Vitringa, Sophie Charlotte (1871-1933)

 
English | Nederlands

VITRINGA, Sophie Charlotte, vooral bekend als Sophie Charlotte Bronsveld-Vitringa, ook bekend als zuster Domna Joanna (geb. Deventer 30-10-1871 – gest. Utrecht 13-11-1933), politica, eerste vrouw in Kamerfractie van RKSP. Dochter van Annes Johan Vitringa (1827-1901), gymnasiumrector en publicist, en Catharina Schouten (1831-1899). Sophie Vitringa trouwde op 2-8-1894 in Den Haag met Walrand Cornelis Lodewijk Bronsveld (1865-1926), neerlandicus, hbs-directeur. Dit huwelijk bleef kinderloos; het echtpaar had 3 pleegkinderen.

Sophie Charlotte Vitringa werd in Deventer geboren als jongste in een gezin met acht kinderen. Vader Vitringa was rector van het gymnasium en hoogleraar aan het Athenaeum Illustre in Deventer. Ook was hij een veelzijdig publicist. Hij schreef onder meer Over de opvoeding en emancipatie der vrouw (1869), een pleidooi voor meisjesopvoeding die is gericht op het latere huwelijk – de brochure gaf aanleiding tot een reactie van Codine Zwaardemaker-Visscher. Sophies ouders waren Nederlands-hervormd, maar de vader koos in 1884 voor het katholicisme en ging werken voor De Tijd. Na de katholieke hbs in Deventer afgerond te hebben zat ze vanaf 1890 op de Toonkunst Muziekschool in Utrecht, waar het gezin inmiddels naartoe was verhuisd. Haar moeder, die liever niet zag dat ook haar kinderen de overstap naar de katholieke kerk maakten, introduceerde Sophie bij de familie van de hervormde, antipapistische predikant Andries Willem Bronsveld. Sophie raakte bevriend met zijn zoon, de neerlandicus Walrand (Louis) Bronsveld, met wie ze in augustus 1894 in het huwelijk trad. Het echtpaar vestigde zich in Haarlem maar verhuisde in 1897 naar Hoorn, waar Louis directeur werd van de rijks-hbs.

Rooms-katholiek

In 1901, een half jaar voordat haar vader overleed, liet Sophie Bronsveld-Vitringa zich katholiek dopen; ook haar man werd katholiek. In 1909 kreeg het echtpaar de voogdij toegewezen over de drie kinderen – twee jongens en één meisje – van Louis’ gestorven broer. Grootvader Bronsveld wilde de drie kinderen liever in een protestantse omgeving laten opgroeien, maar Bronsveld-Vitringa dwong via juridische stappen af dat ze de kinderen katholiek mocht opvoeden. Ze nam die opvoeding uiterst serieus. Een pleegzoon zou later als priester-missionaris naar Afrika vertrekken en daar uiteindelijke aartsbisschop van Tabora worden; haar pleegdochter trad in bij de Ursulinen.

In Hoorn was Sophie Bronsveld-Vitringa lid van maatschappelijke en charitatieve verenigingen, vrijwel allemaal van katholieke signatuur. Zo was ze betrokken bij de oprichting van de Elisabethvereniging, die zich inzette voor arme meisjes en moeders, bij het koor Liederen Leeft en bij een bezinningsgroep die ontwikkelingsavonden organiseerde. Bronsveld-Vitringa stond aan de wieg van nieuwe organisaties als de Hoornse afdeling van de R.K. Vrouwenbond (1912), de Geloofsverdedigingsgroep voor Vrouwen (1915) en een afdeling van het op dochters van woonwagenbewoners en schipperskinderen gerichte Francisca Romanawerk. Ook was ze actief in de drankbestrijdingsbeweging en betrokken bij de totstandkoming van de plaatselijke ‘R.K. Wijk- en Gezinspleging’.

Ondanks – of juist vanwege – haar engagement raakte Bronsveld-Vitringa in conflict met de pastoor-deken, Jacobus Henricus Smeele. Deze – en anderen met hem – ergerde zich aan haar gewoonte om vlak tegenover de preekstoel plaats te nemen tijdens de missen van haar favoriete kapelaan en verordonneerde haar met haar kinderen te gaan zitten in een tochtige zijbeuk van de kerk. Met succes tekende Bronsveld-Vitringa hiertegen protest aan bij de bisschop van Haarlem. Smeele zette zijn strijd tegen haar voort door tijdens bijeenkomsten van de RK Vrouwenbond hinderlijk aanwezig te zijn, aldus de historicus Leenders in zijn artikel ‘De papieren kapelaan’ (240-241).

Vlootwet

In 1919 nam Sophie Bronsveld-Vitringa namens de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) zitting in de gemeenteraad van Hoorn. Door haar grote maatschappelijke en politieke inzet viel ze op bij het landelijke RKSP-bestuur, en zo kwam ze op de kieslijst van 1922. Met haar verkiezing werd ze de eerste katholieke vrouw in de Tweede Kamer. Bij haar intrede in de Kamer gaf Bronsveld-Vitringa aan niet alleen de katholieke vrouwen, maar álle katholieken te willen vertegenwoordigen. Wel wilde ze, indien dat aan de orde was, de belangen van vrouwen behartigen. Als Tweede Kamerlid sprak ze zich vooral uit in maatschappelijke kwesties, zoals over de vraag of een huwende vrouwelijke ambtenaar ontslagen moest worden. Bronsveld-Vitringa was vóór, mede vanwege de kostenbesparende effecten ervan op de rijksbegroting, maar vond dat ongehuwde vrouwen wel dezelfde rechten als mannen moesten krijgen.

