandse-hervormde kerk, maar was vanaf 1939 ook aangesloten bij de Christengemeenschap, een op de antroposofie geïnspireerde vernieuwingsbeweging.

De deur van Wilma Vermaat stond altijd open voor wie een luisterend oor nodig had en gedurende de Tweede Wereldoorlog verborgen de gezusters Vermaat (Joodse) onderduikers. Vermaat correspondeerde veel met collega-schrijvers en vrienden, zoals Willem de Mérode en Muus Jacobse. Naar aanleiding van haar vijfenzeventigste verjaardag wijdde het christelijk literaire tijdschrift Ontmoeting in 1948 een themanummer aan haar oeuvre.

In 1953 publiceerde Wilma Vermaat haar autobiografie: Het heilig wonder van mijn leven. Ouderdom en verslechterend zicht speelden haar parten. Ze schreef nog enkele novellen, zoals Een vader voor mijn kind (1955) over een ongehuwde moeder, en bracht in 1962 haar zeventiende en laatste roman uit, Als het dode hout gaat zingen. Een jaar later debuteerde ze als dichteres met De koningsmantel.

Hanna en Truus overleden in februari 1964 heel kort na elkaar, en in januari 1966 verhuisde Wilma Vermaat naar Blaricum, waar een nicht haar verzorgde tot haar dood op 20 maart 1967. Op Goede Vrijdag 24 maart werd Wilma Vermaat vanuit de Neumshutte uitgeleide gedaan en begraven bij Hanna en Truus op de begraafplaats aan de Koningsweg te Beekbergen.

Betekenis

Het werk van Wilma Vermaat kreeg waarderende én kritische aandacht van protestants-christelijke lezers en pers. Buiten deze kring was zij nauwelijks bekend. Binnen haar eigen lezerskring was er kritiek op de starheid waarmee ze vasthield aan een chronologische compositie en op het teveel aan nevenpersonages, waardoor haar werk gebrek aan vormkracht vertoonde. Ook had men moeite met haar milde omgang met homoseksualiteit in Gods gevangene. Geprezen werden haar mystiek aandoende natuurbeschrijvingen.

Over leven en werk van Wilma Vermaat maakte Wim Ramaker in 1972 de NCRV- televisiedocumentaire Het heilig wonder van mijn leven. In 1984 werd de Wilma-stichting opgericht, die tot 2001 jaarlijks een Wilmadag organiseerde en tot 2007 een twee-, later driejaarlijks bulletin uitgaf. Niek van der Heide schreef de biografie Mijn voeten hebben Zijn spoor gevolgd (1992). In 2000 werd op de Hervormde Kerk in Beekbergen een Wilmaplaquette onthuld en in 2007 kwam er een bronzen borstbeeld op het dorpsplein. Toen het graf van de gezusters Vermaat in 2010 geruimd dreigde te worden, werd het door een inzamelingsactie voor honderd jaar veiliggesteld.

Naslagwerken

BWG; Ter Laan; Van Bork/Verkruijsse.

Archivalia

  • Tresoar, Leeuwarden: brief van Willemina Vermaat aan Fedde Schurer.
  • Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, Amsterdam, Vrije Universtiteit: Archief Willemina Vermaat, HDC 058; HDC 462; HDC 548; HDC 857.
  • Letterkundig Museum, Den Haag: V 00452; V 00452 B 1; V 00452 D 1; V 00452 D 4; V 00452 H 1; V 00452 K 1; V 00452 V 1; 23 KAMP; B 01683 B 1; K 00965 P; B 00913 B 1; K 03762 B 1; R 00526 B 1.
  • NIOD, Amsterdam: knipselcollectie Wilma Vermaat, KB I 11411.
  • UB, Utrecht: archief Ritter, brief van Willemina Vermaat aan Pierre Henri Ritter.

Publicaties/werken

Voor een volledige bibliografie zie Van der Heide (Leiden 1992).

Literatuur

  • J. Haantjes, Over Wilma en haar werk (Amsterdam 1931).
  • Niek van der Heide, Mijn voeten hebben Zijn spoor gevolgd. Over leven en werk van de schrijfster Wilma (Leiden 1992).

Illustratie

Wilma Vermaat, door onbekende fotograaf, ca. 1920 (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Elizabeth Kooman

laatst gewijzigd: 27/08/2017