Tegelijk bleef Bronsveld-Vitringa gemeenteraadslid in Hoorn. In deze periode nam ook de zorg op zich voor haar zieke echtgenoot. Dat leidde ertoe dat ze in februari 1923 zelf oververmoeid raakte en enige tijd rust moest nemen. Later dat jaar speelde ze een cruciale rol bij de behandeling van de Vlootwet, een wet die een versterking van de vloot inhield met het oog op de verdediging van Nederlands-Indië. De sociaal-democratische Kamerleden waren sterk tegen en de RKSP was verdeeld. Fractieleider Nolens rekende op de stem van Bronsveld-Vitringa, maar vanuit pacifistische motieven stemde zij met negen partijgenoten tegen de wet, daartoe geïnspireerd door de encycliek van paus Benedictus XV. Het wetsvoorstel werd met een meerderheid van één stem weggestemd en het kabinet bood zijn ontslag aan. Bronsveld-Vitringa kreeg een uitbrander van Nolens en werd bij de verkiezingen van 1925 niet herkozen. Per 14 september 1925 kwam er zo een einde aan haar Kamerlidmaatschap.

De liefde overwint alles

Na de dood van haar echtgenoot, in 1926, besloot de diepgelovige Sophie Bronsveld-Vitringa, inmiddels 55 jaar oud, zich terug te trekken uit het maatschappelijk leven. Ze stopte in 1927 met haar lidmaatschap van de Hoornse gemeenteraad en trad op advies van de aartsbisschop van Utrecht in bij de Benedictinessen van de abdij Maria Mediatrix in het Belgische Hekelgem. Daar leidde ze als zuster Domna Joanna een leven van contemplatie en gebed. In 1930 publiceerde ze samen met de Vlaamse augustijn Emmanuel van Berkel De liefde overwint alles, een boekje voor het Geert Groote Genootschap. Het bevatte een gefingeerde briefwisseling waarin een jongeman zijn verloofde ervan overtuigt dat katholieke vrouwen zich zedig dienen te kleden – dat wil zeggen zonder decolleté en met lange mouwen – omdat ze anders ‘langs de helling der moraliteit zullen afglijden’.

In oktober 1933 werd Sophie Bronsveld-Vitringa ernstig ziek. Ze moest een operatie ondergaan in het Utrechtse St. Anthoniusziekenhuis. Hier overleed ze op 13 november 1933. Ze werd begraven op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Kerkhoflaan in Den Haag.

Betekenis

Sophie Bronsveld-Vitringa was in de jaren twintig een boegbeeld van de katholieke vrouwenemancipatie. Ze liet zien dat ook katholieke vrouwen politieke verantwoordelijkheid konden en wilden dragen. Dat zij in staat was haar eigen koers te varen, bleek wel uit haar tegendraadse stemgedrag tijdens de stemming voor de Vlootwet. In Hoorn, waar ze veel betekende voor het katholieke maatschappelijke leven, is een straat naar Bronsveld-Vitringa vernoemd.

Naslagwerken

PDC.

Archivalia

Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen: Archief A.M.A.J. Ariëns, brieven van Bronsveld-Vitringa aan Alphons Ariëns (1913); Archief van G.B. Brom, brieven van Bronsveld-Vitringa aan Gerard Brom (1920); Archief van C.J.M. Halkes, materiaal over Bronsveld-Vitringa, bijeengebracht door Tine Halkes.

Publicatie

[met Emmanuel van Berkel], De liefde overwint alles. Verlovingsbrieven (Den Bosch 1930).

Literatuur

  • Henri Beunders, Weg met de Vlootwet! De maritieme bewapeningspolitiek van het kabinet-Ruys de Beerenbrouck en het succesvolle verzet daartegen in 1923 (Amsterdam 1984) 192-193.
  • ‘De eerste katholieke vrouw in de kamer’, De Grondwet 7-7-1922.
  • ‘Een “onmogelijke”eisch?’, Voorwaarts. Sociaal-Democratisch Dagblad, 19-2-1927.
  • Marielle Isselmann, Mevrouw S.Ch.C. Bronsveld-Vitringa, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal in de periode 1922-1925 voor de Roomsch-Katholieke Staatspartij [Scriptie Faculteit Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Leiden] (Leiden 1981).
  • J.M.M. Leenders, ‘De papieren kapelaan. Katholiek Hoorn (1905-1911)’ in: J.C.H. Blom en C.J. Misset (red.), ‘Broeders, sluit u aan’. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Amsterdam 1985) 199-243.
  • Paul Luykx, ‘Daar is nog poëzie, nog kleur, nog warmte…’ Katholieke bekeerlingen en moderniteit in Nederland, 1880-1960 (Hilversum 2007) 182-184, 272-273.
  • ‘Ons vrouwelijk kamerlid mevrouw Bronsveld-Vitringa’, De Tijd, 10-7-1922.
  • Gerard Weel, ‘Sophie Bronsveld-Vitringa. Een sterke vrouw’, Kwartaalblad Oud Hoorn (2006) nr. 2, 69-73 [URL http://www.gerardweel.nl/bronsveld/index.php; geraadpleegd 17-9-2017].
  • Jos Leenders, ‘Zijn dit nu handelwijzen van een herder...!’ Hollands katholicisme 1840-1920 (Nijmegen 2008) 340-354.

Illustratie

Sophie Bronsveld-Vitringa, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen).

Auteur: Marieke Smulders

laatst gewijzigd: 21/11/2017